Hoe ging ik naar voormalig Nederlands Oost-Indië?

  Met het ss "Groote Beer"!

Troepentransportschip ss "Groote Beer" onder de vlag van Stoomvaart Maatschappij 'Nederland' bij de Javakade te Amsterdam

Gegevens schip: snelheid 16,5 zeemijl = bijna 30 km. per uur - voorstuwing stoomturbine 85.000 pk - lengte 139 m. - breedte 19 m. - waterverplaatsing 10.000 ton - passagiers 800. Gezagvoerder is A.P. de Wild. Commanderend Officier Troepen (COT) is Luitenant-kolonel J. Mutters.    

Opmerking vooraf

Zoals de meeste van mijn landgenoten op de reis naar voormalig Ned.-Indië, was ik nog nooit over de landsgrenzen geweest. België, Duitsland, Frankrijk….het was onbekend terrein. Kleurenfilms over vreemde streken en TV (reis) documentaires zouden pas in de toekomst komen… Onze reis naar de Oost was dus niet alleen voor mijzelf, maar voor de meesten van ons een heel bijzondere kennismaking met de rest van de wereld.

Inleiding

Neef Hans van Rooij stelde mij een logische vraag na inzage van het net uitgekomen album over de familie de Jong: Hoe gingen jullie naar de Oost? Toch niet door de lucht? Uitleg aan een jongere generatie blijkt hier dringend gewenst! 

Beschouwing van de reis door de eeuwen heen

Dit dan in het bijzonder gedurende de veertiger jaren van de vorige eeuw! In het verleden reisden mensen van en naar Nederlands Oost-Indië per schip. Aanvankelijk via  Kaap de Goede Hoop en daarna via het Suezkanaal toen de aanleg daarvan was voltooid (1867). Wie geld had kon vanaf de dertiger jaren van de vorige eeuw dankzij de KLM door de lucht. Tot die rijken behoorde zeker niet het gros van de plm. 120.000 vrijwillige- en dienstplichtige militairen waartoe ik ook behoorde, die vanuit Nederland na de oorlog zijn uitgezonden naar de Oost. Aanvankelijk in het kader van de bestrijding van de Japanse bezetter en al spoedig daarna wegens de problemen die helaas ontstonden met de eigen bevolking. In de huidige tijd zijn de zaken gekeerd! Nu moet je juist bij de rijken behoren om ergens per schip te komen. Door de lucht ga je nu voor een appel en een ei over de hele wereld! 

Een tot nu toe weggelaten stukje persoonlijke geschiedenis waarvan ik de bijzonderheid nu plotseling zie, dankzij Hans.

Vooraf aan de reis 

Na onze opleiding tot infanterist, die op 3 maart 1949 begon in Steenwijk, zijn wij op 1 augustus van dat jaar ingedeeld bij het 32e Bataljon van de 4e Divisie, kortweg het 432 Bataljon Infanterie. (een oorlogsonderdeel, organiek bestaande uit 6 compagnieën van elk plm. 100 man en een staf). Wij waren daarmee klaar om uitgezonden te worden.

              Met moeder in Den Haag              Bij mijn broer in Drachten                

Vrijdag 19 augustus 1949: We kregen tien dagen inschepingsverlof. In die periode nam mijn moeder mij vanuit Leeuwarden, onze woonplaats op sleeptouw langs de hele familie. Waarvoor dat zo nodig was had ik niet in de gaten, hoewel ik de reisjes naar Sneek, Amsterdam, Den Haag, Naarden en Utrecht, waar de ooms en tantes, neven en nichten te vinden waren verder wel prima vond. Zo zie je immers nog eens iets en iemand. Van tante Hinke en oom Bram in Amsterdam kreeg ik bij die gelegenheid een Kodakbox voor fotonegatieven van 6 ½ bij 11cm, een formaat waarmee ik, zoals ik later merkte, heel mooie landschapsfoto’s kon maken. Van Oom Anne en tante Gep in Utrecht het boek Tranen over Johannesburg, dat nog in mijn boekenkast staat. Er werd ook een 'staatsieportret' van mij gemaakt bij fotograaf Duiker in de Weerd. Achteraf gezien hield mijn moeder het kennelijk voor mogelijk dat ik zou sneuvelen en dan zou niemand mij ooit terug zien. Dat was niet helemaal denkbeeldig. Er zijn ruim 6000 Nederlandse militairen (inclusief KNIL) in de Oost gebleven op een ereveld. 

Zondag 28 augustus 1949: Ik nam thuis afscheid van mijn moeder en vader bracht mij tot aan de trein. Hoewel ik niet opzag tegen mijn uitzending, was ik bij het vertrek toch in een bedrukte stemming geraakt. Tegenover mij zat echter een vriendelijke mevrouw die een opbeurend gesprek met mij begon. In het begin luisterde ik maar amper hoewel ik de vrouw zelf en haar gebaar erg sympathiek vond. Ze slaagde toch nog in haar opzet toen we Steenwijk naderden en was ik helemaal verzoend met het afscheid. In de kazerne bemerkte ik dat heel veel dienstplichtigen niet terug waren gekeerd van inschepingsverlof (20 à 30%?). Dat zou zo blijven. Velen zagen het vertrek naar de Oost niet zitten en doken om verschillende redenen onder. We zijn dan ook ver onder de sterkte naar de Oost vertrokken. Ik kreeg te horen dat ik was ingedeeld bij de scheepspolitie. Wat dat inhield bemerkte ik pas later. De dagen die volgden vóór de inscheping deed de Welfare zijn best om ons te vermaken omdat er geen oefenschema meer was en zo hebben wij bijvoorbeeld een mooi uitstapje gemaakt naar Giethoorn. Ik vond dat werkelijk een heel goed en interessant idee en de meesten waren ook erg tevreden. Op een avond in die periode brak de hel los en is de inventaris van de kazerne grotendeel vernield. Daar heb ik al eerder verslag gedaan.

Tussenstop op weg naar Amsterdam 

Mijn zeereis van 23 dagen (van 2 tot 25 sept. '49) 

Vrijdag 2 september 1949: Een dag eerder dan de grote meute zijn wij per vrachtauto als aspirant scheepspolitie naar de "Groote Beer" gebracht, die gereed lag aan de Sumatrakade bij de magazijnen van Stoomvaart Maatschappij 'Nederland' in Amsterdam. Van alles moest nog aan boord genomen worden, vooral leeftocht voor onze hongerige magen. Het was de bedoeling dat de scheepspolitie de volgende dag bij de inscheping van het bataljon en detachementen van andere krijgsmachtdelen op zou treden als gids om iedereen op de aangegeven  plaats te brengen in hut of ruim. De korporaals, de onderofficieren en de verpleegsters, die ook mee reisden kregen midscheeps in en onder de opbouw een hut toegewezen. (Waar waren de officieren? Ik weet het niet meer) De hutten waren klein en men lag met een aantal hutgenoten nogal opgepakt, maar toch nog een stuk comfortabeler dan wij, arm voetvolk. De grote diepe vrachtruimen (tot 8 m onder water) waren horizontaal in dekken verdeeld. In die grote vierkante ruimtes van plm. 18 x18 meter waren tussen verticale stangen aan twee zijden smalle metalen opklapbare frames aangebracht met daartussen spanzeilen, vier tot vijf ligplaatsen hoog. Tijdens de reis zou blijken dat de ventilatie gebrekkig was (geen ventilatoren). Na het Suezkanaal was het soms moeilijk ademen en de 'odeur' was geheel 'sans parfum', vooral wanneer het schip de wind mee had. Veel van mijn maten gingen dan ook in de warme streken aan dek slapen, al was dat nog harder dan het spanzeil in het ruim en mocht dat officieel niet. Ook de verlichting was slecht met wat peertjes die dag en nacht brandden. Het zal duidelijk zijn, het comfort van onze "Groote Beer" leek in de verste verte niet op dat van een cruiseschip, al was er wel vooruitgang sinds de 17e eeuw toen velen aan allerlei ziektes en ontbering onderweg stierven. Toch is er nog iemand van boord gehaald met een blindedarm ontsteking, maar daarover later.

 

 Ik bekijk de zaak even (let op de zwevende handkar linksboven)

          

     Voor hongerige magen                De kade in Amsterdam

Zaterdag 3 september 1949: De grote dag van de inscheping en het vertrek. ’s Morgens waren duikers druk in de weer om de scheepsbodem te inspecteren op magnetische- en kleefbommen, mogelijk door sabotagegrage communisten of ander kwalijk volk daar geplaatst. In de loop van de dag ging het allemaal heel snel. In grote massa’s kwamen alle passagiers aan boord. Druk kreeg ik het er niet mee. Ik geloof dat ik maar één maal iemand de weg heb gewezen naar het plekje voor zijn groep bestemd. In ieder geval had ik nog ruimschoots de tijd om nog wat foto’s te schieten. De afvaart was bepaald op vier uur ’s middags. Een kwartier voor het vertrek mocht het publiek de kade op. Er waren heel veel familieleden, vrienden, kennissen enz. Al spoedig takelden de grote kadekranen de loopplanken weg en gingen alvast een aantal trossen los. De stafmuziek uit Assen was ondertussen aangetreden en begon achtereenvolgend het Grönings- en het Frieske volkslied te spelen. Was er ook een toespraak? Ik denk van wel maar weet het niet meer. In ieder geval is tot slot het Wilhelmus gespeeld terwijl wij in de houding stonden. Dat hoort zo wanneer je militair bent. Het werd ernst: de walkranen haalde de laatste loopplank weg en ook de overgebleven trossen gingen los.

De inscheping is in volle gang   

       

     De stafmuziek uit Assen        De familie staat inmiddels op de kade 

De scheepshoorn liet drie maal een sonoor machtig geluid horen. Dan moet je wel even slikken! Het plechtige moment verstoorden wij daarna een beetje omdat wij massaal het fraaie lied 'Helaas wij moeten, elkander groeten' aanhieven. Het schip kwam los van de kade en onder veel gewuif, naroepen en gejuich gingen we langzaam onder geleide van enkele sleepboten achter het Centraal Station langs in de richting van IJmuiden. Onze tocht van plm. 17.000 km was begonnen. Oom Bram stond met een grote lap te zwaaien bij de kade van de Hollandse Boot. De schepen die wij passeerden lieten hun stoomfluit klinken en de "Groote Beer" antwoordde met zijn zware stem. Wij gingen het grote avontuur tegemoet.

Achter het Centraal Station langs op weg naar IJmuiden 

Tegen de avond kwamen wij aan bij de Sluizen van IJmuiden waar het tot mijn verbazing stampvol mensen stond. Sommigen hadden een spandoek. Ze wuifden en juichten en gooiden sigaretten, drop, pepermunt, chocoladerepen, fruit enz. naar ons. Helaas viel er veel naast het schip. Stonden neef en nicht Jan en Jopie de Jong ook tussen het volk? Ik heb ze niet gezien. Na ongeveer 20 minuten was het schip geschut. En dan voeren we op eigen kracht tussen de pieren uit de open zee tegemoet. Omdat we vrij dicht onder de kust voeren konden we in het halve donker de kustlijn goed volgen. De lichtjes van Noordwijk en Katwijk waren duidelijk te zien. Heel duidelijk was de autoscooter zichtbaar op het kermisterrein van Scheveningen Bad. We gingen een prachtige nacht tegemoet met een helder schijnende maan. Behalve de doorgaande siddering van de schroef maakte het schip bijna geen beweging.

Zondag 4 september 1949: De volgende morgen ontdekten we dat het schip heel wat meer beweging maakte. We waren het Kanaal uit, nog onder de Engelse kust. Helaas hebben we de beroemde krijtrotsen niet gezien door de nevel. Later op de ochtend meenden we heel vaag de krijtformaties te zien, maar ik denk dat we de Straat van Dover al lang gepasseerd waren. We konden dat heel goed merken aan de bewegingen van het schip. De "Groote Beer" was een beetje de speelbal van de golven!

Op deze foto zouden de krijtrotsen van Engeland te zien moeten zijn!

Het schip was immers ontworpen als vrachtschip en wij met z’n allen vormden (al lagen we massaal in het ruim) geen lading van betekenis. Golven en wind hadden vrij spel en we maakten dan ook behoorlijk grote schuivers op de deining van de Atlantische Oceaan met de gemene accenten van de Golf van Biskaje. De magen van ons, landrotten voelden zich ongelukkig en lieten dat ook massaal weten door aan de zee te offeren. Hoewel ik alles op at wat mij is voorgezet heb ik ’s avonds toch nog even geofferd aan Neptunus. Samen met een contingent mariniers sliepen wij als scheepspolitie in het voorste ruim en dat pakte niet zo goed voor ons uit. Ten eerste was de toegang tot het ruim voorbij de koelmachine van het vleesruim. Die rook niet zo fijn; een soort natte oude honden geur. Alleen al van die lucht werd je onpasselijk: Verder ging juist op die plaats, vooraan in het schip meters omhoog op de deining en daarna weer even veel meters naar beneden. Leuk voor de kermis, maar voor ons was de lol er al gauw af, ook bij de mariniers die massaal om teilen en emmers geschaard stonden met veel lawaai. Het rook daar zoals gezegd niet naar parfum. 

Mijn maaltijdenkaart tijdens de terugreis per "Zuiderkruis" een zusterschip van de "Groote Beer"

Scheepspolitie 

Dienstdoende als scheepspolitie ging ik zoveel mogelijk midscheeps staan en keek naar de horizon. Dan had je zo weinig mogelijk last van misselijkheid. Dat had ik al gauw van iemand die er meer van wist geleerd. De scheepspolitie had een eenvoudige, niet zo eervolle taak aan boord. We moesten het gangboord bij de opbouw van het schip vrij houden van het lagere volk, zodat daarvan niemand de opbouw betrad. Deze dienst had voor mij behalve nut voor het bestrijden van zeeziekte, het voordeel dat je toegang had tot een kraantje midscheeps. Daar kwam heerlijk koel ijswater uit. Helaas gaf dat kraantje in de Rode Zee op het moment dat we het echt nodig hadden alleen maar warm drinkwater en werden we gesommeerd van dat kraantje af te blijven. Ze dachten zeker dat we dag en nacht aan dat kraantje zaten te lurken! De overige taak van de scheepspolitie was wel eens de wacht te houden bij het uitreiken van iets bijzonders (kauwgum of een chocolade reep). Iedereen moest dan netjes in de rij staan. Veel moeite gaf dat niet, we waren allemaal erg mak. Hoewel we pas aan het eind van de dag land zagen, waren er toch bijzonderheden die ons bezig hielden behalve de misselijkheid. Terug uit de Oost kwam het oude passagiersschip de "Johan van Oldenbarnevelt" ons tegemoet. De schepen passeerden elkaar van dicht bij en ik maakte daarvan een kiekje. Door de bewegingen van ons schip was het erg moeilijk om de "Johan van Oldenbarnevelt" goed in de zoeker te houden. Helaas het negatief van deze foto en ook de negatieven van de andere foto’s die ik van onze reis maakte zijn nogal aangetast door vocht en hitte zo bleek later. Aan het eind van de middag passeerden wij Kaap Finisterre.

De oude "Johan van Oldenbarnevelt" op de terugreis naar Nederland

Maandag 5 september 1949: Hoewel ik de vorige avonds mij plotseling behoorlijk ziek voelde en met de mariniers nog een rondje spugen deed, kon ik toch behoorlijk goed slapen en voelde mij ’s morgens uitgerust en fit. Voor het eerst in mijn leven ging ik me wassen en scheren met zeewater. Dat viel niet mee. Van je lekker fris wassen of douchen was geen sprake tijdens de hele reis, Zeewater verandert je haar in staaldraad en het zout blijft als een soort plaksel aan je lijf kleven vooral als je zweet. Tot mijn verbazing hielden de mariniers er nog appèl op na, ’s avonds en ‘s morgens dat ze baksgewijs noemden. Was men bij de marine bang dat er iemand over het water weg zou lopen? Of was het gebruikelijk dat mariniers regelmatig overboord sprongen? Pas dàn zou je de stand bij moeten houden. Vreemde wezens die mariniers! De eetzaal had behoorlijk grote afmetingen, maar toch niet groot genoeg om in één keer al het volk te herbergen. Het ontbijt en de andere maaltijden gingen in gedeelten. Je moest wachten tot de scheepsomroep het ruim noemde waar je was ondergebracht. Dat kon soms lang duren. Erg was dat niet want je had toch een zee van tijd op zee. Bij de warme maaltijd kreeg iedereen een knipje in de kaart, zodat je maar één keer aan kon schuiven. Het vlees was dan niet voortijdig uitgedeeld en kregen de laatste aan tafel ook nog wat. De maaltijden aan boord waren aanzienlijk veel beter dan die wij in de kazerne voorgeschoteld kregen. We aten bovendien van porseleinen borden die we niet zelf hoefden af te wassen. We hoefden dus niet te eten uit onze gore messtins. Vooral gedurende het eerste deel van de reis was er veel fruit en waren er behoorlijke porties vlees of vis. Later op de reis werd dat minder. Als eerste verdween het zachte fruit als meloen en de porties vlees werden steeds kleiner. Men raakte kennelijk door de voorraden heen.

Doorsnede/plattegrond van ons schip de "Groote Beer"

Dinsdag 6 september 1949: Wij passeerden vandaag de Spaanse kust. Jammer genoeg op afstand zodat er geen bijzonderheden over te vermelden zijn. Verder kon ik vandaag vanaf de boeg eindeloos naar de bruinvissen kijken die ons heel lang begeleidden. Ze zwommen vlak voor het schip uit. Het was een prachtig en boeiend gezicht om naar deze sierlijke dieren te kijken en hun snelheid en lenigheid te bewonderen. Soms sprongen ze boven het water uit. Dan weer doken ze weg naar grote diepte, waar ze door de helderheid van het water van de Atlantische Oceaan goed zichtbaar bleven. Toen ik na het middageten aan dek kwam schrok ik, zo dicht waren wij de kust genaderd. Het bleek de kust in de buurt van Lissabon te zijn. Wij zagen een steile, grillige geelkleurige rots heel hoog boven de woeste schuimende branding. Toen we verder voeren volgde een glooiend groen bebost landschap met witte Don Quichote korenmolens in de vorm van lage torens met een rood laag puntmutsdak. Naar ons gevoel hadden ze maar een mager wiekenstel. Ook zagen we de typische Portugese witte huisjes met fel rode daken, mooi afstekend tegen het groen; een prachtig panorama. Even later was de kustlijn weer verdwenen om na een poos weer op te duiken om ons die dag niet meer te verlaten. Deze kustlijn zag er heel anders uit: grillig gelig zandsteen met diepe kloven. Wat daar achter lag bleef voor ons verborgen. ’s Avonds rond acht uur toen het al donker werd rondden wij de Cabo de San Vincente. De "Groote Beer" veranderde van koers en ging vlak langs de kaap. Vanuit de zee gezien keken wij over het donkere indigokleurig water naar een hoek van een hoog imposant donker rotsplateau, omgeven door het schuim van de branding. Op de uiterste punt van de iets afgeschuinde hoek was in het nog resterende licht van de ondergaande zon een sprookjesachtig groot wit gebouw te zien. Het gelige licht uit verschillende raampjes gaf het geheel nog meer luister. Het was ondertussen zo donker dat ik geen foto meer kon maken. Jammer, want het was een prachtig, indrukwekkend gezicht. De vuurtoren van het complex begon precies op de tijd dat wij passeerden te schijnen. Later zagen wij nog de lichten van Sagres en andere plaatsen langs de kust maar toen was het al donker.

Woensdag 7 september 1949: Ik had geen spijt dat ik om vijf uur ’s morgens ben gewekt voor mijn dienstje als scheepspolitie. Anders had ik de Rots van Gibraltar gemist. Er gaat een machtige dreiging van uit en ik kan me indenken dat het Engeland lang met trots heeft vervuld deze rots te bezitten. Langzaam verdween de rots en ander gebergte uit het zicht en zagen we alleen maar water dat een lichtblauwe kleur had, heel anders dan de diepblauwe Atlantische Oceaan. Ook het schip gedroeg zich anders. We waren sinds de laatste dagen gewend geraakt aan de bewegingen van het schip door de golven van de Atlantische Oceaan. Die bewegingen waren nu totaal verdwenen, alleen het werken van de schroef was nog merkbaar. We zijn niet eenzaam op zee, dat merkten we al toen we door het Kanaal voeren. Soms waren er wel vijf schepen in zicht. Ook door de Straat van Gibraltar is er een heel druk scheepvaartverkeer.

 

De Rots van Gibraltar zoals ik het op papier zette

Er was ook een heel merkbare verandering in de temperatuur gekomen. De mannen kon je nu regelmatig met bloot bovenlijf op het dek aantreffen. Helaas was dat ons als scheepspolitie niet beschoren, wij moesten netjes in voorgeschreven tenue blijven rondlopen. In mijn vrije uren haalde ik een boek uit de bibliotheek. Aan dek was altijd wel een plaatsje te vinden om te lezen. De vele zitplaatsen waren allen even hard en er waren geen rugleuningen. Licht om te lezen was er genoeg want de zon stond hier recht boven je, zeker aan het begin van de middag. Onder het lezen kon ik genieten van de mooie blauwe kleur van de zee, toch wel een heel verschil met de grauwe Noordzee. In mijn bagage zat een blik jodenkoeken. Die smaakten ook heel goed onder het lezen in de volle zon.

Het wassen van mijn ondergoed stel ik zo lang mogelijk uit. Ik heb anderen daar mee bezig gezien en dat was geen bemoedigend gezicht. Het ondergoed bleef vuil en er ging zout in zitten dat door het natte zweet heel vervelend aan je vel ging plakken.  De zoutwaterzeep gedroeg zich ongeveer als de kleizeep in de oorlog. Zonder op te lossen doordrong de zeep samen mèt het zout het weefsel van de kleren. Schoon kreeg je het wasgoed er zeker niet mee en wit evenmin. Wel stijf van het zout en de klei! Het enige plezier dat het hele gedoe opleverde was dat de droogtijd minimaal was. Je hoefde je spulletjes maar op het dek uit te spreiden en de kleren waren binnen twee uren droog. Ik zou zelf met de wasperikelen nog uitgebreid te maken krijgen. Iemand dacht heel handig te zijn door zijn wasgoed aan een scheerlijn te knopen en overboord te zetten. Het resultaat viel niet mee. Door de snelheid van het schip en de kracht van het zeewater bleven alleen wat flarden van zijn onderkleren aan de lijn hangen. Of hadden vissen aan het wasgoed geknabbeld? Het experiment trok veel aandacht; plotseling waren er veel lachende omstanders. Ondertussen had ik een aantal kaarten geschreven voor de familie en een brief voor thuis. Die konden we in Port Saïd op de post doen. Vervelen deed ik mij niet want we zijn ook maar weer eens tegen de pokken ingeënt. Hopelijk komen ze dit keer niet meer op.

Donderdag 8 september 1949: Gedurende deze hele dag bleef de kust van Noord-Afrika te zien. Een heel andere kust dan de steile rotsachtige kust van Spanje en Potugal. In de verte zagen we de donkere grillige contouren van het Atlas Gebergte en daarvóór langs de zee groene glooiingen en bossages. Vanmorgen om plm. vijf uur passeerden wij Algiers. Bij het vallen van de avond waren wij op de hoogte van Bizerta in Tunis, de Franse marinebasis. Ik vernam dat wij ter plaatse een poos stil zullen liggen. Bij één van de maten is buikvliesontsteking geconstateerd en voor die operatie zijn aan boord geen voorzieningen. Hij is met een sloep gehaald en wat er dan verder met hem gaat gebeuren, hebben ze er niet bij verteld. Later kregen we bericht dat het voor het slachtoffer gelukkig goed was afgelopen. Voor ons kwam verder de mededeling dat wij naar verwachting a.s. vrijdag Port Saïd zullen bereiken.

Vrijdag 9 september 1949: Gisteravond om een uur of elf zijn wij op de rede van Port Saïd aangekomen. Diezelfde avond of liever gezegd vanmorgen om half drie maakten ze me wakker. Dat was schrikken! Het bleek dat er post was gekomen uit Nederland. Ik kreeg brieven van mijn ouders en een brief van broer Gerben en schoonzus Ali. Dáárvoor mochten ze me wakker maken! Eén van de vragen van thuis was of de rijst smaakt. Daarover was niets te vermelden, we hadden nog geen korrel rijst gehad en dat zou zo blijven gedurende de reis. De laatste dagen is het steeds maar warmer geworden en de zee steeds maar blauwer. Vanaf de tijd dat we stil liggen is het helemaal bloedheet omdat we ook de zeewind moeten missen. Na het passeren van Malta hebben we geen land meer gezien tot we gisteravond om een uur of zes zicht kregen op Port Saïd. We hebben toen een poos stil gelegen. Ik denk dat ze ons nog een plaatsje in een konvooi moesten geven. Ook moest er nog een loods aan boord komen voordat we door konden varen. Langzaam gingen we toen verder, gevolgd door nog een aantal andere schepen die ondertussen waren genaderd. De lichten en neonreclames vanaf de boulevards en de lichten van de andere schepen, weerspiegeld in het water leverden een onvergetelijk schouwspel op en het werd steeds maar mooier naarmate we dichterbij kwamen. Alles kwam zo prachtig uit! Ook de contouren van de verlichte gebouwen in Engelse koloniale stijl. Daarboven een prachtige sterrenhemel zoals je die thuis in feite nooit ziet. Tenslotte is het anker uitgeworpen. We blijven hier liggen tot zaterdagmiddag. Het schip lag nog niet op zijn plaats of we zagen van overal kleine lichtjes naderen. Het bleek dat de lichtjes behoorden bij langwerpige smalle roeibootjes bemand door twee of drie Egyptenaren in traditionele dracht. Ze kwamen overal vandaan en omzwierven al gauw ons hele schip. Eén roeide en de anderen prezen hun waren aan met de roep in de trant van: Pinda, pinda!, tass, tass, mooi, mooi souvenirs, zacht prijske, zacht prijske! Als ze dachten dat er zaken gedaan konden worden dan gooiden ze gauw een lijntje over en de handel kon beginnen. De donker gekleurde mannen waren niet erg goedkoop, waarschijnlijk omdat wij de kunst van het tawarren (afdingen) nog niet onder de knie hadden. Omdat het heel donker was aan boord is er die avond niet veel verhandeld.

De kade van Port Saïd 

Zaterdag 10 september 1949: Vanmorgen waren de kooplieden er alweer vroeg bij. Het was een kleurig gezicht die gele en witte bootjes met al die donkere mannen in hun écru witte kleding met kleurige accenten op het mooie blauwe water. De achtergrond met de pier, het strand en de uit gele steen opgetrokken badhotels leken wel iets op Scheveningen. Al gauw was er een levendige handel op gang. Met een beetje geduld bleek het goed mogelijk om een aanvankelijk dure tas van prachtig gelig leer tot een zacht prijsje van bijvoorbeeld tien gulden af te dingen. Veel aftrek vond ook de rode fez met een zwart flosje op de top. Zelf heb ik alleen tinnetjes van vijftig Engelse sigaretten (Capstan, Chief Whip en Player) voor broer Gerben gekocht. Jammer dat we van het Engelse gouvernement geen foto’s mochten maken. Het was vast een heel mooie serie geworden. Stiekem heb toch nog een foto uit een patrijspoortje genomen (zie boven). Rond twaalf uur kwam er beweging in de schepen. We voeren in de richting van de monding van het kanaal. Er waren die nacht en morgen nog een heel stel schepen bij gekomen, meest tankers. Bij de monding van het kanaal vielen de vele militaire kampen op met landingsvaartuigen, carriers, tenten etc. Het was geen wonder dat we daar niet mochten fotograferen. Daarna voeren we als het ware door de geelkleurige woestijn door het vrij smalle kanaal. Tot in de verte was geen huis te zien, niet links en niet rechts. En dat was een heel eind vanaf de hoogte waarop we stonden op het schip. Na een poosje stopte het konvooi om een konvooi van de tegenovergestelde richting voorrang te geven. We zijn in de pauze goed bezig gehouden. Een goochelaar met een leuke babbel was aan boord gekomen. Hij was gekleed in een tot de grond afhangende kaftan en hij haalde overal uit de plooien van zijn kleding en tulband series kuikentjes te voorschijn die vervolgens ook weer spoorloos verdwenen tijdens zijn babbel: Kippetje hier, kippetje daar….. We waren stom van verbazing en moesten ook erg lachen om de act die ik verder moeilijk kan omschrijven.

Tegenliggers in het Suezkanaal

Ook op de linker oever was activiteit. Mannen in Djellaba schepten met de blote hand zand in een mand en die droegen ze vervolgens op hun hoofd een eind verder waar ze de inhoud deponeerden. Daar vermengden ze het zand met cement en water en gingen met de blote hand iets voor ons onzichtbaars aanstrijken. Scheppen, kruiwagens of ander gereedschap waren niet te zien. De zinnigheid van deze arbeid ontging ons totaal. Er lag overal al zand in onoverzichtelijke hopen en of er hier of daar wat meer of minder lag zou nooit een sterveling opvallen, waarom daarmee rond te sleuren? Toen er een rustperiode aanbrak kleedden de mannen zich uit, staken het kanaal zwemmend over naar ons schip en vroegen in het water iets onduidelijks. Iemand begreep wat ze wilden en gooide een muntstukje in het water. Dat doken ze behendig op. Leuk! Meer muntstukken en doosjes met sigaretten gingen over boord. De sigaretten hielden ze boven het hoofd om ze droog te houden en zwommen daarmee naar de overkant. De muntstukken die dwarrelend in het water een weg naar beneden volgden doken ze behendig op, goed te zien in dat heldere water. Toen de muntenregen ophield keerden de mannen zich om en toonden vooral aan de nieuwsgierige verpleegsters hun enorme geslacht en speelden daarmee. Ook de verpleegsters keken geamuseerd naar dat schouwspel en waren verder niet bijster onder de indruk. Kennelijk waren ze wel wat gewend. Wij waren wel erg verbaasd! Tsjonge, jonge, die kerels voldeden volkomen aan de verhalen die wel eens over de grootte van het geslacht van Arabieren de ronde deden in Nederland. Ondertussen begon het te schemeren en de Egyptenaren verdwenen naar hun hutten, een eindje verder. Voor ons was het etenstijd en daarna slaap inhalen. Het konvooi was inmiddels verder in de richting van de Wisselmeren getrokken, waar we ook een poos moesten wachten.

Wachtend in het Suezkanaal bij de Bittermeren

Zondag 11 september 1949: De volgende morgen waren we alweer in volle zee. De kust bleef nog lang aan weerszijden in zicht, vooral de Horeb of Sinaïberg trok de aandacht. Volgens de overlevering had Mozes hier de tien geboden ontvangen. Om een uur of twaalf zagen we nog iets bijzonders. Er kwamen twee heel grote groepen ooievaars over vliegen. De hitte was ondertussen enorm toegenomen. Zweten dat we deden! In het ruim was het al 32 graden! De tropenuitrusting mocht gelukkig aan.  

Maandag 12 september 1949: Vandaag is het een belangrijke dag. We passeren de Kreeftskeerkring en naderen de Zuidelijke grens van het rijk van Neptunus, de Evenaar. Iedere landrot moet gedoopt zijn om over deze grens te mogen gaan! Die doop zou voor ons nog volgen in de Indische Oceaan. Wel een beetje aan de late kant en dat hebben we geweten! Daar liet hij zich van een barse kant zien, voor ons ongedoopte landrotten! (Zie het vervolg) Voor mij persoonlijk was het passeren van de keerkring een dubbel belangrijk moment. Behalve dat we met ingang van deze dag tropen toelage kregen, zou vandaag ook mijn dubbel tellende diensttijd ingaan. Destijds had ik nog niet het idee dat ik tot nu toe al zestien jaren plezier zou hebben van die dubbel tellende diensttijd als gepensioneerde officier KLu. Het is een mooie compensatie voor het geringe soldij dat wij indertijd kregen als dienstplichtig soldaat. (één gulden, verhoogd met een tropentoelage van twintig cent per dag!) 

Dinsdag 13 september 1949: Vandaag is het wasdag, heb ik voor mijzelf beslist. Ik had niet verwacht dat zeewater zich zó beroerd zou gedragen als waswater. Het was een totale afknapper. Ik heb daar al over geschreven. Dat het voor een menigte van acht honderd man onmogelijk zou zijn om voldoende zoet water aan boord mee te voeren om kleren in te wassen was overigens wel te begrijpen.   

Wasdag en ik kijk niet blij 

We kwamen nog een paar eilandjes voorbij. Voortdurend sprongen dolfijnen voor onze boeg uit het water. Het was een boeiend gezicht, ook omdat je de dieren prachtig in het heldere blauwe water kon volgen. ’s Avonds toen het donker was zagen we het sprookjesachtige prachtige schouwspel van een lichtende zee. Overal waar witte kopjes op de golven stonden, maar vooral bij het opspattende water bij de boeg, waar ik meestal te vinden was, sloeg de zee gloeiende vonken! Het effect lijkt wel iets op de vonken die bij het smeden van staal worden geslagen; het licht was witter maar veel minder sterk. Hoe dan ook, het was een sprookjesachtig gezicht die prachtig lichtende zee. Iedereen genoot er van.

Woensdag 14 september 1949: ’s Morgens kregen we land in zicht. We waren de Straat van Bab el Mandeb gepasseerd en voeren nu in de Golf van Aden. We naderden dus de Rede van Aden. Het duurde niet lang of we meerden aan een boei, niet ver van de kade. Nu het schip stil lag sloeg de gloeiende hitte op ons neer. De wijd verspreid liggende witte huizen en de steil naar de zee aflopende rotsen lagen te blakeren in de zon. Geen sprietje groen is te zien. Het was druk op de rede van Aden. Er lagen veel schepen te wachten om te tanken, waaronder ook een Chinees schip. Voor ons strekte zich immers de Indische Oceaan uit en om de overkant te bereiken had je veel brandstof nodig. Een uitgeworpen anker kon de olieleidingen die vanaf de wal naar vlotjes in de baai waren geleid gemakkelijk kapot trekken. Dat was de reden waarom we aan een boei waren gemeerd. Ieder vlotje was bemand door een Jeminiet in djellaba die daar maar een beperkte taak had, behalve dan het heel vaak bidden met het hoofd gericht naar Mekka op een kleedje, dat hij daarvoor uitrolde. Ik heb niet kunnen zien of de mannen ook wel eens aten of afgelost werden op hun kleine benauwde hete vlotjes. Het duurde niet lang of ons schip was opnieuw omringd met bootjes en kooplui. Dit keer was fotograferen toegestaan. De kleding van de kooplui was veel kleuriger dan in Port. Saïd. Jammer dat die kleuren niet te zien zijn op mijn zwart/wit foto’s.

Gezicht op de kust bij Aden met uitzicht op de kust

 Op de Rede van Aden

Verder kwam er nog een tanker met vers water en schepen om olie over te pompen en nieuwe voorraad te brengen. Om zes uur in de avond was alles gereed voor vertrek. De duisternis viel al gauw in en was het land niet meer te zien. Pas over negen dagen zullen we opnieuw de kust zien in Straat Soenda en dan zijn we onze bestemming dicht genaderd. Ik stel me voor deze negen dagen heel goed door te komen met het lezen van een boek uit de welvoorziene bibliotheek.

Veel scheepsverkeer rondom Aden

 Ook hier zijn weer bootjes met kooplui

Donderdag 15 september 1949: Deze en de komende dagen zou ik het liefst maar zo gauw mogelijk willen vergeten! De ellende die mij overkwam hoort echter bij de reis en dus doe ik daar toch maar verslag van. Na ons vertrek van de rede van Aden voeren we de Golf van Aden door. Vanmiddag rond een uur vier zagen wij de naakte rotsen en de zandige kust van Kaap Garda Fui waarvan de hitte ons tegemoet woei. Daarna kwamen we plotseling in een enorme deining van de Indische Oceaan. Reusachtige heuvels van water, echter zonder de schuimkoppen zoals we die eerder hadden gezien in de Atlantische Oceaan. Het leek of het schip helemaal zou verdwijnen in de golf die op ons af kwam. Net op tijd veerde het voorschip omhoog om de helling te nemen. Op dat moment van de eerste golven stond ik op de uiterste punt van de voorsteven. Vele, vele meters ging ik omhoog en bijna gewichtloos hetzelfde aantal meters weer naar beneden. Dat was niet het enige, de deining kwam van schuins voor zodat het schip behalve stampen ook ging rollen (langs de lengteas). De schroef kwam met een rommelend geluid voortdurend boven water en dan voer er een rilling door het schip. De gezagvoerder gaf opdracht het voorschip te ontruimen wegens de kans op overslag van de golven op het voordek. Het duurde niet lang of meer dan de helft van de mannen, ook ik, moest tol betalen aan Neptunus. Toen ik misselijk mijn kooi opzocht moest ik eerst weer de verschrikkelijke naar oude hond stinkende koelmachine bij de ingang van het ruim passeren. Toen kwam ik in de slaapruimte waar zich overal kringetjes hadden gevormd van mariniers en anderen rond emmers en teilen, zoals al eerder op de reis was gebeurd en ik stond ook al  gauw bij een teil. Behalve dat het stikheet was rook het daarbinnen ook niet fijn wat de beroerdigheid nog meer in de hand werkte. Toen ik eenmaal in mijn kooi lag kwam ik er niet meer uit. ’s Nachts heb ik slecht geslapen doordat allerlei vaten, flessen en blikken met veel lawaai over de vloer heen en weer rolden met de bewegingen van het schip. Niemand had kennelijk de puf om die dingen van de vloer te halen.

Vrijdag 16 september 1949: Vandaag kon de wereld mij gestolen worden, mijzelf incluis. Ik ben er alleen even uit geweest om toch wat sneetjes brood te eten. Ik heb ook ontslag gekregen als Scheepspolitie. Op dat moment interesseerde mij dat niets. Later had ik daar wat gemengde gevoelens over. Roem, inkomen of aanzien leverde die functie niet op. Moeilijk was het ook niet om één of twee uren aan één stuk op wacht te staan, want ik had steeds uitzicht op zee. Vooral de zonsondergangen zijn schitterend; allerlei kleuren rood, geel, oranje met het contrast van de donkere wolkenflarden en de diep blauwe zee. Ook het voorbij schietende water en de golven vervelen nooit, maar het is toch niet prettig als je voor je gevoel tekort bent geschoten.

Zaterdag 17 september 1949: Vandaag ging het iets beter en in plaats van vier, heb ik zes sneetjes brood gegeten en behalve thee ook een flesje frisdrank leeg gedronken. De wereld interesseerde mij nog steeds niets!

Zondag 18 september 1949: Ik kreeg wat meer energie, vermoedelijk ook doordat de deining langzamerhand minder werd. De broodmaaltijden heb ik als normaal naar binnen gewerkt. Vanmorgen kregen we een belangrijke gast aan boord: Neptunus. Dat wilde ik niet missen, ook al moest ik daarvoor eerst weer aan Neptunus offeren. Omdat een Sobat in de Bantammer nr. 33 (juli 1997) van deze gebeurtenis een mooi verslag maakte zal ik hem verder aan het woord laten:  

NEPTUNUS

Hij is de heerser der zee, een vier maal zo grote oppervlakte als het land. Die beheerst hij met zijn drietand. Zijn macht is groter dan van wie ook op aarde. Zijn grote rijk is moeilijk te besturen. Daarom heeft hij het in tweeën verdeeld. De evenaar vormt de grens tussen het Noordelijk en het Zuidelijk deel, maar in het  Noorden ligt bijna al het land. Daar zijn andere heersers. Vaak begeven zich onderdanen van de heersers van het land (landrotten zijn dat) brutaalweg in het gebied van Neptunus. Soms schopt hij dan grimmig zijn zee op tot een woestenij van torenhoge golven; soms laat hij hem rustig begaan. In het Noorden is zijn macht beperkt, in het Zuiden is dat anders. Daarom staat hij geen van die vermetele landrotten toe daar te komen zonder een proeve van bekwaamheid te hebben afgelegd en hen te vonnissen over de daden die niet naar zijn genoegen waren. Nu komt hij bij ons op de 'Groote Beer'. We staan rijen dik om de plaats waar hij de vierschaar zal spannen. Daar is ook een grote bak met water, waarin de doop moet plaats hebben. Daar komt de scheepskapitein. Hij zal Neptunus welkom heten. De scheepshoorn loeit! Bengaals vuur vlamt op! Dan komt een wonderlijke stoet het dek op. Woeste rabauwen van de bodem der zee, die met deksels van vuilnisemmers helse ketelmuziek maken. Daarachter de Heerser met Vrouw en Dochter. Zijn helpers op de hielen. Hij is dik en rond. Zijn naakte bovenlijf bedekt met zwarte en rode bliksems en een raar brilletje op zijn neus maakt een bespottelijke indruk.

Het spel gaat beginnen. Heel wat sterren en strepen zijn in de loop van de morgen in hechtenis genomen door één van de zeemensen, die – al zag hij er ook nog zo afschrikwekkend uit – verdacht veel op onze Compagnies Commandant leek. Nu worden ze voorgeleid. De secretaris leest door de scheepstoeter de beschuldigingen voor en Neptunus velt het oordeel. Eerst moeten een paar zusters er aan geloven. Ze worden met enige clementie behandeld, maar ontkomen er toch niet aan, dat hun mond wordt volgestopt met zeegebak. Het lijkt wel groene zeep! Allen worden door een paar potige kerels in de bak gesmeten met zeewater. Na de schrik van de plons word je door een heel dik, vet, rood met zwart monster aangegrepen. Hij zorgt dat je op de raarste manier het water weer uit komt. De aalmoezenier heeft het ongenoegen van de Heerser opgewekt door het knipogen naar de zeemeerminnen. De zeedrank die hij voor straf moet drinken bevalt hem zeker wel! Hij vertrekt geen spier, terwijl de rare gezichten van de anderen niet veel goeds doen vermoeden omtrent de drank die op de bodem der zee wordt genuttigd. Eén van de veldpredikers moet aan de schandpaal, terwijl zijn collega hem moet scheren, d.w.z. inzepen met zeewier pap, zo vies, groen en glibberig als ik nooit heb gezien. En dan dat goedje weer af te krabben met een mes, waarmee gemakkelijk een olifant was te slachten, als het maar niet van hout was geweest. Ook de arts en de tandarts zijn de klos. Bovendien bleek dat er onder ons een soldaat was met korporaals neigingen. Ook hij is ter verantwoording geroepen. De handlangers van de Heerser (bij nader inzien allen lid van de bemanning) worden baldadig. Ze nemen de dochter van hun Heer, die zo zwaar zit te roken dat er brandgevaar bestaat voor haar goud blonde lokken van uitgeplozen touw en laten haar ook kopje onder in het water duiken. Ze komt er uit als een blozende jongeling. Dat doet Neptunus verbolgen uitroepen: 'Waar is Uw Vrouwelijke Waardigheid gebleven jongeling?'. Hij heeft nu de smaak te pakken en laat zijn Vrouwe hetzelfde ondergaan. Het resultaat is verbluffend. Haar attributen zijn maar voor de helft weggespoeld. Dat geeft een wonderlijk tweeslachtig effect. Nu is de zaak pas in volle gang. De helpers overgieten elkaar en de slachtoffers met liters van de zeewierpap die verdacht veel naar verrotte vis ruikt. Het is voor velen moeilijk de ogen open te houden. Neptunus wordt het te benauwd in de kleverige groene mensenklomp. In al zijn waardigheid daalt hij af in het water. Tot slot worden alle waterspuiten die aan  boord maar te vinden zijn op de samengepakte menigte gericht. Het gejuich van de mannen gaat bijna verloren in het gegil van de zusters. Toch is het maar ongeveer 1 tegen 30 à 40 mannen. Een poedelnatte menigte is nu geschikt bevonden door de Zuidelijke Zeeën gedragen te worden door een  'Groote Beer'!

 Met dank aan Sobat F. S. van Dam.

Een mooi feest, ik genoot en al was warm eten mij nog te machtig, ik voelde mij toch goed genoeg om die avond de film aan dek te zien en te genieten van de prachtige zonsondergang. Van tijd tot tijd zien we scholen vliegende vissen. Het is een merkwaardig gezicht die vissen van golftop tot golftop te zien zeilen  met hun grote vinnen.

Maandag 19 september 1949: Vanmorgen voelde ik mij weer erg beroerd en bleef op bed. Dan verdwijnt de misselijkheid grotendeels. ’s Middags heb ik mij gedoucht en heb weer een stukje brief met mijn belevenissen naar huis geschreven. Verder was er weer een avondfilm aan dek, dit keer over de inval van de moffen in de landen van West-Europa. Daarnaar kijkend word je weer kwaad!

Dinsdag 20 september 1949: De zeeziekte kreeg langzamerhand minder invloed op mij. De medische dienst reikt nu voortdurend allerlei pilletjes uit, o.a. kinine en zouttabletten. Je merkt, we naderen Indië. Ook worden we de laatste dagen steeds maar verplicht naar Amerikaanse instructiefilms te kijken. Die vergasten ons in kleur en gelukkig geen geur, wat gebeurt wanneer je venerische ziekten onbehandeld laat. Nou, dat liegt er niet om! Grote kleurrijke zweren op alle mogelijke lichaamsdelen, verrotting in allerlei stadia, ook weggerotte piemels en niet te vergeten krankzinnigheid wegens vraat in de hersenen. Of dit soort waarschuwingen in de dagelijkse praktijk iets zullen uitwerken? Ik denk dat ze beter wat aan een bredere voorlichting hadden kunnen doen en voor de liefhebbers condooms uit te reiken. We arriveren in Batavia over nog maar enkele dagen. Dat zal me niets spijten met die voortdurende misselijkheid, vooral in de morgen. Er was vanavond een cabaretvoorstelling van eigen krachten. Er zit talent onder de opvarenden zodat het publiek enthousiast was en dat ook duidelijk lieten blijken. Het was ook voor mij een heel mooie avond.

Woensdag 21, donderdag 22 en vrijdag 23 september 1949: Op vrijdag hadden we het afscheidsdiner waarbij de Stoomvaart Maatschappij 'Nederland' goed had uitgepakt; pasteitje, soep, lekker stukje vlees, ijs enz. Ook een flesje bier er bij.

Waaruit ons afscheidsdiner bestond

Verder gaan de dagen een beetje in de routine. Helaas heb ik bij het doorvaren van de Straat Soenda geen land gezien. Het was te donker. Ongemerkt zijn we ook de Rede van Bantam voorbij gevaren, waar Houtman en de Keijzer in 1595 arriveerden na een tocht van 8 maanden over de Indische Oceaan. Wij waren nog onwetend dat ons bataljon zijn werkterrein zou vinden in Bantam, het uiterste Westelijke stukje Java. Een paar leden van ons bataljon heeft in de tijd dat wij in Bantam waren gelegerd vanuit Tangerang de Rede van Bantam bezocht. Ze deden daarvan later verslag in De Bantammer, het reünistenblad van het bataljon. De mannen vonden daar nog de resten van de Portugees/Nederlandse factorij. Begrijpelijk dat de hoofdvestiging van de VOC later is verplaatst naar Batavia. Het stikte in Bantam nog steeds van de muskieten en het was daar verstikkend heet en vochtig. De bezoekers wilden dan ook zelf graag weer weg van deze plaats!

Een begeleidend afscheidswoord van de COT

Zaterdag 24 september 1949: Toen wij ’s morgens aan dek kwamen naderden we de haven van Tandjong Priok, de haven van Batavia. Daar gingen we voor anker in de buurt van een eilandje (Onrust?) We moesten wachten tot zondagmorgen voor de debarkatie. We vermaakten ons door te kijken naar de zeilbootjes, onder andere BM’s, bemand door blanke jongelui. Dat zag er weer erg Nederlands uit ondanks de palmbomen en de mangrove.

Zondag 25 september 1949: Vandaag was de grote dag van de debarkatie. Ik zou mijn maten van het 2e peloton van de A-Compagnie terug zien waarmee ik al die tijd geen contact meer had gehad, omdat ik in een ruim op het voorschip was te vinden en zij op het achterschip. Uiteraard mochten we de barrière van de gegradueerden in het middenschip niet passeren.  

  EPILOOG

Havenhoofd Tandjong Priok  

 

De trein staat gereed voor Bantam

Vlak bij de kade, waar de "Groote Beer" lag, hadden we appèl op het rangeerterrein. Daar stond de personentrein al klaar om ons naar een voor ons nog onbekende bestemming te brengen. Dat bleek voor ons, de A-Compagnie, Rankasbitung te zijn in Bantam. Dat is in de literatuur een historische plaats. Hier was Eduard Douwes Dekker, schrijver onder pseudoniem van Multatuli, het beroemde boek 'Max Havelaar' assistent-resident bij de regent van Lebak geweest. Van de  A-Compagnie ging het 1e en het 2e peloton ruim een week later naar Pamarajan, waar wij in een voormalig wrak desaschooltje een voorlopig onderkomen vonden tot de overdracht aan de 'polisie' van de republiek, midden december. Het 3e poloton van plm 25 man ging naar Pandeglang, een heel eind naar het Westen aan de spoorlijn naar Serang.

Na de komst van de Nederlandse troepen tijdens de 2e Politionele Actie was het een zeer rustige streek geworden en we hebben daar een prettige tijd gehad, ik kan het niet anders zeggen. De patrouilles gingen door een beeldschoon panorama van sawahs, lage heuvels met op de top kampongs onder de begroeiing. In de verte was het silhouet van een mooie kegelvormige vulkaan te zien. De mensen daar waren soms schuw maar daarna uiterst vriendelijk en er was uiteindelijk volop contact over en weer. (handel, EHBO, voetbal, slamatans al of niet met gamelan, de wilde zwijnen jagen die schade aan het gewas veroorzaakten, enz.). Het bataljon is eind december 1949 opgeheven en verspreid geraakt over de hele Indische archipel om opengevallen plaatsen van de eerste repatrianten op te vullen. Zelf kwam ik bij het KNIL (Koninklijk Nederlands Indisch Leger) in Batavia terecht in de functie van schrijver bij de 'Centrale Doorgangskampen Batavia' in Kamp Makassar. In december 1950 keerde het bataljon terug met de "Nelly". Ik volgde  een paar weken later met de "Zuiderkruis", een zusterschip van de "Groote Beer". De reis verliep gelukkig zonder zeeziekte maar koud dat het vanaf de Rode Zee was! Brrrrrr! Er was geen enkele verwarmde ruimte. Ik was nog nèt voor oudjaar terug bij mijn ouders in Leeuwarden.

Onze villa in Rankasbitoeng

De tangsi in Pamarajan 

(Bijna ieder jaar gaan mijn vrouw en ik in september naar Roermond om te gedenken en ook om onze dankbaarheid te tonen omdat het bataljon zonder verliezen aan kader en manschappen gelukkig is teruggekeerd in Nederland.)

 'Staatsieportret' dpl. soldaat 1e klas Joop de Jong, rnr. 29.11.03.178. 

Op zee september 1949 en Zevenaar januari 2011.