Mijn reis met 2-13 RI naar Nederlands Indië   

Voorwoord:

Dhr. Beckers melde zich in het voorjaar van 1945 aan als vrijwilliger bij het 2-13 RI, welke op 21 maart ’45 in Mönchen-Gladbach werd heropgericht. Zij werden toegevoegd aan de US 9th Army en waren gelegerd in een houten barakkenkamp in Niederkrüchten. Zij zouden van daaruit de bewaking en beveiliging van objecten in Mönchen-Gladbach gaan verzorgen.

Tussen de puinhopen in Mönchen-Gladbach (aug.'45)

Als OVW-er was hij met 2-13 RI ingedeeld bij het district Limburg, het zogeheten ‘Limburgs Bataljon’. Bevorderd tot sergeant vertrok hij via Krefeld richting Oostende, vanwaar hij op 15 september ’45 om 2 uur in de middag met het ss "Lady of Mann" zijn reis richting Dover begon. Het was een regenachtige dag, maar gelukkig kwam in de middag de zon door en werd de reis een stuk aangenamer. Rond zes uur die avond meerde de "Lady of Mann" aan in de haven van Dover en kon het debarkeren beginnen.

Het s.s. "Lady of Mann"

Met de trein ging de reis verder naar Aldershot, alwaar hij een speciale opleiding kreeg en werd voorbereid op zijn vertrek naar Ned. Indië. Op 10 oktober vertrok 2-13 RI per trein richting Liverpool, alwaar zij met de "Alcantara" op 12 oktober naar Malakka zullen vertrekken. Op 11 november ’45 kwamen ze op Malakka aan en moesten daar tot nader orders wachten tot een definitieve vertrek naar Ned. Indië.

Uitstapje naar Londen, hier in het Hyde Park (10 okt. '45)

Begin maart was het dan zover, er was eindelijk toestemming voor vertrek en op 9 maart ’46 kwam het regiment aan op Java en werd bij de T-Brigade ingedeeld. Tot begin ’48 zouden zij op zowel Midden- als West-Java actief zijn. Op 26 februari ‘48 vertrok het regiment vanuit Tandjong Priok terug naar Holland, om daar op 25 maart met de "Tabinta" in de Amsterdamse haven te debarkeren.

Reisbeschrijving a/b van de "Alcantara"

Liverpool---------------Ned. Indië

12 oktober ’45                11 november ‘45

De "Alcantara" in volle glorie

De "Alcantara" werd gebouwd door Harland and Wolff te Belfast en in 1926 te water gelaten. Het was een zusterschip van de "Asturias" die net als de "Alcantara" troepentransporten heeft verzorgd voor de Nederlandse regering op Ned. Indië. Het kwam als passagiersschip in de vaart en werd in 1943 omgebouwd voor het vervoer van militaire troepen. In 1958 werd het schip uit de vaart genomen. Tijdens deze reis zijn aan boord; 7(111) R.S. en 1 R.S. (801 manschappen), 2-13 R.I. en 2-14 R.I. Tot zover allemaal OVW'ers, tevens is er een contignent L.S.K. bestaande uit 300 man aan boord. 

12 oktober 1945: Om een uur precies werden de trossen van de "Alcantara" los geworpen en gleed het machtige schip, dat ons zo snel mogelijk naar Indië zou brengen, van de kade Pier Head uit de haven van Liverpool. De contouren van de haven en de stad waren spoedig in een dikke mist gehuld. Weldra waren we in open zee. De grote reis was begonnen. De meeste van ons stonden onwillekeurig aan dek en zochten naar iets dat verdween, maar toch niet te zien was, Engeland. We keken naar de grauwe mist en naar de kille glans op het water, somber gromde de scheepsfluit op regelmatige tijden en loeide de misthoorns van de boeien, welke wij passeerden.

Na twee dagen varen waren we op de Atlantische Oceaan te midden van de eeuwige deinende grauwe blauwe golven, die het grote schip regelmatig deed wiegen op hun machtige ruggen en naderden wij op 15 oktober de Afrikaanse kust.

15 oktober 1945: Vannacht om vier uur zijn we Kaap Vincent gepasseerd en varen nu al recht op het uiterste punt van Afrika aan. Rond half twaalf doemde de kust aan de horizon op, de baai van Spartel (westelijk van Tanger) lag voor ons aan stuurboordzijde, somber en dood lag daar de Afrikaanse kust met zijn kale ruwe bergruggen. Anderhalf uur later kwam aan bakboordzijde de kust van Spanje met de plaats Tarifa in zicht. Om drie passeerden we de punt van Europa met de bekende vesting Gibraltar. Links en rechts zagen we het betonnen afwateringssysteem om drinkwater te vergaren voor het Spaanse achterland.

De krijtrotsen van Gibraltar

De rots is een bijna onneembare vesting en heeft een zeer sterke verdediging naar alle zijden, alles verborgen en ingebouwd in het massale rotsblok. Inwendig diep in de berg bevinden zich kazernes, hospitalen, munitie opslagplaatsen, enz. Links van Gibraltar ligt de baai van Algeciras. Aan stuurboordzijde verhief zich de hoge rotsachtige kust van Spaans Marokko. We passeerden Kaap Cires met zijn machtige grauwe grijze rotsgebergte en de baai van Ceuta met heel vaag waar te nemen de stad met dezelfde naam, vanwaar de Duitsers met hun lange afstand kanonnen Gibraltar beschoten. Nadat we de stad Almina gepasseerd waren weken de kusten van Afrika en Spanje en verdwenen ze in de nevel. We waren de Straat van Gibraltar gepasseerd, de lucht en het water werden niet blauw maar bleven grauw.

16 oktober 1945: De dag, die nu voor het grootste deel achter ons ligt, is een van de mooiste dagen van onze reis geweest. De gehele dag was de kust van Afrika waar te nemen. Aanvankelijk nog in lichte nevelsluier gehuld, braken spoedig de contouren en de kleuren van de bergen door. Kleine plaatsen opgebouwd uit rechthoekige huizen met platte daken, waartussen de kerken met minaretten te zien waren, gleden aan onze ogen voorbij. Steeds weer werden we door iets anders geboeid, de ene keer was het de zilveren schittering op het blauwe breed golvende water, de andere maal het grijsblauwe silhouet van een massale berg of de mysterieuze schaduwpartijen op de berghellingen.

Om twaalf uur precies zagen we de stad Algiers (een stad van 260.000 inwoners), waar tevens de regering is gezeteld. Vandaag was de Middellandse Zee dan werkelijk zoals we hem hadden gedacht, met subtropisch klimaat en blauwe zee. Waaruit glanzende dolfijnen en bruinvissen opsprongen en daarna rijk besprenkeld door het licht van de zon weer in de golven verdwenen.

17 oktober 1945: Afgelopen nacht passeerden we de grens van Algerije en Tunesië. Toen we vanmorgen wakker werden en een kijkje gingen nemen aan dek, zagen we de roestbruin gekleurde bergen van Tunis. We voeren dicht langs de kust en toen we Kaap Quardia voorbij waren, had men een prachtig vergezicht op de baai van Bizerta, met in de ronding van de baai de breed uitgebouwde stad Bizerta. Koepels van tempels, minaretten en grote gebouwen tekenden zich duidelijk af in de schildering van de vele witte huizen, gevleid tegen de berghelling. De kust kwam weer dichterbij en we passeerden aan bakboordzijde het eiland Cani en aan stuurboordzijde Kaap Zebib.

Na een half uur varen langs de kale onvruchtbare bergen, draaiden we bij Kaap Farina van de kust weg en waren we in de Golf van Tunis aangekomen. Rond half elf zagen we de machtige rots bij het eiland Zembra, die stijl boven het water uitstak. Even later passeerden we aan bakboordzijde het kleine eiland Zembretta en aan stuurboordzijde Kaap Bon, dat op het meest noordoostelijke deel van Afrika ligt. Hier was het waar de slag om Afrika (1943) haar bloedig einde vond. Verpletterd en vermurwt door de Engelse artillerie en de meedogenloze bombardementen van de R.A.F., lukte het een klein gedeelte van het eens zo zegevierde leger van Rommel om het vege lijf te redden en over te steken naar Sicilië.

Na Kaap Bon verdween Afrika voorgoed uit beeld en werd alles rondom ons weer zee, alleen het eiland Pantelleria brak voorlopig nog de vlakke watermassa. We voeren een tijd lang dicht onder de kust van dit onwrichtbare steil uit zee optornende rotsgevaarte. De westzijde van dit eiland, met zijn meer glooiende hellingen, was bezaaid met veel in het zonlicht tredende platte woningen; wij Hollanders vroegen ons af wat voor bestaansmogelijkheden dit rotsgebergte aan de bewoners bied.

18 oktober 1945: We bevinden ons vandaag in het breedste gedeelte van de Middellandse Zee. Hoewel we geen kust zagen wisten we dat aan stuurboordzijde Libië moest liggen, ter hoogte van Tripoli. Zover ons oog reikte konden we genieten van de pastelachtige kleuren van de hemel en de zee met zijn kalme deinende water, waarin zich de wolken weerspiegelden. Bij het aanschouwen van dit vreemde nieuws, zullen velen van ons gevoeld hebben dat we van iets bekends afscheid hebben genomen en iets geheel nieuws tegemoet varen. Dat Nederland een stukje van zich heeft afgestaan, dat over deze wijde zeeën vaart naar onze overzeese gebiedsdelen; om mee te werken aan een spoedig herrijzend Indië wat nu in moeilijkheden verkeerd.

19 oktober 1945: Het werd een warme dag, we kunnen inmiddels goed merken dat we de Kreeftskeerkring en dus ook de tropen naderen. Velen van ons hebben reeds hun Europese kleding verruild voor tropenkleding. We varen vandaag op honderd mijl afstand van de Egyptische kust. Rond half acht in de ochtend zijn we ter hoogte van El Salloum, gelegen aan de gelijknamige golf. Meer oostelijk gelegen passeren we ongezien de kust nabij de plaatsen Rashalmina en El Amaid, bekend door de hevige gevechten tussen de Engelse- en Australisch troepen met het leger van Rommel. Laat in de avond waren we, op ongeveer vijf en zeventig zeemijlen afstand, ter hoogte van Alexandria aangekomen.

Even op het dek genieten van de zon

Over deze zonnige dag viel voor ons echter wel een zware schaduw: Rudolf Visser, een der onze, hebben we aan de zee moeten afstaan. Zijn lichaam gleed in het diepe blauwe water en zonk naar een onbekend graf. Nooit zullen zij, die hem beminden en die hem afstonden voor de te verrichte taak in Indië, zijn graf kunnen bezoeken. Wij allen, die hier aan boord bij hem waren toen hij ons verliet en in de golven verdween, zullen hem in onze gebeden niet vergeten.

20 oktober 1945: Vanmorgen waren de meeste van ons al vroeg uit de hangmat, we zouden vandaag met een nieuw werelddeel kennis maken. Daar lag voor ons het ontwakende Port Saïd zich te koesteren in de reeds warme stralen van de ochtendzon. Weldra hadden de lange ver in zee lopende pieren ons schip gegrepen en gleed de "Alcantara" langzaam de haven binnen. Hier overviel ons plotseling de oosterse sfeer, lawaaierige Egyptenaren met hun chocolade huidskleur, gehuld in smoezelige kaften, grinnikten en schreeuwden ons toe. Weldra was ons gehele schip omzwermd met kleine bootjes, waarin kooplieden met hun rijke gebarentaal hun goederen aanboden. Langs de kade lag een lange rij vissersbootjes, hun bonte kleuren weerspiegelend in het groene water. Sprietig staken de lange schuine gaffels in de lucht, sommigen hadden hun lange typische zeilen ontplooid en schoven zeewaarts.

In crème-gele gebouwen zijn massa’s hotels, handelskantoren en woonhuizen gevestigd en het groen van zacht wuivende palmen blonk ons toe. We keken naar het levendige schouwspel dat zich op straat afspeelde. Dit was onze eerste kennismaking met het Oosten. Aan de andere zijde van ons schip lag het eigenlijke havengebied, waar bovenuit een lichte rooksluier optrok in de ochtend lucht. Op het water was het een gewriemel van allerlei bootjes en daartussen kruisten zwaar dampende veerboten. Even deed dit je aan een Holland havengezicht denken. Doch spoedig werden die gedachten verdrongen door de karakteristieke bomen van het Oosten, de palmen die met hun waaierige kruinen een voor ons vreemde achtergrond vormden.

Er is best veel te zien hier in de haven

Het forse Engelse moederschip H.M.S. "Victorious" met op het brede dek een aantal vliegtuigen, voer als een symbool van de Engelse macht in het verre Oosten, aan ons voorbij. De post kwam bij ons aan boord en de klok werd een uur vooruit gezet. Om tien uur begonnen de schroeven van ons schip te wentelen en kon de aanvang van de vaart door het Suezkanaal beginnen. Voor ons lag in een rechte lijn het 100 mijl lange Suezkanaal. Veel te snel trok Port Saïd aan ons voorbij. We passeerden het witte tempelachtige gebouw van de Suezkanaal Maatschappij met zijn drie groene koepels.

Het statige gebouw van de Suezkanaal Maatschappij

Even verder passeerden we de Nederlandse schepen "Ruys" en "Johan de Witt", die vanuit Batavia onderweg waren naar huis. Er was een geroep en gejuich over en weer, nu voelden we pas wat het betekende om in den vreemde iets van je eigen land te ontmoeten. Je voelde je onwillekeurig toch een beetje trots dat onze schepen overal te vinden zijn. Onze ogen gleden langs de opeenhoping van huizen en gebouwen met hun talloze balkonnetjes en het gewirwar van antennestokken op de platte daken. Tussen al deze gebouwen door domineerden de blanke vuurtorens, die het baken zijn voor de talloze schepen die richting het Suezkanaal trokken. Ten westen van ons zagen we Egypte met het uitgestrekte meer Al Manzalah, waarop veel vissersbootjes met hun opvallende witte zeilen voeren. Aan de oostzijde van ons strekte zich de Sinaï woestijn uit met de reusachtige zoutvlakten, die door hun felle witte kleuren scherp afstaken tegen de bijna wolkeloze hemel.

Regelmatig passeerden we controlestations, van waaruit het verkeer in het kanaal geregeld wordt. Vlak langs het kanaal lopen twee autowegen en een spoorweg. Langs de oever zijn op verschillende plaatsen kleine nederzettingen waarneembaar. Deze dorpjes zijn opgetrokken uit lange rijen vierkante vuile woningen met daartussen karakteristieke Egyptische waterputten. We passeren eerst de spoorwegovergang die van Cairo naar Palestina leidt en vervolgens om drie uur de spoorwegbrug bij Al Firdan. Deze spoorwegbrug werd in 1942 gebouwd door de Engelsen, die overigens in een jaar tijd het hele spoorwegtraject tussen Egypte en Syrië hebben aangelegd.

De spoorwegbrug bij het Suezkanaal

Ruim drie kwartier later schoven we het meer bij Ismaïlia binnen, dit meer is gelegen in een krans van groen, voorzien van een zweminrichting en een jachthaven. In deze haven lagen ook twee Engelse jachten, met rechts daarvan de stad Ismaïlia, die fier boven alle palmbomen uitstak. We moesten hier wachten tot de verschillende schepen uit de tegenovergestelde richting van het kanaal ons gepasseerd waren.

Grammofoonmuziek klonk over de dekken. Dromerig stonden we te kijken naar het landschap om ons heen. Van alle kanten kwamen de kooplieden en de ‘dubbeltjesduikers’ in hun witte ranke bootjes aanroeien, doch werden afgeweerd door een frisse waterstraal van de M.P. In de nabijheid van deze stad ligt een groot Brits militair kamp, waar troepen liggen die bestemd zijn voor de strijd in het Midden-Oosten en daar hun training hebben. Verder langs deze vaarroute zagen we nog meer grote en kleine militaire kampen liggen.

Een van de militaire kampen langs de oever

Toen we het meer bij Ismaïlia uitvoeren lag rechts van ons op de voorgrond een vruchtbare vlakte waarop de dalende zon een mysterieuze lichtbundel wierp. We passeerden het grote monument dat werd opgericht ter nagedachtenis aan de Australische en Nieuw Zeelandse troepen die sneuvelden bij de verdediging van het kanaal in de eerste wereldoorlog.

Aan beide zijden werden de zanderige oevers hoger, maar het schouwspel bleef boeiend. Zoals het tafereeltje van de half vervallen moskee in rosgrijze kleur met daarvoor een groepje rustende kamelen en op de achtergrond een wazige paarsblauwe heuvelrug. De avond daalde over ons heen en de grote blanke maan steeg statig in een violetkleurige hemel omhoog en wierp haar witte licht op de eindeloze zandvlakte. Sterren verschenen aan de hemel en wij ondergingen de betovering van deze Oosterse nacht. In het donker kwamen we aan bij het Grote Bittermeer, lang de oevers schitterden honderden lichtjes. Hier was een groot Engels R.A.F.-kamp gevestigd, van waaruit hun bommenwerpers opstegen om de Duitsers te bestoken. Vaak konden we aan stuurboordzijde de heuvels onderscheiden en de Engelse en Franse oorlogsbodems zien, welke aan beide kanten voor anker lagen. Door de radio klonk de mededeling dat de "Johan van Oldenbarnevelt", van de ‘Stoomvaart Maatschappij Nederland’, aan bakboordzijde passeerde. Iedereen liep zo vlug als mogelijk was naar de dekken. Overal licht uitstralend gleed daar een van Neerlands grote schepen aan ons voorbij. Dit schip was vooral bekend geworden door haar verrichtingen in de afgelopen oorlog. Van het Grote Bittermeer kwamen we in het Kleine Bittermeer. Vervolgens manoeuvreerde de Hollandse loods dhr. F.W. Hagendoorn uit Amsterdam ons weer door het Suezkanaal. Een brede scherpe lichtbundel geplaatst voorop de boeg van het schip belichte het water en leidde ons tussen de rode en groene lichtjes aan weerszijde van de vaargeul door. Rond half elf waren we bij de stad Suez aangekomen. Het machtige bouwwerk van het Suezkanaal werd gebouwd onder leiding van de Franse ingenieur Ferdinand de Lesseps, wiens standbeeld wij zagen bij de haveningang van Port Saïd.

Standbeeld van Ferdinand de Lesseps bij Port Saïd

Het doet echter even pijnlijk aan te denken dat bij dit majestueuze werk 120.000 slaven het leven lieten. Het idee om dit kanaal te graven stamt uit de tijd van 600 jaar voor Christus, maar dan tussen de Golf van Suez en de Nijl. Napoleon ontwierp het plan voor het Suezkanaal zoals we het nu kennen; een verbinding tussen de Middellandse Zee en de Rode Zee. Tenslotte was het Ferdinand de Lesseps, die tevens diplomaat was bij de Kalief van Egypte, die toestemming kreeg om een dergelijk kanaal te bouwen. In 1856 werd de Suezkanaal Maatschappij opgericht en de eerste spade werd te Port Saïd op 25 april 1859 in de grond gestoken. Na tien jaar van bijna onoverkomelijke moeilijkheden werd het kanaal geopend, aan de bouw hadden in totaal 1,5 miljoen arbeiders deelgenomen. Het aantal bruto registerton wat in 1870 het kanaal passeerde bedroeg 600.000 ton en in 1939 was dat al 60 keer zoveel. De lengte van het kanaal is 163 km. en de opbrengsten bedroegen in die tijd acht miljoen Egyptische ponden. De tijdsduur van de doorvaart was in 1886 36 uur en nu nog maar 12 uur.

21 oktober 1945: Het is zondag en de doorvaart van het kanaal ligt achter ons. We zijn inmiddels beland bij de stad Suez waar we voor anker gaan. Aan beide zijden van het schip zijn tank- en vrachtschepen te zien, om deze te voorzien van 3000 ton stookolie, drinkwater en levensmiddelen, waaronder verse groenten. Het was een stemmige ochtend en van het E-dek klonken de ingetogen melodieën van kerkelijke gezangen. Vredig stak de stad Suez af tegen het scherpe witgele decor van de zandwoestijn met aan de westzijde het alles dominerende Ataka-gebergte. Fris kleurend en met oranje afgebiesde beschilderingen lagen de ranke bootjes om ons schip, om hun koopwaren aan te bieden.

Bootjes met handelswaar waren er in overvloed

Het glinsteren van hun ogen in het donkerbruine gelaat en de rode fez op hun zwarte haar, maakte dit alles tot een onvergetelijk beeld. Er werd druk gehandeld, gevraagd en geboden, vele malen gingen mandjes met sandalen, lederen tassen, sigarettenkokers en zelfs lederen koffers naar boven. ’s Middags kort na vijven werd het anker gelicht en koersten we de Golf van Suez binnen. De zee kleurde nu donkerder en aan bakboordzijde glansde het blanke licht van de opkomende maan op het water.

22 en 23 oktober 1945: In de nacht van 21 op 23 oktober passeerden we de berg Sinaï die 22 55 meter hoog is. We dachten onwillekeurig terug aan de geschiedenis uit de Bijbel, aan Mozes en het verbannen Joodse volk dat veertig jaar rond zwierf in de woestijn. Vervolgens kwamen we in de Roode Zee. De gloeiende zonnestralen priemden op ons neer en er hing inmiddels een benauwde lucht in de ruimen. We zochten verkoeling in de schaduwzijde, van zakdoeken, waterkraan en douche werd veelvuldig gebruik gemaakt. Over de open dekken werden zeilen gespannen en ’s nachts werd er in de openlucht op de dekken geslapen vanwege de drukkende warmte in de ruimen. Met volle kracht wierp de zon zijn stralen op ons neer, er was geen enkele wolk te bekennen, alleen de avonden brachten ons nog verkoeling. Het Oosterse land toog ongezien aan ons voorbij, maar het idee dat we langs Egypte, Libië en Eritrea voeren, deed ons herinneren aan hetgeen we hierover gelezen hadden. Zo wisten we dat zestig mijl landinwaarts de Nijl stroomde en de ruïne van Luxor, de eens zo prachtige tempel toen Egypte noch machtig en sterk was. Aan bakboorzijde van ons moest ergens de heilige stad Mekka liggen, waar moslims sinds eeuwen heentrekken om Allah en de Kaaba te aanbidden. Zo droomden we steeds verder terwijl we aan de reling stonden en naar de horizon tuurden.

In de nacht van 22 op 23 oktober passeerden we de kreeftkeerkring, we zijn daarmee in de tropen beland en voelen dit terdege. We waren min of meer overvallen door een zekere loomheid, we dronken steeds meer water en menig druppeltje zweet werd gelaten. Een prachtige afwisseling waren de dolfijnen, die vanuit de golven door de lucht zweefden, om vervolgens weer met een sierlijke zwaai in het water te verdwijnen. Ook de vliegende vissen scheerden in scholen tegelijk als libellen over het water. Zo zou deze dag ondanks de weinig afwisseling toch spoedig voorbij gaan. In het nachtelijke maanlicht doemde het silhouet van het eiland Farasan even op, om vervolgens ook weer spoedig uit zicht te verdwijnen.

24 oktober 1945: Vanochtend zagen we zowel links als rechts van ons de kust naderen. Tegen acht uur voeren we langs het Arabische stadje Mokka, een klein wit stadje tegen de kale achtergrond van de grillige bergkammen. Steeds dichter kwamen we bij de kust van het Engelse eilandje Perim. Een laag eiland met slechts enkele gebouwen, waaronder een vuurtoren en een kuststation voor de scheepvaart. Aan de zuidkant zijn enkele koraalriffen te zien.

Het eiland Perim dat toen onder Engels gezag was

We verlieten de Roode Zee en voeren via de Straat Bab El Mandeb de Golf van Aden binnen. De afstand Suez-Perim bedroeg 2236 mijl, dat ons schip in 65 uur heeft afgelegd. De vreemde doodse eigenaardig gevormde berghellingen van Frans Somaliland bogen af en de kust van Arabië verdween die middag langzaam uit zicht.

25 oktober 1945: Het uiterste gedeelte van de oostkust van Afrika lag naast ons, met de vuurtoren Kaap Quardafui als allerlaatste herkenningspunt. We verlieten de Roode Zee en de Indische Oceaan lag voor ons. Zo zijn we eerst de twee werelddelen Europa en Afrika door gevaren, nu varen we Azië tegemoet. Toen het laatste stukje land eenmaal uit zicht was verdwenen, gleden de ogen vanzelf weer naar het in woede losbarstende schuim, bruisend als een stormloop over de versnellende donkere golven. Voort gaat het, steeds maar dichter naar Indië, ons einddoel aan de andere kant van deze oceaan. Onze kennismaking met de Indische Oceaan was er een om nooit te vergeten, vooral als tegen de avond de horizon vervloeide en hemel en water een groot spel werd van steeds wisselende kleureffecten. Sinds we het eiland Darsah uit oog zijn verloren varen we alleen nog maar te midden van water en lucht.

Er is alleen water, lucht en zonneschijn te zien op de Indische Oceaan

Na dagen van varen, zonder ook maar enige andere afleiding dan water en lucht, dook in de middag aan bakboordzijde het eiland Minicoi op, slechts kort stak het boven de waterspiegel uit. Dit eiland was vlak met een strand, waar de golven schuimend tegen oprolden. Een witte vuurtoren onderbrak het groen van de bossen. Het gelijknamige plaatsje op dit eiland heeft ruim 3000 inwoners, met daar vlakbij een melaatsen kolonie. Melaatsheid was een veel voorkomende ziekte en als een patiënt naar de stad ging, dan moest hij een bel dragen om kenbaar te maken dat hij voorbij kwam. Ook dit eiland is omringd door koraalriffen en ligt 200 mijl van de kust van Brits-Indië. Het eiland ligt inmiddels achter ons en verdween langzaam aan de horizon.

29 oktober 1945: De kleurenpracht om ons heen werd ruw verstoord en weggevaagd door grauwe wolkenmassa’s, die voortjoegen boven het water. De zee was onstuimig en de golven lieten hun witschuimende koppen zien. Het prachtige eiland Ceylon, waarvan we gedroomd hadden als zijnde een sprookjeseiland, hulde zich in een diepe grauwe sluier. Kort na twaalf uur waren we aangekomen bij Galle, de op twee na belangrijkste havenplaats op Ceylon. We waren enigszins teleurgesteld, omdat er een dikke ondoordringbare muur van mist tussen de kust en ons schip hing. Enige uren later trok de mist gelukkig op en konden we Ceylon gelukkig goed aanschouwen. De donkere bergen rezen tot in de wolken en groene heuvels daalden neer tot aan het strand. Een lange gele zandstrook slingerde zich een weg langs de kust, hier en daar onderbrekend door grote rotsblokken. We voeren voorbij de kustplaats Matara en draaiden vervolgens om de uiterste punt van Ceylon heen. Het werd steeds donkerder en de contouren van de omringende heuvels verdwenen langzaam in de nacht.

30 oktober 1945: Het was vandaag een dag als in Suez. Er werd stookolie en drinkwater getankt en levensmiddelen ingenomen. Echter het decor hier was anders. Hier was niet de uitgestrekte woestijnvlakte, geen ruw woeste berghellingen, maar een lieflijk beeld van heuvels bedekt met een groen kleed van tropische bomen, baaien en kreken. De open haven licht in een ruime gordel van beschutte heuvels, dit gaf na die grote open oceaan een gevoel van geborgenheid. De rust van vandaag deed weldadig aan tegenover de voorgaande dagen, met al dat stampen en deinen van de boot. We gleden vanochtend de natuur haven van Trincomalee binnen. Trincomalee greep ons aan, stil als op een vijver lag de "Alcantara" hier voor anker. Om ons hen voeren kleine motorbootjes die een lange witte streep trokken. Langs de oevers ligt een tuin van groen en tussen dit groen ligt de stad, overschaduwd door hoge kokospalmen. Westerse en Oosterse tafereeltjes zie je hier naast elkaar. De donker gekleurde jongens met hun lachende gezichten en spierwitte tanden grijpen naar de sigaretten die door de soldaten worden toegeworpen. Oranje rode daken van pakhuizen en kantoren zien we tussen de palmbomen op de oevers, terwijl langs ons in een plechtige stoet de typische bootjes varen met hun grote bruine en rode zeilen, voortbewogen door roeiers aan beide zijden. Hierbij steken de Europeanen met hun westerse zeilboten in een diep contrast af.

2 november 1945: Drie dagen hebben we in de baai van Trincomalee doorgebracht, waarin de grootste rivier van Ceylon de Mahaweli Ganga uitmond. Vanmorgen hebben we afscheid genomen van een plek die lang in onze herinnering bewaard zal blijven. Zoals de honderden lichtjes van de marine- en koopvaardijschepen die in het donker over het water schitterden, terwijl er bij de sterrenhemel van een van de dekken Hawaïmuziek opklonk. Jongens langs de reling, die zowel sigaretten als geld en zelfs zakmessen naar beneden wierpen. Inmiddels hebben we koers gezet richting Port-Swettenham op Malakka.

4 november 1945: Vannacht hebben we de Indische Oceaan verlaten en zijn tussen Poeloeh Weh en het eilandje Nicobar de Straat van Malakka ingevaren. We zagen vanmorgen even aan de horizon de top van de Goudberg op noordoost Sumatra (2102 m.). Werelddelen hebben we achter ons gelaten en duizenden mijlen zijn afgelegd; Sumatra ons Indië is dan eindelijk bereikt. Na onze worsteling voor Nederlands vrijheid en herrijzen, hebben we ook verlangend uitgezien om naar Indië te varen, om ook dat deel van Nederland de helpende hand te bieden. Nu ligt daar aan stuurboordzijde Indië, waar we zo naar verlangd hebben.

5 november 1945: Gisteravond zijn we in de haven van Port-Swettenham voor anker gegaan en vanmorgen zijn we de Klang-rivier opgevaren. Hier krijg je een heel ander beeld te zien dan in Trincomalee, we zien hier geen bedrijvigheid van allerlei oorlogs- en koopvaardij schepen. De eentonigheid wordt slechts verbroken door de kooplui met hun bescheiden roei- en zeilbootjes. Ook hier wordt weer gehandeld, hoewel dit in bescheiden maten in pisangs, ananassen, klappers en niet te vergeten Malakka sigaren.

Plotseling krijgen we bericht dat ons bataljon hier van boord zal gaan. Grote bedrijvigheid heerst er op alle dekken. Als iedereen klaar staat om te debarkeren krijgen we het bericht dat het doorgaat. We zullen nog even moeten wachten op nieuwe orders.

7 november 1945: Waar zullen we uiteindelijk naar toe gaan? Deze vraag houdt ons nu al twee dagen in spanning. Opeens wordt via de luidsprekers een extra bericht aangekondigd. Iedereen rent zo snel mogelijk naar de dichtstbijzijnde luidsprekers en er heerst vervolgens een doodse stilte. Dan schalt de stem van de omroeper over de dekken: We gaan naar Batavia. Grote vreugde alom. Omstreeks half vier wordt het anker gelicht en het laatste deel van de reis kan beginnen. Morgen zullen we Singapore passeren en vermoedelijk zaterdag in de ochtend de haven van Tandjong Priok binnenlopen.

8 november 1945: Bij het ontwaken, merken we al aan de drukte die op het water heerst, dat we Singapore naderen. Tegen acht uur varen we de Straat van Singapore binnen en om negen uur langs het eiland Saint John varen, terwijl aan bakboordzijde de stad Singapore (de sleutel van het Oosten) ligt. Om half acht ’s avonds zouden we de evenaar passeren, maar tegen half vijf kregen we een extra uitzending van het ‘Kraaiennest’, waarin ons wordt medegedeeld, dat onze reis naar Java voorlopig niet doorgaat en we terug moeten naar Singapore.

9 november1945: Vanmorgen zijn we voor de tweede keer de Straat van Singapore binnengevaren. Nu gaan we echter voor anker. Hier wordt de LSK, die vier weken lief en leed met ons hebben gedeeld, ontscheept. Waar zullen wij terecht komen?

10 november 1945: Wij hebben Singapore weer achter ons gelaten en varen verder terug richting Port-Swettenham. Ongeveer acht uur ’s avonds gaan we daar in de baai voor anker.

11 november 1945: Vandaag is dan eindelijk onze laatste dag aan boord. We varen nogmaals de Klang-rivier op en om tien uur vallen dan eindelijk de ankers van de 'Alcantara' voor de laatste keer. Onze reis is nu definitief ten einde! Om vier uur staan we allemaal gepakt en gezakt klaar en om zeven uur stappen wij in de landingsvaartuigen die ons aan land zullen zetten. De trein die ons naar onze tijdelijke bestemming zal brengen stond al klaar, we hoefden alleen maar in te stappen. Na een kort oponthoud te Kuala Lumpur kwamen we om drie uur ’s nachts aan bij de School of Agrycultures of Malaya in Serdang, waar we bijna vier maanden zouden verblijven.

Sergeant Beckers voor zijn tijdelijke verblijf in Serdang (Malakka)

Begin maart 1946 gaat 2-13 R.I. met de "Valentijn", een schuit van de KPM, richting Java, alwaar hij op 9 maart '46 op de rede van Semarang van boord gaat en aan land wordt gebracht. 

Slotwoord:

Uit eerbetoon aan mijn vader Alois L. Beckers, die als OVW’er van oktober 1945 tot maart 1948 bij het 2-13 RI, in het voormalig Ned. Indië heeft gediend, heb ik deze reisbeschrijving en foto’s uit zijn nalatenschap beschikbaar gesteld voor publicatie op deze prachtige website. Mijn vader heeft in 1969 als Sergeant-Majoor bij de Kon. Luchtmacht, na 24 dienstjaren de dienst verlaten en was drager van de onderscheidingen Orde en Vrede en het Nieuw-Guinea Herinneringskruis.

OVW'er Alois L. Beckers in Kuala Lumpur (3 dec. '45)

Zijn onderscheidingen voor Orde en Vrede en het Nieuw-Guinea Herinneringskruis