41 ZVE vertrekt met het s.s. "Zuiderkruis" naar Indië  

De "Zuiderkruis" zoals ze als fotokaart naar huis werd verzonden

Vertrek Rotterdam: vrijdag 08-10-1948 - Aankomst Batavia: dinsdag 02-11-1948

41 ZVE (Zelfstandig Verkennings Eskadron) van de Huzaren van Boreel vertrok op 8 oktober 48 met de "Zuiderkruis" naar Ned.-Indië en arriveerde op 2 november '48 in Batavia (Tandjong Priok). Het verslag van deze reis heeft huzaar P. Th. Wester vastgelegd in het door hem geschreven boek Dilarang Masoek (Verboden Toegang) Java '48-'49 (autobiografisch)  Om de ik-vorm te vermijden en het verhaal beschouwelijk te kunnen weergeven heeft P. Th. Wester zichzelf in de derde persoon geplaatst onder de naam Fred Terwes.

Tijdens zijn veertien dagen durende inschepingsverlof heeft Fred afscheid kunnen nemen van al zijn dierbaren. Hij vertrekt daarna weer met de trein terug naar de Willem III kazerne in Amersfoort. Tijdens deze reis dacht hij nog vaak aan het afscheid, dat hij de avond tevoren van zijn Helma had genomen. Zij was, op een enkel traantje na, haar emoties de baas gebleven en had nog plagend gezegd: 'Misschien ontmoet je daar wel een aardig bruin vrouwtje'. 'Nou ...... wie weet hoe lief de meisjes daar zijn', had Fred gekscherend en zich ook groothoudend geantwoord. Zij hadden node als vrienden afscheid genomen en elkaar het allerbeste toegewenst. Het was nu eenmaal niet anders.

Aan de vooravond van de grote reis

7 oktober 1948: Die laatste avond op de kazerne was er een uitgangsverbod van kracht en mocht niemand meer de poort uit. De plunjezakken stonden naast de bedden en de kasten waren nagenoeg leeg. Alles was klaar voor het vertrek. Allen raakten er van doordrongen, dat dit hun laatste avond in Holland was en dat het wel eens heel lang kon duren voordat zij weer terug zouden keren. De reacties daarop waren heel verschillend en varieerden van onverschilligheid en groothouderij, tot grote onrust en angst voor het onbekende. De sfeer was duidelijk anders dan gewoonlijk. Sommigen zagen er als een berg tegenop om de volgende dag naar Indië te vertrekken. Vooral Bas Horsten, die toch al de grootste moeite had gehad om de opleiding te volgen, had het er erg moeilijk mee. Hij lag op zijn krib voor zich uit te staren en was nauwelijks aanspreekbaar.

Het wel of niet noodzakelijk zijn van het zenden van militairen naar Indië werd breeduit door een groepje jongens besproken en soms laaiden de discussies hoog op. Lang niet iedereen was er van overtuigd, dat het een goede zaak was, dat zij daar heen gingen. Fred had geen zin om zich daarin te mengen. Ze hadden het al zo vaak over dat onderwerp gehad. Daarom ging Fred met Hans Overdal naar de kantine, waar ze Dirk Koolen en Jan van Narden aantroffen, die met twee jongens van 42 ZVE zaten te praten. Zij voegden zich bij hen en hadden alsnog een leuke avond, vooral omdat Jan van Narden weer eens op zijn praatstoel zat. Tegen tienen gingen zij terug naar hun kamer. De kornet en wachtmeester van Bonderen waren daar ook om te kijken of alles in orde was. Toen bleek dat Bas Horsten niet meer aanwezig was en ook tijdens het avondappèl kwam hij niet opdagen. Meteen besloot de kornet, in overleg met de hele groep, om hem te gaan zoeken. Na drie kwartier vonden Jan Kalman en Cor Lever hem op het achterterrein, aan de overkant van de beek. Hij lag volkomen ontredderd en drijfnat languit in het gras. De ziekenwagen werd gealarmeerd en hij werd met zwaailicht en sirene naar het hospitaal gebracht. Hij keerde niet meer in het peloton terug.

Afscheid van kameraad en achterblijver Fons Scheirlink op het kazerneterrein  

8 oktober 1948: Na een korte nachtrust werd het 41e in de vroege ochtend om half vier gewekt en anderhalf uur later gaf kornet Roverts aan de jongens van kamer 131 het sein, dat ze gingen vertrekken. 'Daar gaat ie dan'. Met die woorden nam Fred zijn plunjezak op zijn schouders en gaf hij tevens aan dat, wat hem betrof, de lange en verre reis naar 'De Oost' kon beginnen. Op het kazerneplein stonden legertrucks gereed, waar de jongens hun plunjezakken op konden deponeren en die de plunjezakken voor hen naar het station brachten.

Aan belangstelling had het 41e bij het vertrek geen gebrek. Ondanks het vroege uur was een flink aantal militairen, onder anderen van het 42e, aanwezig om de Indië-gangers goede reis toe te wensen. Ook 'De Witte' en Ron Watergang kwamen hun oude maten de hand drukken. Al die belangstelling deed de jongens goed en bij velen viel daardoor een stuk spanning weg. Daarna werd er appèl gehouden en nadat alles in orde bevonden was, werd het bevel voor de afmars gegeven. Het complete 41 ZVE zette zich in beweging en marcheerde de poort uit, daarmee de Willem III kazerne voorgoed achter zich latend. In een lange colonne marcheerde het eskadron vervolgens door de stille straten van de nog slapende stad naar het station. Daar pikte ieder zijn plunjezak weer op om vervolgens achter elkaar, in een lange rij, naar de gereedstaande trein te gaan.

Onverwacht kwam ik Fons op het perron in Amersfoort nogmaals tegen

Het instappen verliep vlot en nadat de soldaten hun plunjezak ergens in de coupé hadden neergezet, hingen ze uit de ramen om te zien wat er op het perron gebeurde. Ook hier ontbrak het niet aan belangstelling. Behalve de nodige militairen, onder wie Fred onder anderen de 'peterolieboer' van Dirk Koolen ontwaarde, waren er ook burgers op het perron aanwezig. Die waren gekomen om afscheid te nemen van enige soldaten, die daartoe nog even verlof kregen om de coupé te verlaten. Fred benijdde die jongens niet en was blij dat hij thuis afscheid had genomen. Het was geen prettig gezicht om die bedroefde mensen te zien. Geheel in tegenspraak daarmee was het gejuich, dat opklonk uit de trein, toen het sein tot vertrek werd gegeven en dat zijn hoogtepunt bereikte toen de trein zich in beweging zette.

Het reisdoel was de haven van Rotterdam. Op alle stations en overwegen, die zij passeerden, stonden mensen te zwaaien. Dat vonden de soldaten prachtig en mede daardoor werd de stemming steeds uitgelatener. Tim Molendak stond geregeld kushandjes te geven. 'Alle mooie vrouwen krijgen van mij een kusje', zei hij met zijn hoge, geaffecteerde stem. Ik vind het toch zo lief van hen, dat ze ons zo uitbundig uitzwaaien. Schitterend! Hij was niet bij het raam weg te slaan en had er enorm plezier in. Ook de andere jongens lieten zich niet onbetuigd. Alleen op de stations van Utrecht en Gouda, waar even gestopt werd, ontstonden voor enkele jongens nog pijnlijke momenten. Daar waren familieleden gekomen om afscheid van hen te nemen. En omdat ze de trein niet mochten verlaten, moest dat hangend uit het raam gebeuren. Dat was ook het geval met Jan Kalma. Het was hartverscheurend om het verdriet van zijn vrouw te zien. Impulsief boog Tim Molendak zich uit het raam en gaf haar een kus. Al is Jan groter en sterker dan ik, toch zal ik goed op hem passen, zei hij met omfloerste stem. Toen brak er een flauwe glimlach door haar tranen heen. Dank je wel, zei ze zachtjes. De andere jongens in de coupé hielden zich rustig en dempten hun stemmen. Het deed hen toch wel wat. En zij zwaaiden allen naar haar, toen de trein het station verliet.

In Rotterdam namen ze hun plunjezakken weer op en marcheerden naar de kade, waar het troepentransportschip de "Zuiderkruis" lag afgemeerd. Daar moest het eskadron wachten tot het aan de beurt was om in te schepen. Vol ontzag stonden de jongens naar het schip te kijken, dat van dichtbij zo enorm groot leek. "Dus dat is nou de schuit, die ons naar het andere eind van de wereld moet brengen,” merkte Fred op, terwijl hij zijn blikken aandachtig over het schip liet gaan. In het midden zag hij een hoge schoorsteen en een opbouw van enige verdiepingen hoog. Dat was de brug, wist hij. Voor en achter de brug was het schip uitgerust met een paar masten en daar waren ook nog enige lage opbouwen, zogenaamde dekhuizen, te zien.

Hans Overdal stond Fred glimlachend gade te slaan en vroeg: Kan het schip uw goedkeuring wegdragen, huzaar Terwes? Zo niet, dan kan ik nog gauw een ander voor u bestellen. Doe geen moeite, kapitein. Ik denk dat dit schip groot genoeg is voor ons, antwoordde Fred, daarbij de zware stem van Hans Overal nabootsend. Beiden hadden er plezier om. Ook van andere wapens arriveerden militairen op de kade, die evenals de huzaren in de 'wachtkamer' werden gezet. Maar tevens werd de publieke belangstelling steeds groter. Die mensen probeerden nog een laatste glimp op te vangen van hun zoon, broer of verloofde. Dat was niet eenvoudig, want zij werden door de MP achter dwanghekken op afstand gehouden en stonden rijen dik.

Het 41e ZVE gaat als tweede onderdeel aan boord

Het 41e ging als tweede groep aan boord. Voor de zoveelste maal die dag namen de soldaten hun plunjezak op de schouders en gingen in een lange rij de loopplank op. Hun gezichten stonden ernstig. Er werden geen grappen gemaakt en zo nu en dan klonk er een vloek, wanneer iemand moeilijkheden met zijn plunjezak had. Het eskadron werd ondergebracht in een ruim, waar circa vijfhonderd slaapplaatsen waren. Er waren nog twee van dergelijke ruimen, zodat de 'Zuiderkruis' met ongeveer vijftienhonderd man naar Indië zou vertrekken. De jongens gooiden hun plunjezak op het hun aangewezen bed en kregen daarna verlof om weer naar boven te gaan, zodat zij vanaf het dek de gebeurtenissen op de kade konden gade slaan. Fred vond, met nog enkele jongens van zijn peloton, een mooi plaatsje aan de reling, vlak bij de loopplank. Van daaruit hadden zij goed zicht op de kade en konden alles zien wat er gebeurde.

De inscheping verliep redelijk vlot. De ene afdeling na de andere vulde de onafgebroken stroom militairen aan, die via de loopplank aan boord kwamen. Van dichtbij zag Fred de honderden soldaten naar boven komen. Het geheel boeide hem enorm. Aan het eind van de middag was de inscheping voltooid. Op de kade had zich intussen het muziekkorps van de Huzaren van Boreel opgesteld. En nadat een aantal hoge militairen het schip verlaten had en de loopplank was opgehaald begon het muziekkorps te spelen. Iedere militair aan boord had intussen geprobeerd een zo goed mogelijk plaatsje te vinden om alles te kunnen zien. Overal waar dat maar mogelijk was stonden ze: op de dekhuizen, op de dekluiken, op de uitsteeksels aan de masten en op iedere verhoging die aanwezig was. Iedereen wachtte vol spanning op wat komen ging. Plots loeide de stoomfluit, luid, hard en doordringend. De mensen op de kade begonnen onrustig te worden en de MP had moeite om hen achter de hekken te houden. Toen het muziekkorps het Wilhelmus inzette verstomde het geroezemoes van stemmen. Iedereen zweeg en luisterde. Een voelbare stilte omringde de klanken van het Wilhelmus, dat onder die omstandigheden een enorme indruk op allen maakte. Niet door de betekenis van de woorden, maar door de diepere achtergrond, die aan het spelen van dit Wilhelmus ten grondslag lag. Het was het definitieve sein voor het vertrek naar de Oost. Later zou Jan van Narden zeggen: Ik werd er koud van. Ook Fred had het zo ervaren. Hij had nooit gedacht dat het volkslied zo'n indruk op hem zou kunnen maken.

Toen vervolgens de trossen werden losgegooid, klommen de mensen op de kade over de hekken, doorbraken het kordon van de MP en renden naar het schip. Er werd geroepen, er werd geschreeuwd en er werd met van alles gezwaaid in een poging om nog contact te maken met diegene, die zij node zagen vertrekken. Doch om vijf uur precies maakte de 'Zuiderkruis' zich onverbiddelijk los van de kade, daarbij langzaam de afstand vergrotend tussen de roepende en wuivende militairen aan boord en de bijna wanhopige mensenmassa op de kade. Dat waren ogenblikken om nooit te vergeten.

Het grote avontuur naar de Oost is begonnen 

Gedurende de tocht over de Nieuwe Waterweg werd de "Zuiderkruis" begeleid door bootjes met zwaaiende familieleden en langs de kanten van de Waterweg waren geregeld groepjes mensen te zien, die de jongens een laatste groet toewuifden. Toen Hoek van Holland bereikt werd, was de duisternis al ingevallen. De mensen, die daar op de kade stonden, groetten de voorbij varende "Zuiderkruis" door met allerlei lichtjes te zwaaien. Het was een mooi gezicht en tevens het laatste wat de jongens van Holland zagen.

Familieleden varen in kleine bootjes mee over de Nieuwe Waterweg

Fred daalde de trap af naar het ruim, waar het 41e was ondergebracht, om wat toiletgerei op te halen. Het ruim werd geheel ingenomen door lange stellages, waaraan aan weerszijden én vijfhoog bedden waren bevestigd. De bedden, bestaande uit met canvasdoek bespannen raamwerken van stalen buis, dienden behalve als slaapplaats ook als opbergplaats voor de plunjezakken en de overige spullen van de militairen. Veel ruimte hadden de jongens niet, want de bedden hingen een halve meter boven elkaar en om de twee bedden was er een pad, dat ook niet breder was dan een halve meter. Fred haalde de nodige spullen uit zijn plunjezak en begaf zich weer aan dek om het waslokaal te zoeken. Dat was een ruimte op het voordek over de volle breedte van het schip. Fred ging naar binnen en zag in het midden een twintigtal douches en wasbakken en aan beide zijkanten een rij toiletten. Hij stond wel even vreemd te kijken, want tussen de douches en de toiletten onderling stonden wel schotten, maar deuren waren nergens te bekennen. Iedereen stond of zat voor iedereen te koop.

Fred moest nog even aan het idee wennen. Maar toen hij Dirk Koolen, gemaakt onverschillig een sigaret rokend om zich een houding te geven, op één van de toiletten ontwaarde, moest hij lachen of hij wilde of niet. Nadat hij zich gedoucht had, hoorde hij dat er in de kantine wat te eten viel. Dat kwam hem goed uit, want hij rammelde van de honger. De kantine was een grote ruimte benedendeks. De warmte kwam hem tegemoet bij het naar binnengaan en het zag blauw van de rook. De lange houten tafels waren grotendeels bezet met etende soldaten en de ruimte was gevuld met het geluid van de vele stemmen.

Fred zag dat er gewerkt werd volgens het cafetariasysteem en nadat hij zijn eten gehaald had, vond hij een plaats bij enkele andere jongens van zijn peloton. Het eten smaakte hem uitstekend. Jan van Narden en Tim Molendak voerden het hoogste woord en zodoende bleven ze nog een tijdje hangen tot de corveeploeg hen vriendelijk verzocht op te rotten. Het werd tijd om de slaapplaatsen op te zoeken. Fred, die een bed onderaan had toegewezen gekregen, schoof zijn plunjezak onder zijn bed. Wim Klepper, die ook onderaan sliep, doch aan de andere zijde van het smalle pad, deed hetzelfde. Toen kwam het. De jongens, die boven hen sliepen, moesten hun plunjezakken ook kwijt en zetten die noodgedwongen in het pad. Hetzelfde gebeurde overal in het ruim. Zodoende stonden alle paden over de volle lengte vol met plunjezakken.

Alle jongens, die onderaan lagen, dus ook Fred, werden bijna geheel ingesloten. Aan de ene zijde door de plunjezakken, aan de andere zijde door hun buurman en vóór en achter hen door degenen, die daar sliepen. Fred hoopte maar, dat hij er 's nachts niet uit moest, want dat was bijna niet mogelijk. Bovendien moest iedereen zijn schoenen en kleren nog ergens laten en werden er overal handdoeken te drogen gehangen. Fred had zijn handdoek aan het bed boven hem opgehangen, bij het hoofdeinde, als een soort gordijn achter zijn hoofd. Dan ruik ik de zweetkakkies van Rozen P.G. niet zo erg, liet hij de anderen weten. Och ..… die ruik je toch niet, antwoordde Rozen P.G. geamuseerd, want ik heb ze vorige week nog gewassen en twee weken geleden heb ik nog schone sokken aangedaan. Dus ..… niets aan de hand. Nou .…. dan had ik het niet beter kunnen treffen, antwoordde Fred lachend.

Terwijl de "Zuiderkruis" zijn weg zocht door de donkere nacht, werd het langzaamaan rustiger in het ruim. Het geluid van de vele stemmen verstomde en uiteindelijk was alleen nog gesnurk te horen. Maar Fred hoorde dat niet, want hij sliep als een roos. Die nacht passeerde de "Zuiderkruis" het Nauw van Calais en de volgende morgen zag Fred, toen hij aan dek kwam, slechts lucht en water. Het was koud en zwaar bewolkt. De frisse lucht deed hem echter goed, want in het ruim rook het benauwd en het condenswater droop van de wanden. Dat was ook niet zo verwonderlijk met vijfhonderd man in één ruimte, waarin nauwelijks ventilatie was. Toen het begon te regenen, zocht Fred zijn heil in de kantine. Daar was het mudvol en de tabaksrook kon je snijden. Overal zaten jongens te kaarten of brieven te schrijven of gewoon te niksen. En omdat Fred geen betere plaats wist, besloot hij zijn dagboek te halen en ging dat in de kantine bijwerken.

In de loop van de middag begon er een lichte deining te komen. Volgens een lid van de bemanning kwam dat, omdat de "Zuiderkruis" het einde van het Kanaal naderde, waar de golfslag van de Atlantische Oceaan zijn invloed deed gelden. Hoewel de bewegingen, waarmee het schip daarop reageerde, nog nauwelijks voelbaar waren, begonnen enige jongens, hangend over de reling, de vissen al te voeren. In het begin van de avond meldde de scheepsomroep, dat de Franse stad Brest werd gepasseerd. Maar omdat het al donker was, zag Fred alleen het licht van een vuurtoren.

De oversteek door de Golf van Biskaje naar Kaap Finisterre op de noordwestpunt van Spanje was begonnen. De deining was intussen veel sterker geworden, waardoor steeds meer soldaten zeeziek werden. Die zochten hun heil op bed of aan de reling. Neptunus kreeg die avond heel wat cadeautjes. Fred voelde zich alleen wat licht in zijn hoofd, maar voor de rest had hij nergens last van. En ondanks de schommelende bewegingen van het schip sliep hij die nacht goed.

Ook de tweede dag zagen de opvarenden alleen lucht en water. Het was zwaar bewolkt, er stond een stevige wind en het water was bijna zwart van kleur. Het zag er onheilspellend uit, temeer omdat de sterke deining de voorsteven van het schip wel vier meter deed rijzen en dalen. Volgens de bemanning had dat allemaal niets te betekenen en was het zelden zo rustig in de Golf van Biskaje. Nog steeds dwong Neptunus velen over de reling te hangen. Ook de aalmoezenier en de veldprediker waren ziek, zodat er geen kerkdiensten werden gehouden. Mede daardoor was er aan niets te merken dat het zondag was. Fred bleef zoveel mogelijk aan dek. In het ruim was het geen harden. Ondanks dat ventilatoren via luchtkokers, die aan het plafond waren bevestigd, frisse lucht naar binnen bliezen, was het er benauwd en hing er een allesbehalve aangename geur. Dat had ook wel te maken met de zeezieken, die te ziek waren om naar de reling te gaan en daarom in het ruim overgaven. En hoewel de vloer door een corveeploeg geregeld werd schoongemaakt, bleef het een onfrisse bedoening.

In de luwte van een dekhuis schepte Fred er een genoegen in naar de zee te kijken. Tengevolge van de lange, hoge deining rees en daalde de "Zuiderkruis" op de golven, die met een bijna vaste regelmaat op het schip afkwamen. Het was fascinerend en tevens geruststellend om te zien, hoe het schip desondanks onverstoorbaar zijn weg vervolgde. Vroeg in de avond liet de "Zuiderkruis" de Golf van Biskaje achter zich en werd Kaap Finisterre gerond. Doch omdat het toen alweer donker was, waren ook ditmaal alleen de lichten van een paar vuurtorens te zien. Heel vaag onderscheidde Fred, die met Hans Overdal op het dek stond te kijken, het silhouet van de hoog uit zee oprijzende kust.

De derde dag voer de "Zuiderkruis" bijna de hele dag in het zicht van de Portugese kust. De zee was aanmerkelijk rustiger en er scheen een behaaglijk zonnetje. Veel jongens, voor zover ze geen dienst of corvee hadden, zochten zich een plaatsje op het voordek, dat bestemd was voor de manschappen. Op het achterdek mochten zij niet komen. Dat was alleen toegankelijk voor officieren en onderofficieren. Bijna alle zeezieken waren weer beter en de stemming was weer als vanouds. Ondanks het mooie weer en ondanks dat er de hele dag wel iets te zien was, was een aantal verstokte kaarters niet uit de rokerige kantine weg te slaan. Er moest en er zou gekaart worden. Dat zou trouwens de hele reis zo blijven. Ieder zijn meug. Fred zat op een bolder met zijn voeten op de onderste stang van de reling. Hij genoot van de aanblik, die de Portugese kust hem bood. Omdat ze vrij dicht onder de kust voeren, was alles duidelijk te zien. De kust werd hoofdzakelijk gevormd door uit zee oprijzende rotsen. Hier en daar was er een stukje strand te zien, waarachter de kust dan flauw opliep naar de achterliggende hoogvlakte. Overal zag Fred dorpjes en verspreid liggende huizen. De huizen hadden bijna allemaal witte muren en rode daken, wat prachtig afstak tegen de achtergrond van bossen, groene velden en donker gekleurde rotsen.

 

De stad Lissabon komt nabij Kaap Roca goed in zicht 

In de loop van de ochtend werd Kaap Roca, hoog uit zee oprijzend, ter hoogte van Lissabon bereikt. Ook daar waren vanaf het schip duidelijk dorpen, groene velden, bossen en zelfs wegen te zien. De zon scheen voluit en gaf het geheel een vriendelijke aanblik. Het was een schitterend gezicht. Na Kaap Roca verdween de kust langzaam uit het zicht en was weer alleen water en lucht te zien. Doch omstreeks drie uur in de middag werd aangekondigd, dat Kaap Vincent op de uiterste zuidwestpunt van Portugal in zicht kwam. Fred, die in de kantine weer zijn dagboek zat bij te werken, spoedde zich naar boven en zocht zijn plaats op de bolder weer op. Het duurde nog wel even, maar na een half uurtje, waarin weer veel jongens aan dek kwamen, voeren ze dicht langs de kaap.

Kaap Vincent wordt gepasseerd

Grillig gevormde, hoge rotsen staken recht uit zee omhoog met op de uiterste punt een wit gebouw en een vuurtoren. Voor het gebouw, waarvan Fred veronderstelde dat het een weerstation was, stonden enige mensen te zwaaien. Overigens toonde de kaap vrijwel geen teken van leven. Er waren slechts enkele huizen te zien. Kennelijk was het een onherbergzaam oord.

Vanaf het schip boden de steile rotsen een kleurrijke aanblik. Duidelijk waren in de rotswanden verschillende lagen te zien, elk met een eigen kleur. Geel, rood en vooral grijs waren de kleuren, die overheersten en met de donkere, diepblauw gekleurde zee en de strakblauwe lucht als omlijsting, maakte Kaap Vincent een onuitwisbare indruk. Het was een beeld om nooit te vergeten. Fred vroeg zich af, wat er in de loop van de eeuwen wel niet allemaal gebeurd moest zijn, om zoiets te doen ontstaan. En daarmee was het nog niet gedaan, want korte tijd daarna voer het schip vrij dicht langs een volgende kaap. Dat was Kaap Sagres. In tegenstelling met Kaap Vincent, stonden daar veel gebouwen, die ook weer wit van kleur waren. Op de uiterste punt, vlak bij een vuurtoren, stonden duidelijk zichtbaar een man en een vrouw. Zij zwaaiden met beide armen naar de soldaten op de "Zuiderkruis". En die zwaaiden enthousiast terug naar de twee mensen, die zich, zij het op enige afstand, hoog boven hen bevonden.

Dicht onder de kust, ontwaarde Fred een stuk of vier bootjes. Gezien tegen de hoge rotsen vielen zij bijna in het niet. Zijn aandacht werd er vooral door getroffen, omdat zij telkens uit het zicht verdwenen, om even later weer tevoorschijn te komen. Dat boeide hem en maakte hem nieuwsgierig. Het raadsel was echter gauw opgelost. Door de vrij hoge golfslag, waar de "Zuiderkruis" nauwelijks op reageerde, waren de kleine bootjes onzichtbaar als zij in een golfdal terecht kwamen. Dichterbij gekomen, bleken het kleine vissersbootjes te zijn. Eén van de vissers stak zijn hand op als groet en ging daarna weer door met zijn werk. Kennelijk was een Hollands troepenschip niets bijzonders voor hem.

Na Kaap Sagres zette de "Zuiderkruis" via de Golf van Cadiz koers naar de Straat van Gibraltar, die volgens een berichtgeving 's nachts gepasseerd zou worden. Die nacht klauterden Fred, Hans Overdal en nog een paar jongens om drie uur uit bed om naar Gibraltar te kijken. Doch behalve wat lichtjes was er niets te zien. Wel duidden de vele lichtjes op de Marokkaanse kust duidelijk aan, dat daar de stad Tanger lag. Ze hadden er meer van verwacht en zochten daarom al weer gauw hun slaapplaatsen op. Hans Overdal, die daarvoor naar vierhoog moest klimmen, trapte daarbij per ongeluk op de arm van Dirk Koolen. Die liet zich niet onbetuigd. Kijk godver een beetje uit .....! En terwijl hij over zijn arm wreef, zei hij nog: Blijf voortaan in je nest liggen .....! Hans Overdal moest erom lachen. Je moet de groeten van Gibraltar hebben, Dirk, zei hij plagend. Maar Dirk Koolen draaide zich alweer om en mompelde zoiets van: Dat zal me een worst wezen.

De Middellandse Zee  

De tocht over de Middellandse Zee duurde vijf dagen. De eerste dagen was het mooi weer en de zee was lichtblauw tot grijs van kleur. De Afrikaanse kust was meestal zichtbaar, doch op grote afstand. Behalve enige hoge toppen van het Atlasgebergte, die in de wolken verdwenen, was de afstand te groot om iets te onderscheiden. Ter hoogte van Tunis veranderde het weer. Tegen de avond, het begon al te schemeren, pakten donkere wolken zich samen en de zee werd gitzwart van kleur. Boven de Afrikaanse kust onweerde het. De bliksemflitsen schoten onophoudelijk over grote afstanden heen en weer en verlichtten telkens enige ogenblikken de donkere bergen in de verte. De lichten weerkaatsten, gebroken door de golven, als vele lichtpunten op het water. Het was een fascinerend schouwspel, dat door de meeste jongens op het dek stilzwijgend werd gadegeslagen.

De volgende morgen passeerde de "Zuiderkruis" het bergachtige eiland Malta, dat tijdens de Tweede Wereldoorlog van zo groot belang was geweest voor de geallieerden. Een juist uitvarende onderzeeër herinnerde er nog aan, dat Groot Brittannië daar een grote vlootbasis had. Het zicht werd steeds belemmerd door regenbuien, zodat Fred maar weinig over het eiland in zijn dagboek kon vermelden. Over de daarop volgende dag kon Fred ook kort zijn. In telegramstijl schreef hij: Vrijdag, 15-10-‘48 - Water en lucht. Mooi weer, warm. Corvee, aardappelen schillen. Vandaag kan nog post ingeleverd worden. Morgenavond bereiken we Port Saïd.

In de ochtenduren van de laatste dag op de Middellandse Zee zorgde het passagiersschip "Willem Ruys" voor de nodige opwinding. Het alom bekende schip, dat pas een paar jaar in de vaart was, kwam de "Zuiderkruis" achterop en naderde zienderogen. Vrijwel iedereen kwam aan dek om het tot de verbeelding sprekende schip te kunnen zien. Het grote, majestueuze schip passeerde de "Zuiderkruis" op vrij korte afstand. Duidelijk waren vele patrijspoorten, de verschillende dekken en de twee boven alles uitstekende schoorstenen te zien.

De "Willem Ruys" heeft beduidend meer vermogen als ons schip

Overal op het schip stonden de opvarenden de soldaten hartelijk toe te juichen. Waar zouden die mensen naar toegaan, vroeg Fred zich af. Ook naar Indië? Of zouden het emigranten zijn, op weg naar Australië of Nieuw Zeeland? Het deed er ook niet toe. Het waren landgenoten, die hen groetten en Fred zwaaide evenals de andere soldaten enthousiast terug. Beide schepen groetten elkaar door middel van enige stoten op de stoomfluit en daarna liet de "Willem Ruys" door zijn grotere snelheid de "Zuiderkruis" achter zich en verdween enige tijd later uit het zicht.

Na Malta was het weer sterk verbeterd en de laatste dag op de Middellandse Zee was het zelfs zeer warm. Enkele bemanningsleden hadden zonneschermen aangebracht boven een gedeelte van het dek. "Dat is eigenlijk nog niet voor vandaag, maar wel voor de hitte die nog komen gaat,” had één van hen gezegd. De warmte was voor Fred een reden temeer om het ruim zoveel mogelijk te mijden. Het was daar vies warm en het stonk er, omdat er te weinig ventilatie was. Hij kwam er eigenlijk alleen nog om te slapen en verbleef praktisch de hele dag aan dek. Er was die dag een scheepskrant uitgegeven onder de naam ‘Het Zuidergerucht’ met een artikel over de "Zuiderkruis” en een beschrijving van het Suezkanaal. Zittend op een bolder aan bakboordzijde in de schaduw van de brug, waar nog meer jongens een plaatsje gevonden hadden, nam Fred rustig de tijd om de scheepskrant te lezen.

Het artikel over de “Zuiderkruis” vermeldde onder andere, dat de Amerikanen tijdens de oorlog schepen van dat type in serie hadden gebouwd. Eerst Liberty's en daarna Victory-schepen en dat de bouwtijd voor zo'n schip slechts negentig dagen was geweest. De “Zuiderkruis" was een Victory-schip, waarvan de tewaterlating in mei 1944 had plaats gevonden. In maart 1947 werd het schip door de Nederlandse regering overgenomen en ingezet om troepen naar Indië te vervoeren. De technische gegevens liet Fred grotendeels voor wat zij waren. Wel interesseerde hem de lengte en breedte van het schip, namelijk 134 en 19 meter. Ook las hij nog, dat indien op volle kracht gevaren werd er 55 ton olie per etmaal verstookt werd en dat het drinkwaterverbruik ongeveer 70 ton per etmaal bedroeg. Het zal wel zo zijn dacht Fred, maar hij was wel verbaasd over die grote hoeveelheden. Hoewel hij op school wel het één en ander gehoord had over het Suezkanaal, besefte Fred dat hij er eigenlijk maar weinig van wist. Ja, dat het kanaal liep van Port Saïd naar Suez en een verbinding vormde tussen de Middellandse Zee en de Golf van Suez, dat wist hij wel. En ook dat het gegraven was om de zeeweg tussen Europa en Azië te bekorten. Maar daar hield het dan ook wel mee op. En omdat die avond Port Saïd bereikt zou worden, was Fred benieuwd wat de scheepskrant over het Suezkanaal te vertellen had.

Ferdinand de Lesseps, de bouwer van het Suezkanaal, begon het enorme werk in 1856 en voltooide het in 1869, las hij. Bij internationale overeenkomst werd in 1888 bepaald, dat het kanaal als neutraal gebied zou worden beschouwd, zodat zowel oorlogsschepen als koopvaardijschepen van alle landen, in oorlogs- en in vredestijd, ongehinderd het kanaal zouden mogen passeren. De lengte van het kanaal, vanaf de vuurtoren bij Port Saïd tot de uitmonding in de baai van Suez bedraagt 168 kilometer. De breedte is 72 meter, doch de vaargeul is slechts 36 meter breed, zodat twee schepen elkaar niet kunnen passeren. Om dat toch mogelijk te maken zijn op negen plaatsen verbredingen aangebracht als passeerhavens. Vanuit een centrale in Ismailia en via dertien seinposten langs de oevers worden de instructies, via een eigen telefoon- en telegraafnet, aan de schepen doorgegeven. De tocht door het kanaal duurt gemiddeld dertien uur en daarbij worden drie meren gepasseerd, te weten: het Timsahmeer, het Grote Bittermeer en het Kleine Bittermeer. Het artikel eindigde met de mededeling, dat er voor het passeren van het kanaal tol betaald moest worden, doch daar had Fred geen boodschap aan.

Port Saïd  

Eigenlijk was iedereen benieuwd naar de aankomst in Port Saïd. Op het eind van de middag was dat al merkbaar. Het werd steeds drukker aan dek. Tegen half vijf kwam de kust in zicht. Hoewel ver weg, was er iets te zien, dat op een stad leek. Doch dat bleek Alexandrië te zijn. Dan hebben we nog wel even de tijd, merkte Hans Overdal op. Hij had het bij het rechte eind. Pas om zeven uur, het was al donker, lag de "Zuiderkruis" voor Port Saïd en moest daar wachten op toestemming om de haven binnen te varen. Vanaf de "Zuiderkruis" zagen de jongens de stad in de vorm van een lang lint van ontelbare lichtjes, met in het midden en boven alles uit, het steeds terugkerend licht van een vuurtoren. Leunend op de railing was Fred één van de velen, die geboeid naar dat tafereel stonden te kijken. De vele lichtjes werden weerkaatst door het licht in beweging zijnde water en het licht van de vuurtoren draaide met een vaste regelmaat over het schip heen. Het geheel vormde een fascinerend beeld. Doch omdat de "Zuiderkruis" niet van plaats veranderde, waren er al gauw jongens, die het na enige tijd voor gezien hielden. Zij verdwenen weer van het dek om in de kantine te gaan kaarten of brieven te schrijven of om nog een tijdje te pitten. Dat laatste was niet zo gek, want iedereen begreep, dat er de komende nacht van slapen weinig zou komen. Fred bleef aan dek. Hij wilde niets missen en bovendien was het na die warme dag aan dek veel aangenamer dan benedendeks.

De haven van Port Saïd  schitterend verlicht in het duister

Vier uur later, tegen elven, kwam eindelijk een loods aan boord en kon het schip Port Saïd binnen varen. Langzaam maar zeker kwamen de lichtjes naderbij en kregen de soldaten, die weer in groten getale op het dek aanwezig waren, meer zicht op de stad. De "Zuiderkruis" ging op enige afstand van de kade en recht tegenover een gebouw, waarop met grote verlichte letters KLM stond, voor anker. Een stukje Holland in den vreemde, merkte Fred op. Ergens gaf hem dat een vertrouwd gevoel.

In de haven lagen schepen van velerlei nationaliteiten en ontelbare vissersbootjes en een standbeeld van Ferdinand de Lesseps op één van de pieren moest de herinnering aan de bouwer van het Suezkanaal levendig houden.

Het standbeeld van Ferdinand de Lesseps op een van de pieren

Fred liet zijn blikken over de vreemde omgeving gaan. Op de verlichte kade zag hij tussen kranen en gebouwen mensen in vreemde kledij rondscharrelen. Maar de afstand was toch te groot om alles duidelijk te zien. In een mum van tijd was het schip omringd door tientallen roeibootjes, waarin allerhande koopwaar lag uitgestald: sinaasappelen, dadels, bananen, pinda's, kokosnoten, sandalen, portefeuilles, messen, tassen en nog veel meer. De kooplui mochten niet aan boord komen, omdat ze volgens zeggen niet te vertrouwen waren en om te voorkomen dat het aan dek een bende zou worden. Zodoende moest de handel via touwen en met mandjes gebeuren. Het was een enorm spektakel. De kreten vlogen over en weer. Er werd geboden, gepingeld, gescholden, gelachen en ..… afgewacht. Want de prijzen, die de kooplui vroegen logen er niet om. Ze waren enorm hoog.

"Jongens, voorlopig handen op de knip,” schreeuwde Jan Kalma. Straks zakken de prijzen wel! Voor een dolkmes werd eerst twintig gulden gevraagd, doch twee uur later waren er drie voor een tientje te koop. Eigenlijk was dat ook nog te duur, want het waren waardeloze dingen. Fred beperkte zich tot het kopen van wat fruit en op aanraden van een KNIL-man kocht hij ook nog een paar houten sandalen. In de tropen komen die goed van pas, vooral bij het mandiën, had die gezegd. En dat bleek maar al te waar te zijn.

 

Ook 's nachts ging het onderhandelen met die kooplui gewoon door

Het loven en bieden ging de hele nacht door. In een mengelmoes van Engels en Nederlands, aangevuld met Duitse en Franse woorden, prezen de kooplui hun waren aan en handelden zij met de soldaten. Het was een lust voor het oor en voor het oog. Iedereen genoot ervan en niemand dacht er zelfs maar aan om naar bed te gaan. Doch in de loop van de nacht verliep de handel enigszins en werd hier en daar door de soldaten voor de gein, zonder de bedoeling om iets te kopen, tot het uiterste op de prijzen afgedongen. Het was een leuk spelletje, dat echter door de kooplui niet erg gewaardeerd werd. En duidelijk verstaanbaar riep één van hen, tot grote hilariteit van de soldaten, in gebroken Hollands: . Lop naar jouwe moer!

Het prachtige gebouw van de Suezkanaalmaatschappij ligt vlaks langs de oever bij de haven

Die nacht ontvingen de soldaten voor het eerst post sinds het vertrek uit Holland. Dat was pas acht dagen geleden, doch het leek al veel langer. De post was meer dan welkom en iedereen liet de kooplui even voor wat zij waren om de brieven te lezen. Fred ontving er twee. Eén van zijn ouders en één van Helma. Veel nieuws stond er uiteraard niet in, want de brieven waren vlak na zijn vertrek geschreven. Doch het deed hem goed, al was het alleen maar omdat er in Holland aan hem gedacht werd. Thuis ging alles goed en hij moest van iedereen de groeten hebben. Helma had een leuke, opwekkende brief geschreven en eindigde met: Veel liefs van Helma, Fred moest daar even om glimlachen. Hij was er blij mee. Tegen vijven wist één van de kooplui toch aan dek te komen. Niemand wist hoe hij dat klaargespeeld had, maar ineens was hij er. Gekleed in een lang gewaad en met een tulband op zijn hoofd stalde hij zelfverzekerd en zonder zich te haasten zijn koopwaar uit. In een mum van tijd was hij omringd door een groot aantal soldaten. Het was een gewiekste kerel, die met geintjes nog het een en ander aan de man wist te brengen.

Gezicht op een deel van Port Saïd bij daglicht

Doch dat duurde niet lang, want vanaf de vele minaretten in de stad werden de moslims opgeroepen voor het ochtendgebed. Hoewel de klanken luid over de haven galmden, waren zij voor de soldaten onverstaanbaar en slechts weinigen wisten wat de bedoeling daarvan was. Doch de koopman stopte direct met zijn handel. Hij legde een kleedje op het dek, knielde daarop neer met zijn gezicht in de richting van Mekka en begon, zonder zich van iets of iemand wat aan te trekken, te bidden. Eerst klonken er nog de nodige spottende opmerkingen, doch al gauw bleven die achterwege en werd het stil rondom hem. Iedereen keek met zekere eerbied naar de biddende man.

Ook Fred stond naar de koopman te kijken en vroeg zich daarbij af of hij, katholiek zijnde, in een soortgelijke situatie tussen vele moslims, ook zo openlijk voor zijn geloof zou zijn uitgekomen. Hij moest bekennen dat het antwoord wel eens nee zou kunnen zijn. De MP was intussen op het toneel verschenen en de koopman moest, nadat hij zijn gebed beëindigd had, het schip verlaten.

De doortocht van het Suezkanaal

Kort daarop, het was al licht geworden, lichtte de 'Zuiderkruis' het anker en verliet de haven om aan de tocht door het Suezkanaal te beginnen. De soldaten, die nog steeds met velen op het dek aanwezig waren, zagen de stad nu bij daglicht. Het stadsbeeld trok langzaam aan hun ogen voorbij: Straten met in het midden lantaarnpalen en aan weerszijden palmbomen. Rechthoekige huizen met platte daken en in lichte kleuren, die echter lang de frisheid niet hadden van de huizen langs de Portugese kust. Een gebouw, waarop duidelijk de naam Philips was aangegeven. Mensen, hoofdzakelijk vuil en slordig gekleed in lange oosterse gewaden of Europese kleding of een soort mengelmoes daarvan. Velen liepen op blote voeten en iedereen droeg iets op zijn hoofd: een fez, een tulband, een hoed of iets wat daar op leek. Fred stond er met gemengde gevoelens naar te kijken. Enerzijds vond hij het stadsbeeld uitermate boeiend, doch anderzijds leek het hem een ietwat lugubere stad. Hij bracht dat ook onder woorden, waarop Wim Klepper terecht opmerkte: Dit is het havengebied, wellicht zal de stad zelf er wat aantrekkelijker uitzien. Maar ik moet toegeven, dat het er hier nogal luguber uitziet. Aan de rand van de stad zagen ze nog een aantal schamele hutjes, opgebouwd uit allerlei afvalmateriaal. Sommige bestonden uit niet meer dan een kuil in de grond, afgedekt met een soort rietmat. Fred zag er nog wat kinderen rondscharrelen. Het was bijna niet te geloven, dat daar nog mensen woonden.

Toen het schip Port Saïd achter zich liet, kregen de soldaten een heel ander beeld te zien. Zover het oog reikte zagen ze aan beide zijden van het kanaal zand en nog eens zand. Hier en daar stond op de rechter oever nog een gebouwtje en een enkele boom, maar verder was er niets anders te zien dan het donkergekleurde zand.

In kolonne varen de schepen met een snelheid van vijf knopen door het Suezkanaal

De "Zuiderkruis" voer slechts langzaam. Sneller dan vijfeneenhalve mijl (ongeveer tien kilometer) per uur was niet toegestaan. De zon steeg steeds hoger aan de strakblauwe lucht. De warmte en een nacht zonder slaap eisten hun tol. Zittend in de schaduw, tussen een aantal andere jongens, met zijn rug leunend tegen de wand van een dekhuis, gaf Fred zich over aan de slaap. Tegen elf uur in de ochtend werd het Timsahmeer bereikt. Iedereen was weer wakker. De "Zuiderkruis" kwam stil te liggen. Kennelijk moest er gewacht worden op tegenliggers. Op vrij grote afstand lag ook de "Willem Ruys" te wachten. De omgeving van het meer was prachtig. Overal langs de oevers was het heldere groen van bomen te zien met op sommige plaatsen daarachter gele zandheuvels. Tussen de bomen verscholen lag als een sprookje de schilderachtige stad Ismailia. De vierkante, licht gekleurde huizen en enige moskeeën gaven de tegen een heuvel opgebouwde stad een oosters karakter. Het meer was kennelijk een toeristencentrum. Er voeren veel zeil- en motorboten op het meer en hier en daar deden de oevers aan de Hollandse stranden op een warme zomerdag denken. Alleen was het niet zo druk.

Een van motorboten naderde de "Zuiderkruis". Op zich niets bijzonders, ware het niet dat er een paar mooie, in badpak geklede dames aan boord waren. Dat werd Jan Kalman te machtig. Die moet ik van dichtbij zien, riep hij. Snel trok hij zijn kleren uit en in zijn onderbroek dook hij met een prachtige zweefduik overboord. Zijn voorbeeld werd direct door Wim Klepper en een marinier gevolgd. Jan Kalman bereikte als eerste de motorboot en werd lachend door de dames aan boord geholpen. Die vonden het prachtig. De pret duurde echter niet lang, want de jongens werden gesommeerd direct aan boord terug te keren. Toen Jan Kalman, via een touwladder, weer aan boord terugkeerde, wendde hij zich nog even om en wierp een paar kushandjes naar de dames en die werden onder luid applaus van de vele militairen op de zelfde manier beantwoord. Het uitstapje leverde het drietal een ernstige berisping op, doch bleef verder zonder gevolgen.

De militairen kregen voldoende tijd om zich te vergapen aan alles wat op en rond het meer te zien was, want het duurde tot halverwege de middag voordat de "Zuiderkruis" weer in beweging kwam. Bij het verlaten van het Timsahmeer was een groot monument te zien, waarin met duidelijk zichtbare letters gebeiteld stond: "-1914- Défense du Canal de Suez -1918-".

De Gedenknaald langs het Suezkanaal

De vraag was toen: Wie heeft toentertijd het kanaal tegen wie verdedigd? Volgens Tim Molendak moesten het de Fransen en de Engelsen zijn geweest, die het kanaal verdedigden tegen de Turken. Engeland en Frankrijk waren en zijn trouwens nog de eigenaren van het kanaal en Turkije vocht tijdens de Eerste Wereldoorlog, voor zover ik weet ook in deze contreien, tegen de geallieerden, legde hij uit. Dus daarom denk ik, dat de zaak zo in elkaar zit en anders zit ik er niet ver naast, voegde hij er lachend aan toe. Na het Timsahmeer voerde de route door een volgend deel van het Suezkanaal. Voor de "Zuiderkruis" voer een Engels tankschip en weer daarvoor de "Willem Ruys". Dit deel van het kanaal bood een heel andere aanblik dan het voorgaande. Aan de linker kant wel weer de eindeloze woestijn, doch aan de rechter kant stonden langs de oever bomen en bovendien lag daar een autoweg. Geregeld passeerden er auto's, zowel militaire trucks als luxe sleeën, die voor enige afleiding zorgden. Steeds werd er dan vanaf het schip gezwaaid en meestal werd dat ook vrolijk beantwoord. Langs de route bevonden zich ook enkele Engelse militaire kampen en bij het passeren daarvan juichten de soldaten elkaar wederzijds hartelijk toe. Behalve één Engelse soldaat, die met een handgebaar, waarbij zijn duim in de tegengestelde richting wees, te kennen gaf, dat het beter was om terug te keren. Maar, gelet op de honende reacties, werd hem dat vanaf het schip niet in dank afgenomen.

Bij het passeren van een Engels militair kamp

Er kwam een groot gebouwencomplex in zicht. Eén van de gebouwen is een groot vier verdiepingen tellende witte villa met een opvallend brede trap, die vanaf een terras naar het water leidde. Men beweerde, dat dit het paleis van de onderkoning van Egypte is? Gezien de omvang van het complex en luxueuze bouwtrant, klonk dat niet onaannemelijk. Maar de soldaten hadden alleen oog voor een vrouw, die juist langzaam en statig de trap afdaalde. Zij droeg een witte jurk en beschermde zich met een parasol tegen de felle zon. Zij reageerde in het geheel niet op het gefluit en de kreten van de militairen. Doch plotseling waaide haar rok ten gevolge van een windvlaag hoog op. Paniekerig probeerde ze haar kleding met haar vrije hand weer op orde te brengen. Toen dat niet lukte, ging ze snel op één van de treden zitten en hield de parasol zó voor zich, dat alleen haar gezicht te zien was. Van het schip steeg een enorm gejuich op, maar zij bleef zonder zich te verroeren zitten, totdat de 'Zuiderkruis' gepasseerd was.

Het buitenpaleis van koning Farouk van Egypte

In de namiddag werd het Grote Bittermeer bereikt. De rechter oever was prachtig begroeid en vóór de overgang naar het aansluitende Kleine Bittermeer was alweer een Engels militair kampement gelegen. Het bleek een vliegbasis te zijn met onder andere startbanen voor watervliegtuigen. Na het Kleine Bittermeer volgde het laatste deel van het Suezkanaal. De “Zuiderkruis” had op het Grote Bittermeer de Engelse tanker achter zich gelaten en voer nu achter de "Willem Ruys". De oevers van het kanaal gaven hetzelfde beeld te zien als vóór het Grote Bittermeer. Doch toen het donker werd veranderde het beeld totaal. De zon was kleurrijk ondergegaan achter de in de verte liggende bergen en bijna gelijktijdig was de maan opgekomen. Het was volle maan en aan de wolkenloze hemel stonden ontelbare sterren te schitteren. De vele zandheuvels en andere oneffenheden tekenden zich af in vaag in elkaar vloeiende lichte en donkere vlekken. Vanaf de railing stond Fred met nog een aantal jongens naar de door het maanlicht overgoten woestijn te kijken. Een ieder was in de ban van de door niets onderbroken schoonheid, die ondanks de duisternis toch zichtbaar was. Er ging iets vredigs vanuit. Het was een beeld, dat ieder stilzwijgend in zich opnam. Het gaf hen een onbestemd gevoel, dat zij niet onder woorden konden brengen.

Een van de seinposten langs het Suezkanaal

Aan de andere zijde van het kanaal, op enige afstand van de oever, werden de lichten van een volgend militair kamp zichtbaar. De bomen, die dichter bij de oever stonden, onderschepten die lichten, zodat het leek of zij geregeld aan en uit gingen. Volgens Dirk Koolen waren dat 'woestijnsterren'. Tegen zeven uur naderde de "Zuiderkruis" het einde van het kanaal en werd Suez zichtbaar in de vorm van een onregelmatig, kilometerslang lint van lichtjes. Op de achtergrond staken de donkere silhouetten van door de maan beschenen bergen af tegen de met sterren bezaaide hemel. Tussen de ontelbare stadslichten bewogen zich de lichten van rijdende voertuigen. Het effect van het geheel werd nog verhoogd door het gestaag komende en gaande licht van een vuurtoren. En om het beeld te vervolmaken zagen de jongens voor zich uit de "Willem Ruys" iets naar stuurboord sturen, zodat het majestueuze schip, badend in een zee van licht, over de volle lengte zichtbaar werd. Al met al was het een onvergetelijk schouwspel.

De monding van het Suezkanaal bij de stad Suez

In tegenstelling tot de "Willem Ruys" deed de "Zuiderkruis" de haven van Suez niet aan, doch zette koers in de richting van de Rode Zee. Een licht briesje bracht enige verkoeling en wees erop dat het schip weer open zee naderde. De tocht door het Suezkanaal was ten einde. Een tocht die niet licht vergeten zou worden.

Daarna volgde via de Golf van Suez de Rode Zee. Daarover schreef Fred in zijn dagboek: Water en lucht. Slechts enkele kale, rotsachtige eilandjes te zien. Smoorheet!. Bij die hitte was de gelegenheid om kleren te wassen ontoereikend. De wasbakken waren constant bezet, doch velen kwamen niet aan de beurt en moesten in hun lichtelijk ruikende kleren blijven rondlopen. Fred had een geluk bij een ongeluk. Hij werd met nog een stuk of tien andere jongens aangewezen om op het achterschip een opslagruimte schoon te maken. Dat was bepaald geen leuk klusje, maar stelde hem wel in de gelegenheid om zich daar na afloop te douchen en zijn kleren te wassen zonder in de rij te staan.

Een vrachtschip passeert ons op de Rode Zee

De Rode Zee bracht Fred het verhaal over de uittocht van het Joodse Volk uit Egypte in gedachten. En daarbij in het bijzonder de wonderbaarlijke doortocht van de joden door de Rode Zee. Uitkijkend over de zee, waar dat eeuwen geleden moest hebben plaatsgevonden, trachtte hij zich van die gebeurtenis een voorstelling te maken. Maar hij kwam niet verder dan de beelden, die hij al eerder in boeken of wellicht in een bioscoop had gezien. Maar of het werkelijk zó gebeurd was, daar zette hij een vraagteken bij. Fred, Dirk Koolen en Jan van Narden organiseerden ieder drie aardappelkistjes. Ze wilden daarop 's nachts op het dek gaan slapen, want naar hun mening was het in het ruim niet meer uit te houden. En het lukte. Ze sliepen prinsheerlijk in de buitenlucht. Doch dat duurde maar één nacht. Toen was het alweer over. De MP wekte hen voortijdig. "Voor deze nacht hebben we het door de vingers gezien, maar dat kan echt niet, jongens. Daar kunnen we niet aan beginnen. Opruimen die rommel,” luidde hun bevel. Jammer,” zei Dirk Koolen. Ik droomde net, dat een blonde schoonheid mij verkoos boven een luitenant van de MP. Dromen zijn bedrog, huzaar, was het lachende antwoord.

Zicht op de kust bij de havenstad Aden

De tocht door de Rode Zee duurde drie volle dagen. Toen Fred daarna 's morgens tegen zevenen aan dek kwam lag de "Zuiderkruis" in de haven van Aden voor anker. Voor zover Fred het kon beoordelen was de eigenlijke stad Aden niet te zien, doch alleen het havengebied. De huizen en gebouwen lagen aan de voet en op de hellingen van het achterliggende rotsgebergte, dat volkomen kaal en onbegroeid was. Volgens zeggen zou het al zeven jaar niet geregend hebben in Aden. De gebouwen gaven nou niet bepaald een oosterse indruk en leken er goed uit te zien. Evenals in Port Saïd werd de boot omringd door tientallen bootjes met allerlei koopwaar.

Ook in Aden wemelt het van de handelaren in kleine bootjes

Er was van alles te koop. Vooral sigaretten waren in overvloed aanwezig en werden tegen een gemiddelde prijs van 20 gulden de 500 verkocht. Goudgele Ibis-shag, export kwaliteit, kostte 0,65 cent per pakje. Dat was erg goedkoop, want in Holland was de prijs 1 gulden. Bananen waren te koop voor 1.00 gulden de tien en PK-kauwgom voor 6 gulden per doosje van 50 pakjes. De handel verliep vlotter en plezieriger dan in Port Saïd omdat de prijzen laag waren en er minder afgedongen hoefde te worden. Hoewel Fred niet rookte, kocht hij voor een tientje vijf tinnetjes Player. Die zijn nooit weg en komen nog wel van pas, meende hij. Ook kocht hij nog bananen en kauwgom, maar verder vond hij het welletjes.

Tussen de bootjes door zwommen kleine jongens, die heel behendig en zonder mankeren in het water gegooide geldstukjes opdoken. Praten konden ze niet, want ze bewaarden de muntjes in hun mond. Als ze boven water kwamen staken ze met een grijns een hand op ten teken dat ze het muntstukje te pakken hadden. Het was vermakelijk om te zien hoe handig die kleine kereltjes dat deden en hoe zeer zij zich thuis voelden in het water. Iedereen had daar wel een paar dubbeltjes voor over. Al met al hadden die jochies, of misschien wel de mannen in de bootjes, een beste dag.

De aalmoezenier was aan land geweest en bij zijn terugkomst vertelde hij: Er leven hier veel mensen, die bittere armoede lijden. Hun huizen staan verscholen achter die hoge gebouwen en bestaan uit niet meer dan een vierkant van op elkaar gestapelde stenen met daar overheen een stuk zeildoek als dak. Velen, van kinderen tot grijsaards, zwerven bedelend door de stad. Het is afschuwelijk. Vergeleken met hen, hebben wij het best. De woorden van de aalmoezenier maakten wel indruk, maar ja ..... ? Aan het eind van de middag werd het anker gelicht en verliet de "Zuiderkruis" de bloedhete haven van Aden. Niemand was daar rouwig om en allen hoopten dat de open zee enige verkoeling zou brengen.

Via de Golf van Aden bereikte de "Zuiderkruis" de volgende middag de Indische Oceaan. Daarbij werd Kaap Gardafui, een reusachtig rotsmassief, met een vuurtoren, gerond. Beweerd werd, dat die vuurtoren het sterkste licht van alle vuurtorens ter wereld had. Met de ronding van Kaap Gardafui was het laatste punt van Afrika gepasseerd en wachtte de immens grote Indische Oceaan. De jongens wisten al wat dat betekende. Gedurende zeven à acht dagen zouden ze slechts water en lucht zien. Maar dan ..... dan komt het 'beloofde land' in zicht, merkte de kornet lachend om zijn eigen opmerking, op. Dat kan kloppen, antwoordde Tim Molendak ietwat spottend daarop inhakend. Want we zijn de Rode Zee al gepasseerd!

De Indische Oceaan

Over het algemeen was de oceaan hen goed gezind. Er stond een lange, nauwelijks voelbare deining, die rustig onder het schip doorgleed. Het leek alsof de zee te lui was om het de "Zuiderkruis" moeilijk te maken. Daarentegen leek de zon zijn uiterste best te doen om het iedereen moeilijk te maken. 's Morgens kwam hij schijnheilig over de horizon kijken en 's avonds verdween hij prachtig in zee, maar overdag toonde hij zijn ware gezicht. Dan was het bloedheet. De kleren plakten aan het lichaam en vertoonden donkere transpiratievlekken. Doch de avonden maakten veel goed. Als de zon had plaats gemaakt voor de sterren en als de hitte was verdreven door de avondkoelte, dan was het dek een aangename plaats om de avond door te brengen.

De militairen hadden eigenlijk een tamelijk lui leven aan boord. Wegens ruimtegebrek werden zij nauwelijks lastig gevallen voor militaire oefeningen. Wel kregen ze geregeld Maleise les, maar ja ..... dat kon zittend af. Om verveling te voorkomen werden allerlei 'afleidingsmanoeuvres' in de vorm van wedstrijden georganiseerd zoals boksen, klaverjassen, paalklimmen, touwtrekken en dergelijke. Niet alleen de deelnemers doch ook de kijkers, die hun favorieten luid aanmoedigden, beleefden daar veel plezier aan. En zoals altijd stonden de beste stuurlui aan de wal.

's Avonds konden de jongens ook naar een filmvoorstelling gaan of, indien zij daar behoefte aan hadden, een praatje bijwonen, dat door de aalmoezenier, de legerpredikant of een zogenaamde witte pater, die met verlof was geweest, werd gehouden. Die pater was iemand, die wist, wat er loos was in Indië. Hij nam geen blad voor zijn mond en sprak in een taal, die de soldaten verstonden. Hij waarschuwde hen onder andere voor de hoeren. ..... En als je er toch heen gaat, om welke reden dan ook, bedenk dan dat je een geslachtsziekte, bijvoorbeeld een druiper kunt oplopen. En mocht dat gebeuren, aarzel dan niet om naar een dokter te gaan!

Ook sprak hij over de inlandse bevolking. ..... Zij leven anders dan wij gewend zijn, hebben andere gewoonten, wonen in andere huizen, kleden zich anders en hebben een andere huidskleur. Maar dat wil allemaal niet zeggen, dat zij minder zijn dan wij. Vergeet nooit, dat het gewone mensen zijn, zoals jij en ik. Gewone mensen, die hopen op betere tijden. Inlander zijn .…. wil niet zeggen ..… de mindere zijn. Behandel die mensen als je gelijke. Verwacht dan ook weer niet, dat iedere inlander jullie dan als vriend zal beschouwen. Integendeel, velen zien jullie als vijand en zullen daar ook zonder mededogen naar handelen. Jammer genoeg schijnen de problemen in Indië vechtend opgelost te moeten worden. Die hadden natuurlijk met het juiste begrip aan beide kanten op een andere manier uit de wereld geholpen kunnen worden. Hoe dan ook, probeer onnodig leed te voorkomen. Daarbij denk ik vooral aan de burgerbevolking. Velen van hen staan zonder het te willen tussen twee vuren. En wat de huidskleur betreft: mooi bruin is niet lelijk en lelijk blank is niet mooi. Laten we ons dus niks verbeelden.”

Ondanks de 'afleidingsmanoeuvres' bleef er genoeg tijd over om naar de dolfijnen te kijken, die telkens met sprongen boven het water uit kwamen. Het leek net of zij vlak voor het schip langs wilden schieten, daarbij het idee gevend dat zij door de voorsteven geraakt zouden worden. Doch niets wees erop dat dat inderdaad gebeurde. Kennelijk was het de boeggolf, die hen aantrok als speelterrein.

Ook waren zo nu en dan scholen kleine visjes te zien, die behendig uit het water opsprongen en dan twintig tot dertig meter over het water scheerden. Bij tientallen tegelijk schoten de vliegende vissen over het wateroppervlak, allemaal in dezelfde richting. Het leek net of zij enorme haast hadden. Het was vermakelijk om te zien.

Enkele dagen na het vertrek uit Aden werd voor het douchen en het wassen van de kleding overgeschakeld op zeewater, omdat de zoetwatervoorraad ontoereikend was. Wat de oorzaak daarvan was werd niet medegedeeld. De jongens hadden dat maar te accepteren. Met zogenaamd zoutwaterzeep, dat absoluut niet schuimde, moesten ze maar proberen zich te redden. Het deed Fred denken aan de kleizeep, die aan het eind van de oorlog in omloop was geweest. Dat was ook rotzooi. Het gevolg was, dat de jongens hun kleren eigenlijk alleen nog maar uitspoelden en dan nog hoofdzakelijk hun onderkleding. Sommigen deden nog wel pogingen om de witte transpiratiekringen uit hun groene jasjes te krijgen, maar zonder veel succes. Er zat niets anders op, dan er maar mee te blijven lopen. Volgens Jan van Narden stonk iedereen zo langzamerhand een uur in de wind en kon Soekarno al ruiken, dat ze eraan kwamen.

Ook als drinkwater werd het zoetwatergebruik drastisch beperkt. Slechts driemaal per dag kon er uit enkele kranen gedurende ongeveer een uur zoet water verkregen worden. Dan was het een drukte van belang bij die kranen en was er nauwelijks gelegenheid voor iedereen om zijn veldfles te vullen. Er werd enorm gekankerd en hoewel dat gebruikelijk is in een leger, hadden de jongens er ditmaal alle reden voor.

Ter hoogte van de Malediven, een eilandengroep ten zuiden van India, verschenen aan de horizon enkele wolken. Zij werden snel groter en donkerder en in korte tijd was de hele lucht bewolkt en was de zon verdwenen. De bemanning sjorde alles aan dek stevig vast en riepen de hulp van de militairen in om de zonneschermen te verwijderen. De zee werd steeds donkerder van kleur, terwijl het wateroppervlak bijna onnatuurlijk glad werd. Doch dat duurde niet lang. Plotseling voelde Fred enige windvlagen en zag hij een regenbui met grote snelheid op het schip afkomen. Een kwartier lang plensde de regen op het dek en veranderde de zee in een kolkende massa door de tot storm aanwakkerende wind. Hoge golven kwamen schuin rechts van voren op het schip af. De voorplecht rees en daalde met een zekere regelmaat wel vier à vijf meter. Iedere keer als de voorplecht naar beneden dook, spatten grote hoeveelheden water aan stuurboord over het voordek. Dat gedeelte werd dan ook afgezet. Daar mocht niemand meer komen.

Aan bakboordzijde bleef het redelijk ‘droog’. Fred klom met Hans Overdal op een verhoging, van waaraf zij de op- en neergaande bewegingen van de voorplecht en de aanstormende golven duidelijk konden zien. Het was fascinerend om te zien hoe de "Zuiderkruis" telkens weer uit een golfdal omhoog kwam. Waren de jongens eerst nogal onrustig door het natuurgeweld, algauw hadden ze in de gaten dat het schip de storm aankon en er geen gevaar dreigde.

Doordat de storm schuin van voren kwam, helde het schip tevens beurtelings naar stuur- en bakboord over. Dat kwam vooral tot uiting in het waslokaal, waar de afvoeren van de toiletten door de storm ontregeld werden. Fred moest daar een 'boodschap' doen, maar bleef verbaasd in de deuropening staan toen hij zag, dat de vloer blank stond. Met de bewegingen van het schip stroomde het water achtereenvolgens van de linker- naar de rechterkant van het lokaal en omgekeerd. Toen het water naar rechts vloeide en het linker deel droog viel, rende Fred, de achtergebleven ‘rommel’ omzeilend, naar de aan de linkerkant staande toiletten. Met vlugge bewegingen maakte hij zich gereed om zijn 'boodschap' te doen en ging snel zitten.

Even later kwam het water weer terug naar de linkerkant en omspoelde daar de closetpotten. Fred tilde tijdig zijn benen op en hield op die manier zijn voeten droog. Hij constateerde met genoegen, dat hij als het ware veilig op een eilandje zat. Bij één van de buren ging er kennelijk iets mis, want Fred hoorde zeggen: Wat een klerezooi! Toen Fred gedaan had waar hij voor gekomen was en zich gereed gemaakt had voor de terugtocht, zag hij nog een rijmpje, dat met kleine letters op de wand geschreven stond. In de gauwigheid las hij: En wat zal ik me opgelucht voelen, als ik het vuil weg zie spoelen. Hij was het daar roerend mee eens en grinnikend wachtte hij op het juiste moment om naar de uitgang te rennen.

In de loop van de dag luwde de storm en ging het leven aan boord weer zijn gewone gang. De dagen regen zich aaneen en de vrije tijd werd gevuld met praten, lezen, kaarten en met het schrijven van brieven. Er gebeurde niets bijzonders, het was warm en iedereen begon naar het einde van de reis te verlangen. Sinds Aden hadden ze zeven dagen niets anders dan lucht en water gezien. Maar opeens wist iemand te vertellen: Morgenvroeg komen we in Sabang aan en dan mogen we aan land. Dat nieuwtje ging als een lopend vuurtje rond en bracht een zekere spanning teweeg. Sabang, het stadje op Poelau Weh (het eiland Weh) aan de noordpunt van Sumatra, maakte immers deel uit van Indië. In Sabang zouden ze voor het eerst kennis maken met het land, dat het doel was van hun lange reis. Hoe zou het daar zijn en wat stond hen daar allemaal te wachten? Ze hadden er geen idee van. Ze wisten zelfs nog niet waar in Indië ze gestationeerd zouden worden.

Sabang

Poelau Weh ..... Sabang ..... die namen herinnerde Fred aan zijn belofte aan mevrouw Noorderan, die hij voor zijn vertrek uit Holland met haar maakte. Om te informeren naar ene meneer Soepardi, die daar voor de oorlog op het postkantoor werkte en goed bevriend was met haar en de familie, toen zij daar nog woonden. Was het nou toeval dat de 'Zuiderkruis' Sabang aandeed, vroeg Fred zich af, of zouden alle troepentransportschepen dat doen? Hij veronderstelde dat het laatste het geval was. Hoe dan ook, hij zou in ieder geval de gelegenheid krijgen om naar die meneer te informeren. Dat was al meer dan hij verwacht had.

In de loop van de nacht liep de "Zuiderkruis" de baai van Sabang binnen.

De houten aanlegsteigers van Sabang

Fred was vroeg opgestaan in de hoop dat te kunnen zien. Doch toen hij aan dek kwam lag het schip al afgemeerd aan één van de kades. Hij wachtte tot het licht werd en zag toen de baai en de omgeving uit de duisternis te voorschijn komen. De opkomende zon wierp zijn eerste stralen over het eiland en verdreef de laatste nevelslierten. Onder invloed van het zonlicht nam het water een blauwachtige kleur aan en de dichtbegroeide, groene heuvels en bergen, die de baai omringden, tekenden zich duidelijk af. Hoge kokospalmen, die hier en daar tot dicht bij het water stonden, staken boven de andere begroeiing uit.

Fred had nooit anders gehoord dan dat Indië een mooi land was, maar had daar verder nooit bij stilgestaan. Hij had zonder meer aangenomen, dat het wel zo zou zijn. De vage voorstelling, die hij van het land had was enkel gebaseerd op datgene wat hij op platen had gezien en van filmbeelden kende. Maar die ochtend begon hij er iets van te begrijpen. Indië, dacht Fred, dit is dus Indië. Wat hij verwacht had te zien wist hij eigenlijk zelf niet, maar zeker niet het prachtige beeld, dat de baai bood. Het was overweldigend mooi.

De prachtige natuur van Poelau Weh met de nog net zichtbare baai

Zonder het zich bewust te zijn, knikte hij nauwelijks waarneembaar met zijn hoofd, alsof hij wilde bevestigen, dat hij iets begon te begrijpen van wat bedoeld werd met 'Indië is een mooi land'. De mooie aanblik die de baai bood, werd echter ontsierd door de directe omgeving van het havengedeelte. Scheepswrakken staken half boven het water uit en de loodsen langs de kades, die eens wit geweest waren, zagen er verwaarloosd uit en waren, kennelijk door oorlogsgeweld, gedeeltelijk vernield. Ook dat was Indië.

Langzaamaan kwamen meer jongens aan dek, de zon klom hoger en het werd snel warmer. Het wachten was op de toestemming om van boord te gaan. Om acht uur was het zover. In groepjes verlieten de militairen het schip en verspreidden zich over Sabang en omgeving. Het was een verademing om na een onafgebroken verblijf van drie weken op het schip, weer vaste grond onder de voeten te hebben en weer in een bewoonde wereld te zijn. Een wereld, die wel totaal anders was dan Holland. Andere huizen, andere bomen, andere mensen, alles was anders. Alleen de winkelstraat van het stadje, met zijn trottoirs en aaneengesloten winkelpanden, gaf Fred even het idee van 'als in Holland'. Doch dat was maar even, want de veelal Chinese namen en Maleise opschriften op de winkels, de eetkarretjes op de trottoirs, de inlandse vrouwen in hun kleurige sarongs en de meestal in lange broeken geklede Chinese vrouwen, alsmede de vreemde geuren, die hem hier en daar tegemoet kwamen, verdrongen dat idee weer.

Het was nieuw, het was interessant, maar op zeker moment gaf Dirk Koolen aan, dat hij het toch wel gezien had. "Laten we dan naar boven gaan, de heuvels in,” stelde Jan van Narden voor. Daar ging ieder mee akkoord, doch Fred wilde eerst op informatie uitgaan naar die meneer Soepardi. Ze zochten het postkantoor op en daar vroeg Fred, of liever gezegd wilde Fred vragen, of meneer Soepardi nog leefde en waar of hij woonde. Maar hoe zeg je dat in het Maleis? Hij kende nog weinig van die taal en kwam dan ook niet verder dan: Toean Soepardi ..... dimana? (Waar is meneer Soepardi?) De juffrouw achter het loket keek hem niet-begrijpend aan en in rap Maleis stelde ze een wedervraag, waarvan hij alleen het woord Soepardi verstond. Fred begreep dat hij duidelijker moest zijn, bijvoorbeeld moest zeggen, dat die meneer vroeger op dat postkantoor had gewerkt. Maar wat is het Maleise woord voor vroeger?

De uitdrukking Tempo Doeloe schoot hem te binnen, waarmee de 'goede oude tijd' van voor de oorlog werd aangeduid. Dat leek hem nog niet zo gek. Ook het Maleise woord voor werken wist hij niet, maar hij meende dat hij dat wel met zijn handen kon vertellen. En Fred begon opnieuw: Tempo Doeloe .... toean Soepardi .... maakte vervolgens een schrijfbeweging, deed daarna alsof hij iets afstempelde en geld uittelde aan een klant en vervolgde toen. .... Di kantor pos ini?” (…. op dit postkantoor?) Toean Soepardi soedah bekerdja di kantor pos ini? (Heeft meneer Soepardi op dit postkantoor gewerkt?) vroeg ze verbaasd. Fred meende haar te begrijpen en knikte van ja, waarop zij zich omwendde en iets vroeg aan een jongen, die achter een bureau zat. Die verdween door een deur en kwam even later terug met een oudere man. De lokettiste sprak kort met hem, waarop hij, schuin naar Fred kijkend, antwoordde: Memang, Pak Pardi bekerdja di kantor pos ini, tetapi soedah meninggal.

Fred gaf te kennen dat hij het niet verstond. Toen kwam de man naar het loket toe en zei in goed Nederlands: Meneer Supardi heeft inderdaad op dit kantoor gewerkt, maar is inmiddels overleden. Zover ik mij herinneren kan, is hij een jaar of zes geleden gestorven. Ik meen net voordat de Jappen kwamen. Meer hoefde Fred eigenlijk niet te weten. Hij bedankte de man, groette de lokettiste en voegde zich weer bij zijn makkers. Fred, zei Hans Overdal lachend, Dirk hier beweert, dat er mensen zijn, die met hun handen Maleis kunnen spreken en  ..... Als Dirk dat zegt, dan zal het wel waar zijn, onderbrak Fred hem. Lachend verlieten zij het postkantoor.

Zoals afgesproken gingen zij de heuvels in. Ze volgden een pad, dat naar boven leidde en waar de dichte begroeiing het toeliet, hadden ze een prachtig uitzicht over de baai. Bovenop de heuvel aangekomen gingen zij in de schaduw van een boom op de restanten zitten van wat eens een stenen muurtje was geweest. Het was een schitterend plekje, van waaruit zij de baai en een groot deel van de omgeving konden overzien en van waaruit zij tevens beneden zich de "Zuiderkruis" konden zien liggen. Ze hadden er geen spijt van dat ze naar boven waren gegaan. Het was de moeite waard. Boven bleek ook nog een vliegveldje te liggen, dat vrijwel alleen door een postvliegtuig, dat éénmaal per week Sabang aandeed, gebruikt werd.

Na verloop van tijd was het Jan van Narden die vond, dat ze maar weer eens moesten opstappen. Ze namen een andere weg terug en naderden zodoende Sabang van een andere kant. De weg liep dwars door een kampong, die een geheel ander beeld van Sabang te zien gaf dan de winkelstraat. De huizen bestonden grotendeels uit op palen gebouwde krotten, gedeeltelijk uit hout en gedeeltelijk uit roestige golfplaten gemaakt. De armoede droop er vanaf. Nergens was ook maar enige vorm van bestrating te zien en bovendien hing er een nare geur in de kampong.

Meteen kwamen er kinderen op de militairen af en bedelden om snoepgoed. Bonbon toean, bonbon toean, riepen ze. Het was een genot om de glunderende, bruine gezichtjes te zien als ze een pepermuntje kregen. Daar waren ze dolblij mee. Fred zag jochies van hooguit vijf jaar, die bananen verkochten en jonge meisjes, zelf nog kinderen, die een nog jonger broertje of zusje in een slendang op hun rug droegen. Het viel hem op, dat jong en oud op blote voeten liep en dat de kleren die de mensen droegen wel schoon, doch veelal oud en versleten waren. Het was een totaal andere wereld en niet te vergelijken met Holland.

‘s Middags om vier uur voer de "Zuiderkruis" de baai van Sabang weer uit op weg naar Batavia. Volgens de scheepsomroep een afstand van 1150 zeemijlen, ruim tweeënhalve dag varen. De route liep via de Straat Malakka, de zee-engte tussen Malakka en de oostkust van Sumatra en langs Singapore, het eens zo machtige Britse bolwerk.

Neptunus komt aan boord

De volgende morgen werd de evenaar gepasseerd en zoals gebruikelijk kwam toen Neptunus, de god van de zee, met zijn volgelingen aan boord om de schepelingen te dopen. En dat gebeurde grondig met veel groene zeep en allerlei andere vettige substanties. Na daarmee ingesmeerd te zijn volgde een onderdompeling in een grote kuip met zeewater en daarna werd de slang op de slachtoffers gezet. Er waren ook nog 'uitverkorenen'. Die werden aan de schandpaal gezet en nog eens duchtig bewerkt met rotte eieren.

Het werd een enorme plenspartij. Niemand bleef droog. Het was met recht lachen, gieren en brullen. Er waren echter ook jongens, die de lol er niet van inzagen en pisnijdig werden. Een lange magere huzaar, kwam met zijn hoofd nogal hard in aanraking met de rand van de kuip door een onbesuisde handeling van één van de volgelingen van Neptunus. Dat schoot Jan Kalma in het verkeerde keelgat. Terwijl hij het slachtoffer uit de kuip hielp, schold hij de dader uit voor alles wat mooi en lelijk was. Die was ook niet op zijn mondje gevallen en er dreigde een vechtpartij. Maar voordat de MP zich er mee kon bemoeien, schoot een wachtmeester toe, die Jan Kalma tot bedaren wist te brengen. En nadat Neptunus een hartig woordje met zijn dienaar had gesproken werd de doopplechtigheid weer gewoon voortgezet. Doch na verloop van tijd ging de aardigheid er af en hoewel nog lang niet iedereen aan de beurt geweest was, kwam er een eind aan de plechtigheid. Ook Fred ontsprong de dans en hij was daar niet rouwig om.

De volgende dag, de vierde en laatste zondag aan boord, kregen de jongens te horen dat ze hun spullen in moesten pakken, omdat de dag daarop Batavia bereikt zou worden en ze daar zouden debarkeren. Dat betekende dus vrijwel zeker, dat ze op West-Java gestationeerd zouden worden. In hoeverre dat gunstig of ongunstig was, konden ze niet beoordelen. We zullen wel zien, waar we terechtkomen, merkte iemand op.

Zoals iedere zondag ging Fred naar de kerk. Hij woonde de heilige mis bij, die opgedragen werd door de Witte Pater. De preek wijdde hij grotendeels aan het naderend afscheid. "........ en dit is dan de laatste keer dat ik voor jullie sta. Het vervult mij met zorg jullie morgen of overmorgen het schip te zien verlaten, want uit ervaring weet ik, dat menigeen onder jullie een moeilijke tijd tegemoet gaat. Dat kan komen door heimwee naar Holland of door de hitte, waaraan je niet kunt wennen. Het kan ook komen door een brief, waarin staat dat je meisje niet langer op je wacht of dat er thuis iets mis is. Maar het kan ook komen door de taak, die jullie hier moeten vervullen. Die taak kan jullie in ernstig conflict met je geweten brengen. Orde en rust herstellen klinkt zo eenvoudig, maar kan in werkelijkheid zo ontzaglijk moeilijk en ook heel gevaarlijk zijn. In dit land wonen goede en slechte mensen, zoals overal ter wereld, en onder hen zijn er velen, die een vrij Indonesië voorstaan en ..... die daar ook daadwerkelijk voor willen vechten. Het is jammer dat het zo moet gaan, maar het is nu eenmaal niet anders. Jullie krijgen in ieder geval met allerlei mensen te maken, zonder dat je kunt zien of ze je goed of kwaad gezind zijn. Wees daarom altijd voorzichtig maar tracht, ook onder moeilijke omstandigheden, mens te blijven. Zorg ervoor, dat je later geen wroeging krijgt, omdat je toen buiten je boekje bent gegaan. Tenslotte hoop ik, dat jullie ook de mooie kant van dit land zullen ervaren. Want ik garandeer jullie, dat dit land veel moois en interessants te bieden heeft, zowel wat de natuur als de bevolking betreft. Ik hoop dat ik jullie met mijn woorden iets meegeef, waar jullie enig houvast aan hebben. Meer kan ik momenteel niet voor jullie doen. Jongens, ik wens jullie het allerbeste en wie weet ..… nog eens tot ziens.

Die laatste dag aan boord leek wel veel langer te duren dan gewoonlijk. Het inpakken stelde weinig voor en was zo gebeurd. Het was erg warm en op de vele eilandjes en prauwen, die ze passeerden, waren de militairen al gauw uitgekeken. Het was een dag van wachten. Wachten op de dag van morgen, wachten op de aankomst in Batavia, wachten op het tijdstip dat zij het schip konden verlaten en wachten op datgene, wat er na de ontscheping stond te gebeuren. Dat laatste maakte niet alleen iedereen nieuwsgierig, doch veroorzaakte bij velen ook een onbestemd, onrustig gevoel. Daarbij kwam nog, dat vrijwel iedereen snakte naar schone kleding, naar een fatsoenlijke slaapgelegenheid, naar meer ruimte, naar vaste grond onder hun voeten, kortweg naar alles wat ze op de "Zuiderkruis" misten. En ....... velen zagen verlangend uit naar de post, die in Batavia op hen lag te wachten. De sfeer aan boord was anders dan anders. Al met al was het een vreemde dag.

Het einde van de zeereis nadert

1 november 1948: De volgende dag, maandag 1 november 1948, ruim drie weken na het vertrek uit Rotterdam, liep de "Zuiderkruis" 's morgens omstreeks tien uur Tandjong Priok, de haven van Batavia, binnen en meerde af aan één van de kades achter de "Willem Ruys". De "Zuiderkruis" viel stil na een reis van grofweg 15500 kilometer.

Fred stond met vele anderen aan de reling en keek naar de bedrijvigheid op de kade. Er stonden heel wat mensen, hoofdzakelijk militairen, te wuiven en sommigen riepen namen in de hoop een bekende te vinden. Er werd van alles heen en weer geschreeuwd, maar na verloop van tijd zwakte dat af. Eigenlijk was daarmee de aankomst gevierd. Verder was er op de kade weinig interessants te zien. Ook op de haven zelf, die vrijwel in niets verschilde met een Europese haven, behalve dat het er gloeiend heet was, waren de jongens gauw uitgekeken.

Eerste indruk op de havenplaats Tandjong Priok nabij Batavia

Wie verwacht had, dat de ontscheping snel zou beginnen, kwam bedrogen uit. Wel kwamen er enige officieren aan boord, maar verder waren geen noemenswaardige activiteiten in die richting op de kade te bespeuren. Ook aan boord wees niets erop, dat spoedig met de debarkatie begonnen zou worden.

Desgevraagd wist ook kornet Roverts niet, wanneer ze aan land zouden gaan. Weet u dan wel waarom wij achter de "Willem Ruys" liggen, vroeg Jan van Narden aan hem? De kornet wist het niet en de anderen hielden hun mond. Ze kenden Jan van Narden zo langzamerhand. Die keek vragend de kring rond en zei toen: Dan zal ik het maar zeggen. ..... Omdat, ..... omdat de "Willem Ruys" vóór ons ligt! De kornet keek hem even wantrouwend aan, maar moest er toen toch om lachen. Verrek, je hebt nog gelijk ook, zei hij. Zoals altijd, antwoordde Jan droogjes. Er zat niets anders op dan te wachten en te proberen de resterende tijd aan boord zo aangenaam mogelijk door te brengen.

's Middags werd de post uitgereikt. Fred wist niet wat hem overkwam. Hij ontving zestien brieven. Hij was er blij mee en nam rustig de tijd om ze te lezen. Thuis was alles in orde en ook met Helma ging alles naar wens. Fred had haar brief tot het laatst bewaard en las hem met meer dan gewone aandacht.  ..... En in de weekenden als ik ga dansen, denk ik wel eens, was Fred er maar. Dat zinnetje trof hem. Moest hij nu blij zijn, omdat Helma aan hem dacht of jaloers, omdat ze ging dansen? Laat mij maar blij zijn en laat haar maar dansen. Dat leek hem het beste. De brief eindigde met: ........ En wees vooral voorzichtig Fred! Veel liefs, Helma.

Ook 's avonds liet de debarkatie nog steeds op zich wachten. Dan gaan we in godsnaam nog maar een nacht in dat warme stinkhol liggen, mopperde Dirk Koolen. Liggen is nog altijd beter dan staan, Dirkie, merkte iemand op. Dat kan wel zo wezen, maarre ..... och laat ook maar zitten., wat kan mij het ook schelen. Dirk was een beetje uit zijn humeur.

's Nachts om twee uur was het dan toch zover. Klaarmaken voor debarkatie, werd er geroepen. Iedereen was meteen klaar wakker en ineens was het een drukte van belang. Een paar uur later, toen iedereen zich geschoren had, naar het toilet was geweest, gegeten had en zijn laatste spullen had ingepakt, verliet 41 ZVE de "Zuiderkruis". Met de plunjezak op hun schouder en zwetend als een aandrager, daalden ze pelotonsgewijs de loopplank af en namen plaats op de gereedstaande drietonners.

Met dank aan huzaar Piet Wester 

Plaatsing van dit verslag geschiedt met toestemming van de uitgever Boekscout te Soest..Plaatsing van dit verslag geschiedt met toestemming van de uitgever. Plaatsing van dit verslag geschiedt met toestemming van de uitgever.