De thuisreis van het Tweede Mitrailleur-Bataljon 
(Uit het dagboek van Pieter Walraven en het Gedenkboek) 

Beschrijving van mijn reis met het troepentransportschip "General Stuart Heintzelman" naar Holland. Mijn thuisreis met het "General Stuart Heintzelman" begon op 21 maart '50 vanuit Tandjong Priok en eindigde ruim drie weken later op 13 april '50 in Amsterdam. Dit verslag kan ik doen, omdat ik na 60 jaar nog steeds beschik over mijn dagboek, foto's en dokumenten en het gedenkboek dat ons bataljon over de periode 1947 tot 1950 uitgaf.

Het ss "General Stuart Heintzelman"

Voorwoord

Op 27 december 1949 werd de soevereiniteit over Nederlandsch-Indië officieel overgedragen aan de Verenigde Staten van Indonesië. Hiermee was een eind gekomen aan de rol van het Nederlandse leger in Ned. Indië en kon men aan de repatriëring van ongeveer 100.000 militairen naar Nederland beginnen. De Nederlandse regering zou zijn militairen zo snel mogelijk naar huis willen transporteren, maar werd hierdoor genoodzaakt om extra schepen te charteren. De "General Stuart Heintzelman" was daar één van. De Amerikanen hadden een groot aantal troepentransportschepen nodeloos aan de kade liggen, waaronder een aantal zogenoemde 'General schepen'. Twaalf van deze schepen zouden voor de Nederlandse regering vijftien reizen naar Holland gaan verzorgen en de "General Stuart Heintzelman" was hier de eerste van.

Generaal Stuart Heintzelman (1876-1935) kwam uit bekende militaire familie. Zijn grootvader was ook generaal en die had tijdens de Amerikaanse burgeroorlog gevochten. Het schip met deze naam kwam in augustus '45 in de vaart, maar had slechts één reis met displaced persons gemaakt, die vanuit Bremerhaven naar huis keerden, maar verder had het al die tijd aan de kade gelegen. Tijdens haar reis naar Holland voer het onder commando van de U.S. Marinemensen, maar verder bestond de bemanning uit zeelieden die blij waren dat ze weer eens konden varen.

Soerabaja

Dinsdag 7 februari '50: Ons bataljon, gepokt en gemazeld door intensieve deelname aan de militaire acties van september 1947 tot december 1949 op zowel West- als Oost-Java, zou spoedig aan de beurt zijn om naar huis te keren. Voor het Tweede Mitrailleur-Bataljon begon de terugreis naar Holland met een korte zeereis van Soerabaja naar Tandjong Priok met het s.s. "Van Outhoorn". Vanochtend om 07.00 uur waren we al aan de kade van Tandjang Perak en om 12.00 uur scheepten we in. We werden uitgeleide gedaan door een drumband en om 14.00 uur vertrokken wij. Voor de laatste acht man die aan boord kwamen, waaronder ik, was geen plaats meer op het voorschip, dus kwamen we bij de onderofficieren op het achterschip en gezien de ligging viel dat erg mee. We vervelen ons wel en het weer is niet al te best.

Woensdag 8 februari '50: We zitten de gehele dag op zee. Omdat het brood aan boord erg goed is wordt er nu meer gegeten dan op het vaste land. 

Tjimahi

Donderdag 9 februari '50: Om 10.00 uur komen we aan in Tandjong Priok. Majoor Bakker was er o.a. Om 13.00 uur gingen we met trucks van de AAT naar het station en om 15.00 uur vertrok de trein. Eerst om 21.00 uur kwamen we in Tjimahi aan. De route ging over Purwakarta. Onderweg genoten we van het prachtig natuurschoon, dat op West-Java veel mooier is dan op Oost-Java. De laatste 50 kilometer ging door de bergen, we zijn wel door 25 ravijnen gegaan, waarbij sommigen met een diepte van wel 30 meter. Het was prachtig, vooral toen het donker werd en de vonkenregen van de locomotief langzaam in de diepte verdween als we door een ravijn reden. We kwamen het station binnen rollen en wat kregen we meteen te horen ... Pittige marsmuziek. Zo'n ontvangst hadden we nooit verwacht. Vervolgens gingen we naar het kamp in Tjimahi en wat zagen we daar. Echte bedden met matrassen en ook nog eens kastjes erbij. Wat een weelde, wat een weelde. Dat hadden we zeker niet verwacht. Het was nog beter dan in Harderwijk. We mandiën ons, het water is behoorlijk koud, maar daar knapten we van op en na het eten wat ook al klaar stond, waren we vermoeid maar hadden we wel een heerlijk gevoel. Niets dan lof voor deze ontvangst. In dit kazernecomplex vlak bij Bandoeng wachtten we het definitieve vertrek naar Nederland af.

Vanaf dat moment gaat het geruchtencircuit goed van start. Er wordt ons eerst medegedeeld, dat we op 27 maart met de "Nelly" (een Noors schip, maar volgens anderen een Griekse) de reis naar huis zullen beginnen. Juist als bijna iedereen zijn familie in Holland heeft geschreven, dat we op 27 maart zullen vertrekken, wordt dat veranderd in 4 April. Ook deze datum houdt niet lang stand, want nu wordt weer gezegd, dat we op 14 maart zullen vertrekken met een Amerikaans schip de "General Stuart Heintzelman". We moesten onze geliefden in Holland dus weer een ander scheepsadres doorsturen. Inmiddels beginnen we aan het opmaken van onze laatste centjes. Op het moment dat we hierin tot onze volle tevredenheid zijn geslaagd, komt er een telegram dat het vertrek pas op de 17e zal zijn. De stemming daalt nu dus echt tot ver beneden nul. Ondertussen zijn we door de dokter nog eens goed bekeken en beknepen, voor de zoveelste maal ingeënt met een stofje tegen de pokken, doorgelicht en daarna waardig bevonden om huiswaarts te keren.  

Fragment uit mijn dagboek van 17 maart '50

Vrijdag 17 maart '50: We zitten we nog steeds in Tjimahi op onze boot te wachten. Dat ding heeft enige vertraging en loopt tenslotte op de 19e pas binnen. Toen er geen nieuw bericht van uitstel kwam, begonnen we opnieuw, zij het nu met enig wantrouwen, onze laatste centen uit te geven, terwijl de foeriers en de verplegingsofficier vol ijver begonnen waren met het tellen van tafels, stoelen, bedden en het opmaken van de nodige staten. Ons Hollands uniform hebben we intussen ook al gekregen, zodat we klaar zullen zijn voor ons vertrek.

De uiteindelijke thuisreis

De mannen, die tijdens de thuisreis aan boord corveediensten zullen verrichten, vertrekken de 19e naar het tegenwoordige Jakarta en gaan diezelfde dag aan boord. Vanuit Tjimahi gaat de reis weer over een bergpas, met dit verschil, dat we nu veelal dalen. Na een reis vol ergernisssen komen we in de middag bij het station van Tandjong Priok aan, waar de trucks van de AAT alweer klaar om ons naar de boot te vervoeren.  

Maandag 20 maart '50: Alles gaat nu ineens vlot, we kunnen vrijwel direct aan boord gaan. Even kunnen we nog voelen, hoe zwaar onze koffers en plunjezakken zijn, terwijl we al zwetend en steunend en over onze eigen benen struikelend, langs een zevental tafeltjes moeten strompelen. Zesmaal vraagt men ons of we inderdaad wel Zus en Zo zijn. De man achter het zevende tafeltje vraagt niets, maar duwt ons een kaartje in de mond omdat wij onze handen vol hebben. We strompelen verder en op het moment dat we denken eindelijk eens voor de kantinewagen te staan, staan we al bij de loopplank van het schip. We richten onze gebogen hoofden, voor zover onze drukkende plunjezak dat toelaat, wat op en zien een tamelijk steil oplopende plank, waar jongens voor ons al vloekend en zuchtend tegenop kruipen. Iedereen volg het goede voorbeeld op van zijn voorganger en weldra zijn we allemaal boven. Daar staat een kerel, die een vluchtige blik op het kaartje in je mond werpt en snauwt: Rechtsaf! Zone zes 'E'-dek en doorlopen alsjeblieft!

 

Deze maaltijdenkaart vermeld de slaapplaats op het 'E'-dek

Het historische moment, waarop je met één voet nog op Indische bodem en met de andere op de loopplank staat, zullen de meesten zich wel niet meer herinneren. Noch het afscheid van Java, noch het feit dat we hier aan het begin van onze laatste etappe staan, zal enig gevoel van weemoed of verlangen in ons opwekken. De meeste belangstelling nu trekt waarschijnlijk onze Legercommandant, Generaal Buurman van Vreeden en een hoge vertegenwoordiger van het koninkrijk Dr. Hirschfeld, die in gezelschap van enkele andere hoge officieren een kijkje komen nemen aan boord. Helaas kunnen ook zij ons niet uit onze stemming van lauwe onverschilligheid halen. De enkele woorden die de legercommandant via de scheepsomroep tot ons spreekt, worden zonder enige belangstelling aangehoord. Het vaststellen dat we onze vaderlandse plicht hebben gedaan en de opwekking om het verloop der gebeurtenissen in Indonesië te zien op een hoger plan, zodat de gebrachte offers niet tevergeefs waren, hebben we inmiddels al te vaak gehoord. We zijn niet weemoedig en we zijn ook niet blij gestemd, maar we zijn wel indolent als om 18.00 uur de trossen worden losgegooid en we onder de tonen van het Wilhelmus de haven uitglijden.

Een muziekkapel speelt het Wilhelmus

Dinsdag 21 maart '50: Tegen het vallen van de avond gaan we in Straat Soenda alweer voor anker om de volgende dag de reis weer voort te zetten. Tegen de middag zien we dan het laatste stukje van de veel geroemde en veel vervloekte Gordel van Smaragd aan de horizon verdwijnen.  Het blijkt dat ik in mijn dagboek zorgvuldig ieder dag de afgelegde zeemijlen heb genoteerd.    

Colombo (Ceylon)

Zaterdag 25 maart '50: In de ochtenduren komt Ceylon in zicht komt en na de middag lopen we de haven van Colombo binnen. Hier zal brandstof worden ingenomen en mag een deel van ons vanavond van boord om in de stad te gaan passagieren. Dat was voor velen van hen een grote luxe.  

 

Fragment uit mijn dagboek van 25 maart '50

Zondag 26 maart '50: De volgende morgen kliefde onze 'General' alweer vroeg de golven der Indische Oceaan. In reisverhalen leest men vaak romantische stukjes over dit soort tropenzeeën. De schrijver raakt dan veelal in extase door de exotische pracht van een eiland vol grillige bergtoppen, de stranden, bezaaid met wuivende palmen. Of hij beschrijft hoe het op zonnige dagen kan gebeuren, dat er zo zomaar grote vliegende vissen op dek terecht komen. Hoewel wij ervan bewust zijn dat er meer en waarschijnlijk betere tropenzeeën zijn dan deze vervloekte Indische Oceaan. In ieder geval is voor ons hier niet veel te zien om van in vervoering te geraken. Zo nu en dan worden er wel een paar vliegende visjes van maximum tien centimeter waargenomen. Meerdere malen zien we ook enkele nieuwsgierige dolfijnen, die boven water uitspringend het schip observeren of een eindje mee zwemmen, maar dat is dan ook alles. Het is hier niet zomaar heet. Nee, het is hier gloeiend heet! Het zweet drijft de gehele dag in straaltjes van je lichaam.

Een Nederlands schip passeert op de Indische Oceaan

Dinsdag 28 Maart ’50: Gisteren in de cafetaria gewerkt, dat is tot op heden best wel aardig werk en de dag vliegt zo om. Verschillende baantjes zijn er te verdelen en aan ontspanning wordt nu meer gewerkt, zoals af en toe grammofoon­muziek. Al met al is het hier heel wat beter dan op de heenreis met de "Volendam".

 

De scheepskrant Het Laatste Lootje 

Donderdag 30 maart '50: Het is een hele opluchting, als we in de ochtend van 30 maart met Kaap Quardafui de uiterste Oostpunt van Afrika uit zee zien oprijzen. We varen nu de Golf van Aden in. De temperatuur zakt langzaam tot het dragelijke en als we voorbij Perim in de Rode Zee komen, worden de avonden ook al snel kouder. De nabije woestijn laat hier blijkbaar zijn invloed gelden.

De kust bij Aden

Suez

Maandag 3 april '50: Met de "Groote Beer" in onze kielzog komen we op de rede van Suez aan en hier laten we het anker vallen. Hoewel we hier al om 09.00 uur aankwamen, moeten we tot vanavond wachten, voordat we het Suezkanaal mogen binnenvaren. Het is hier bitter koud op de rede en er staat bovendien een onaangename deining. Ten gevolge van zandstormen schijnt de scheepvaart door het kanaal gestremd te zijn, zodat we ook deze nacht op de rede zullen doorbrengen. De volgende morgen gaan we echter als een der eersten het nauwe vaarwater van het kanaal op. 

De 'Jeruzalem-expres' raast voorbij

Veel bijzonderheden levert de tocht naar Port Saïd niet echt op. Wel verbazen we ons over dit stuk mensenwerk en zijn we vol belangstelling voor alles, wat er op de oever te zien is. Zo zien we een trein voorbij komen en even later passeren we een spoorbrug. Heel apart is ook een ponton in het kanaal, die het oversteken van treinen mogelijk maakt. Laat in de avond als we vlak voor Port Saïd zijn, passeren we een aantal schepen die langs de oever stil liggen, zodat wij kunnen passeren.  

In het Suezkanaal langs een spoorbrug

Een overzetponton voor treinen in het Suezkanaal

Port Saïd

Dinsdag 4 en woensdag 5 april '50: Om 23.00 uur wordt Port Saïd bereikt en ondanks het late uur ontplooit zich nog een levendige handel in lederwaren en kleedjes. We maakten hier een maansverduistering mee, zoals uit mijn dagboek blijkt. Degenen onder ons die onder de wol zijn geschoten, met het voornemen om de volgende ochtend de nodige inkopen te doen, kijken 's ochtends raar op als zij ontdekken, dat ons schip inmiddels de Middellandse Zee doorklieft. Al om 03.00 uur was het schip uit Port Saïd vertrokken en toen lag iedereen natuurlijk nog in dromenland. Wel waren er post en rookartikelen aan boord gekomen en dat vergoede alles. 

De watertorens bij Port Saïd 

Zondag 9 april '50: Na een dag met ruw weer en enkele koude dagen, komt vanavond de Rots der Eeuwen weer in zicht. Weldra zullen we ons in de Straat van Gibraltar bevinden en dan ligt bijna de Atlantische Oceaan alweer voor ons.  De reis begint dus gelukkig op te schieten.

Gibraltar met haar schitterende krijtrotsen 

Na de Straat van Gibraltar wordt de reis over de Atlantische Oceaan in noordelijke richting voorgezet. Enkele uren later wordt de deining van de zee alweer goed merkbaar. Ook nu blijken de laatste loodjes het zwaarst te wegen. Het wordt steeds kouder en de Golf van Biskaje laat, hoewel daar geen storm staat, onze 'General' toch rare sprongen maken. Ook nu weer blijken meerdere magen hiertegen niet bestand, zodat veel kostbare Amerikaanse calorieën verloren gaan. Als we deze beruchte Golf eenmaal gepasseerd zijn, wordt het leven aan boord weer iets dragelijker, ondanks dat een koude Europese wind ons blijft plagen. De wetenschap dat we enkele vreemde werelddelen achter ons hebben gelaten, stemt ons echter optimistisch.

Afscheid van onze Bataljons Commandant

Nu wij het Vaderland naderen neemt onze Bataljons Commandant Luitenant Kolonel J. Hofs officieel afscheid van zijn mannen, waartoe hij het volgende bulletin uitgeeft. De Rots der Eeuwen. Aan alle mannen van het Tweede Mitrailleur-Bataljon: De dagen van ons Bataljon zijn geteld. Nog slechts een kleine week en dan zijn wij terug in Holland. Hierdoor is de opdracht die wij meekregen, om het brengen van orde en rust en veiligheid in Ned. Indië komen te vervallen. Niet lang meer zal ik het bevel voeren. Dat is dan geweest. Doch niettegenstaande dat, geef ik iedereen een uitdrukkelijke opdracht mee bij het verlaten van het – neen, beter is ons – onderdeel.  Zie tot iedere prijs een betrekking, functie of baan te krijgen en bouw van hieruit uw verdere toekomst op. Daarin moet U slagen! Zeker, ik weet wel dat dit moeilijk zal zijn. Doch om dit te boven te komen, roep ik voor U op, de geest van ons Bataljon: Aanpakken en niet afwachten! Dan komen de compagniesemblemen aan de beurt en vervolgens: Wees actief en laat niets aan het stomme domme toeval over. Handel bewust, maar sla dan ook voor de volle 100 % toe. Moge er ondanks dat toch moeilijkheden optreden, denk dan aan ons trotse gezegde: Een klein beetje Mit-Bat! Dat zal U steunen om met dezelfde kracht en ambitie voort te gaan. Hiermede wil ik eindigen en ik wens mijn jongens een prettig en verdiend verlof, doch vooral succes in zaken toe.  

We naderen het laatste deel van de reis

Woensdag 12 april '50: Voor het vallen van de avond passeren we het Britse eiland Wight en nadat de zon is ondergegaan, varen we langs de Britse kust op weg naar Dover. Daar zal de post voor de bemanning aan boord komen. Het is dan al laat en inmiddels erg koud geworden. De volgende morgen varen we langs de Hollandse kust. Na bijna drie jaar zien we het Vaderland weer voor ons, al is het dan nog maar een smalle wazige streep van de duinen. Van enige emotie valt dan nog niet veel te bespeuren. De traditionele brok in de keel ontbreekt ook ditmaal. Al gauw komen een jager en een bommenwerper ons begroeten.

 

De loods komt aan boord

Donderdag 13 april '50: Langzaam maar zeker naderen we IJmuiden en gespannen turen talrijke ogen in die richting. Er worden eerst nog moppen getapt, maar de spanning om de te verwachten familieleden aan de kade stijgt nu ook. Als de boot vlak voor IJmuiden geheel stil komt te liggen, wordt er nog eens flink uitgefoeterd. Niet alleen omdat we nu toch wel eens een einde aan deze reis willen maken, maar ook omdat het zo 'bar dingin' is. Ja, het is dus erg koud. De fletse zon die helemaal geen kracht schijnt te hebben, is niet in staat om ons te verwarmen. Na een uur wordt de reis weer voortgezet en komen de pieren nader en nader. Er hangt nu een gespannen sfeer aan boord en de stilte wordt voor het eerst verbroken, als we op de pieren een massa wachtende en wuivende vrienden en familieleden ontdekken.  

Onze 'General' in de sluizen van IJmuiden

Hoewel we op deze afstand onmogelijk iemand kunnen herkennen, zwaaien en schreeuwen we even hard terug. Langzaam varen we het Noordzeekanaal op. Overal staan opgewonden groepjes mensen langs het kanaal ons toe te wuiven. Bij de sluizen van IJmuiden is het aan de kade een drukte van jewelste, sommigen dragen borden met daarop de naam van een terugkerend militair, om hiermede de aandacht te trekken. We zijn door dit alles toch wel ontroerd geraakt.

Aankomst Amsterdam

Een sleepboot met wuivende familieleden passeert ons schip

Er heerst nu ook aan boord een stemming van blijdschap en verwachting. Ondanks de grote afstand worden er namen geroepen, welke we helaas niet kunnen verstaan. We roepen maar iets terug. Het laatste stukje naar onze eindbestemming in de Amsterdamse haven kan wat ons betreft meteen beginnen. Eenmaal uit de sluizen zal het niet lang meer duren dat het schip aan een van de kades van het SMN-complex aanmeert. De reis zit er dan eindelijk op en iedereen wacht geduldig op zijn beurt om het schip te mogen verlaten. Het werd een drukke dag, een dag van veel bloemen, vlaggen en blijde mensen. 

Het debarkeren is begonnen

Fragment uit mijn dagboek van 13 april '50: THUIS! We zijn eindelijk weer thuis!

  Met dank aan Pieter Walraven, dienstplichtig soldaat bij het Tweede Mitrailleur Bataljon.