'Ere Sobat', reisverslag van de Verbindingsdienst X-Brigade
  (John van Ingen)

De opleiding

Met het doel om uitgezonden te worden naar Nederlands Oost-Indië (het hedendaagse Indonesië), werd door het korps Verbindingstroepen een speciale eenheid geformeerd. Deze eenheid bestaat grotendeels uit oorlogsvrijwilligers (OVW-ers) en een aantal reserveofficieren die al in de jaren van vóór 1940 als dienstplichtig militair werden opgeroepen. Deze militairen zijn verdeeld over twee hoofdgroepen, de eerste zijn militairen die bij de school voor Verbindingstroepen in Den Haag gelegerd zijn en de tweede militairen van de Haagse Frederikkazerne. Beide groepen krijgen een gerichte technische opleiding als verbindingspecialisten, zoals lijnwerkers, radiotelegrafisten, radiomonteurs, ordonnansen, medewerkers voor berichtencentra, chauffeurs en monteurs voor het rollende materiaal. Daaraan wordt ook een eenheid toegevoegd die een speciale gevechtsopleiding heeft ondergaan, geïnstrueerd door instructeurs van het Korps Commandotroepen. Deze opleiding wordt gegeven in kamp Vilheide te Mill en Wanroij. Na afronding worden ze overgeplaatst naar Den Haag en ingedeeld bij het korps Verbindingstroepen en gelegerd in de Alexanderkazerne. Ze zullen voornamelijk worden ingezet als chauffeur of als motorordonnans bij verschillende Verbindingsafdelingen en onderverdeeld bij diverse brigades over de gehele Indische archipel.

Uit de groep die een technische opleiding tot verbindingspecialist hebben gevolgd, worden een aantal jongens geselecteerd om in aanmerking te komen voor een kaderopleiding. Deze leiding wordt gegeven in de Frederikkazerne. De Frederik- en Alexanderkazerne staan overigens met hun ingangspoorten pal tegenover elkaar aan weerszijden van de straat. Zodra alle opleidingen zijn afgerond (en dit dan in het bijzonder die voor Verbindingspecialisten), wordt iedereen ondergebracht in het quarantainekamp achter de Frederikkazerne. Dit kamp bestaat uit een groot aantal tweepersoonstenten met centraal gelegen een commandopost. De commandant hiervan is Grootmajoor A. van Ramshorst.

Het quarantainekamp achter de Frederikkazerne

Het enige gerief dat wij in dit tentenkamp hebben, zijn een ijzeren krib, een matras en wat dekens. Gedurende dit verblijf krijgen we de nodige injecties, waaronder een pokkenvaccinatie. Van deze pokkenvaccinatie worden heel wat jongens enkele dagen behoorlijk ziek. Als het tegen het einde van het verblijf loopt, begint de weersgesteldheid onaangenaam te verslechteren. Veel regen en harde windstoten zorgen er (in de inmiddels gevorderde avonduren) voor, dat een aantal tenten van hun plaats worden gerukt. Ons verblijf in dit quarantainekamp is van 1 september t/m 4 oktober '46.

Zaterdag 5 oktober '46. Vandaag gaan we met trucks vanuit de Verbindingschool naar Hollands Spoor in Den Haag en vandaar met de trein naar de inschepingshaven in Amsterdam. Voordat de tweede afdeling goed en wel op het station arriveert, werd de compagniescommandant geconfronteerd met twee lieden die zich tijdens het vertrek vanuit de Verbindingsdschool al bij hun hadden aangesloten. Dit tweetal was blijkbaar niet geschikt voor uitzending naar Indië en wordt door de kapitein dan ook meteen teruggestuurd. En zo gebeurde het! Tenminste, dat dacht de kapitein, want we komen diezelfde jongens verderop in het verslag nogmaals tegen!

 Met de "Johan van Oldenbarnevelt" naar Southampton

De "Johan van Oldenbarnevelt" ligt aan de Sumatrakade klaar voor vertrek

Wij gaan aan boord van de "Johan van Oldenbarnevelt" en bij inscheping krijgen we als laatste groet uit het Vaderland een pakje Camel-sigaretten uitgereikt. Om 15.30 uur vindt de afvaart plaats en varen we over het IJ naar het Noordzeekanaal en via de Noordzee richting Southampton. Vanaf het dek is de kust van Holland nog geruime tijd goed waarneembaar.

Maandag 7 oktober '46. Om 08.00 uur komen we aan voor de kust van Engeland en de krijtrotsen zijn dan al goed zichtbaar. De kapitein van het schip is dhr. J.B. Roeterink en de 1e stuurman dhr. Okko Meyer. Tijdens de overtocht zijn er al meteen een aantal jongens die voor het eerste ondervinden hoe het is om zeeziek te zijn.

De beide onderduikers uit Den Haag blijven tijdens deze overtocht weg en bleven ook weg. Totdat wij in Southampton ontscheept zijn en opgesteld staan op de kade. Daar staan plotsklaps heel triomfantelijk beide verstekelingen weer! Ze hebben de overtocht dus blijkbaar als blinde passagier toch meegemaakt. Uiteindelijk zijn ze ook meegegaan naar Aldershot, maar wat er daarna met hun is gebeurd is niet bekend.

Verblijf in de Ramillies Barracks te Aldershot 

In Aldershot worden wij gehuisvest in de Ramillies Barracks. Dit is een kazernecomplex Engelse stijl, met stenen barakken en accommodatie voor de administratieve diensten. Gedurende dit verblijf worden wij in diverse groepen geformeerd, met de bedoeling om in Indië bij verschillende brigades te worden toegevoegd. Ook worden wij alvast uitgerust met het tropenuniform en gaat de technische uitrusting ons per boot vooruit naar Ned. Indië. De tijd dat wij in Engeland verblijven is mede bedoeld om op een sein van hogerhand te wachten om te vertrekken. Om deze periode optimaal te benutten, worden er verschillende commissies samengesteld, dat zijn de commissies van Ontspanning, Algemene scholing, Technische scholing, Geestelijke verzorging, Algemene zaken, Lichamelijke verzorging en de commissie V.P. voor uitgave van ons orgaan De Verbindingsexpres. De commissie Algemene scholing geeft cursussen in Russisch, Spaans en natuurlijk Maleis.

Het ontbijt dat wij hier krijgen is heel anders dan wat wij thuis gewend zijn, dit ontbijt is typisch Engels, met steevast marmelade als beleg, bacon met gebakken eieren en oer Engelse thee met veel melk erin. In de weekeinden benutten wij ons aangevraagde verlof om naar Londen te gaan. Dit is na vijf oorlogsjaren een hele belevenis voor ons, want het was toen vrijwel uitgesloten om je vertier buiten je woonplaats te vinden, laat staan in het buitenland. Zodra wij permissie kregen om buiten het kampement te gaan, hebben wij dus meteen een weekendverlof aangevraagd en zijn wij met vijf man sterk van 20 tot en met 23 oktober naar Londen gegaan. Aan deze trip hebben Jaap B., Henk O., ikzelf, Nico S. en Eugéne H., deelgenomen. Eugéne H. was de fotograaf.

 

Ik ben dus de tweede van links

Uitstapje in Londen met een bezoek aan Waterloo Bridge en het Hyde Park

Staand bij de trein en bushaltes wordt je al meteen geïmponeerd door de uiterste beleefdheid van de Engelsen, niemand zal ook maar enige moeite doen om voor zijn beurt plaats te nemen. Bij het busvervoer is het zelfs zo geregeld, dat men één plaats vrijhoudt, zodat er bij de volgende halte nog altijd één passagier meekan. De ondergrondse en dubbeldeksbussen zijn voor ons een hele bijzondere belevenis. Overnachten in de ondergrondse schijnt hier tijdens de oorlogsjaren ook mogelijk geweest te zijn. Hier in Londen wordt je ‘s ochtends gewekt met muziek en dat is voor ons een absoluut novum. Het meest aantrekkelijke om hier te overnachten zijn voor ons toch wel de zeer billijke prijzen. Eten doen wij in de club van de Y.M.C.A.

Wij zijn er niet rouwig om, dat het moment van vertrek uit Aldershot nadert. Het gevorderde jaargetij zorgt er namelijk voor dat de temperatuur in de barakken tot het minimum daalt. Die lage temperatuur wordt nog eens verergerd doordat er veel ruiten van de barakken stuk zijn en van enige verwarming is hier ook al geen sprake.

Met het ms "Kota Inten" naar Ned. Indië

Zaterdag 23 november '46. Vanochtend vroeg vertrekken we met de trein naar de haven van Southampton en worden ingescheept op de "Kota Inten" (Diamanten-Stad). Dit was van oorsprong een vrachtschip met een beperkte accommodatie voor passagiers, maar werd omgebouwd tot troepentransportschip. Als eerste marconist is de heer A.W. Belt aangesteld. In de ruimen zijn standy’s als slaapplek aangebracht, die gemaakt zijn van een buizenframe met daartussen een stevig canvasdoek gespannen. Deze standy's zijn driehoog gestapeld met daartussen smalle looppaden. Op het voorste deel van het schip is de eetzaal, deze is vanwege de ligging alleen via het bovendek bereikbaar.

Met de "Kota Inten" naar de Oost

Zodra wij in het vaargebied van de Golf van Biskaje (ook wel 'Zeemansgraf' genoemd) zijn aangekomen, krijgen wij erg zwaar weer te verduren. Een storm met een windkracht van 11 en misschien wel 12. Wanneer het schip met de achtersteven boven de golven wordt uitgetild, begint het te trillen en te kraken in al haar voegen en als de schroef daarbij boven het water vrijkomt, begint deze angstaanjagend te razen, te sidderen en te dreunen. Het lijkt dan net of het hele schip in haar laatste fase van bestaan verkeerd. Iedere keer als het met haar voorsteven tegen de golfslag induikt, verspreid zich één grote grijze nevel van uiteenspattend water over het dek. Om te voorkomen dat er iemand over de reling heen blaast, is het bovendek met dikke touwen afgezet, zodat er een goed afgebakend looppad ontstaat waaraan je je kunt vasthouden. Dit is de enige veilige maar wel natte manier om bij de eetzaal te komen. Veel animo is er echter niet om te eten, de meesten zijn goed zeeziek en daardoor hebben ze totaal geen behoefte aan eten. Voor degenen die er iets beter aan toe zijn, wordt door hun slapies iets te eten meegenomen uit de eetzaal. De storm was zelfs zo hevig dat de kapitein overwoog om een haven aan te doen en daar te wachten tot het weer wat beter werd.

Zodra wij de Golf van Biskaje gepasseerd zijn en ter hoogte van Gibraltar varen, wordt de weersgesteldheid alweer beter en gaat de temperatuur omhoog. Langzaam maar zeker komt iedereen weer vanuit de ruimen tevoorschijn en installeerd zich op de dekluiken, de enige accommodatie aan dek waarop je redelijk kan zitten. Ook onze commandant kapitein B., door ons ook wel 'de snor' genoemd, komt weer te voorschijn en dat is dan ook meteen mijn eerste conflict met hem. Het gaat over een aangelegenheid die in feite momenteel van geen enkel belang is. Zoals in voorgaande zin al werd aangegeven, is onze commandant uitgerust met een snor, kennelijk om zijn mannelijke heldhaftigheid enigszins te versterken? Zoals later in Ned. Indië zal blijken is dat niet geheel ten onrechte! Zodra hij zijn shorts op kniehoogte en de shirts met korte mouw gaat dragen, blijk al snel dat zijn armen en benen overeenkomen met die van een skelet, maar dan wel van iets normalere omvang. Zijn hoofd is in verhouding met zijn lichaam, die overigens wél enigszins robuust is, klein en met de uitstraling van een pop. Dus kan hij enige onderstreping door die snor goed gebruiken. Aan boord is een eenheid van de Infanterie, die ten tijde van WO2 als dienstplichtig militair ook al hebben gediend en onder hen zijn er die 'de snor' als commandant gehad hebben. Zij vertelden ons over de wijze waarop hij toen functioneerde en dat geeft ons nu toch wel de nodige argwaan ten aanzien van zijn bekwaamheid.

Veel vertier hebben we aan boord overigens niet, totdat wij in Port Saïd aankomen. In deze havenstad gaat het schip voor anker om water en olie te bunkeren. Verder is er een levendige handel met kooplui, die met hun bootjes om de achterzijde van het schip heenvaren. Door hen worden lange touwen naar de reling van de "Kota Inten" gegooid, dat touw wordt vervolgens onder de reling van de achtersteven doorgehaald en weer teruggegooid naar de bootjes. Er ontstaat dan een soort katrol waarbij een tas aan het touw wordt bevestigd, hierin kunnen dan de verhandelde goederen naar het schip worden getransporteerd. Met veel geschreeuw, loven en bieden brengen zij hun koopwaar aan de man. In de namiddag komt er een goochelaar aan boord, maar zo te zien zonder goochel attributen, doch op een gegeven moment overal kuikentje vandaan tovert. Uit zijn hoed, zijn jas en broek, overal komen deze beestjes vandaan, onder het uitspreken van een stortvloed aan onverstaanbare woorden en klanken en tot groot vermaak van ons. Vele jaren later heb ik gelezen, hoe deze goochelaar al midden in de jaren dertig deze trucs in de stad en op de binnenkomende schepen aan zijn publiek toonde.

Donderdag 5 december '46. Bij het passeren van de evenaar wordt 'Neptunus' met zijn staf heel plechtig geïnstalleerd, om enkele individuele personen een rituele doop toe te dienen. Daarna volgt een symbolische doop voor alle opvarenden, waarbij een krachtige waterstraal over het dek wordt gespoten. De accommodatie van het schip is te beperkt om alle aanwezigen persoonlijk te dopen, maar er wordt in ieder geval wel aan deze traditie voldaan, al is het dan wel wat bescheiden. 

Donderdag 19 december '46. Nadat we de Kreeftskeerkring zijn gepasseerd hebben we verder een goede vaart. Vandaag varen we door de Straat Soenda met aan bakboordzijde de zuidkust van Sumatra en een eilandje met de krater Krakatau, dat nog steeds een active vulkaan is. In de namiddag komen wij aan op de rede van Tandjong Priok en gaan hier buitengaats voor anker.

Vrijdag 20 december '46. Omstreeks 08.00 uur is het anker gelicht en wordt het schip in de juiste positie gebracht om de haven binnen te varen. Een eerste aanblik van deze haven is er een van.... Tja, wat zal ik zeggen...., een haven met slechts enkele loodsen van grote roestige golfplaten, welke kennelijk dienstdoen om goederen in op te slaan. Er staan ook geen kranen aan de kade om de schepen te laden en lossen. Gebeurd dat hier dan nog steeds doormiddel van mankracht?

Muzikaal onthaal in Tandjong Priok

Bij het binnenvaren van de haven is een militair muziekkorps al druk in de weer om marsmuziek ten gehore te brengen en bij het aanmeren spelen ze het Nederlandse volkslied. Daarna volgen enkele welkomstwoorden van hoge lieden en kan de ontscheping beginnen. Op de kade worden wij opgesteld in formaties zoals dat bij de indeling van een brigade gebruikeijk is. De blakende tropenzon, die wij al geruime tijd als een ongenaakbare koperen ploert ervaren, staat ook hier hoog aan de hemel. Terwijl wij in afwachting zijn van de dingen die komen gaan, loopt het zweet met dunne straaltjes over ons gezicht. Via de wenkbrauwen loopt het zweet zo in je ogen en dat veroorzaakt een onaangenaam bijtend gevoel en hoe meer je wrijft des te erger het wordt!

Met de "Plancius" naar Soerabaja

Inscheping op de "Plancius" die ons naar Soerabaja zal brengen

Zaterdag 21 december '46. Als na enige tijd het een en ander akkoord is bevonden, gaat ons onderdeel aan boord van de "Plancius", een schip van de Koninklijke Paketvaart Maatschappij (K.P.M.). Ook de afdeling die voor indeling bij de 'T'-Brigade te Semarang bestemd is gaat mee. Om 12.00 uur is de afvaart, hetgeen staat aangegeven op een bord aan dek. Tot die tijd is iedereen vrij om te gaan passagieren in Batavia. Tegen de tijd van vertrek is iedereen weer terug aan boord, echter zonder onze commandant 'de snor', luitenant K., en nog een tweetal manschappen.

Toen de "Plancius" al onderweg was richting open zee, kwam 'de snor' in vliegende vaart de kade opgerend. Hij probeerde wanhopig een van de loodsbootjes te regelen, zodat hij alsnog naar de "Plancius" gebracht kon worden. Na wat heen en weer gedraaf en met het nodige armgezwaai lukte hem dit wonderwel. Puffend en ploffend kwam het bootje langszij en kon 'de snor' via een noodtrap langszij van het schip aan boord komen. Toen wij zagen wie daar zo op het allerlaatste moment nog kwam aankakken op de kade brak er natuurlijk een luidruchtig gejoel los en dat temeer omdat het onze commandant was.

De "Plancius" maakt een tussenstop op de rede van Semarang

Zodra wij ons aan boord geïnstalleerd hebben, gaan we als eerste naar de wasgelegenheid. Deze bestaat uit een vierkantig bassin, waaruit je met een blikje water moet scheppen om dat over je lichaam te gieten, vervolgens inzepen en tot slot afspoelen. Omdat menigeen niet door had hoe dat nu eigenlijk moest, wilden ze eigenlijk compleet in het bassin stappen. Gelukkig werd dit verijdeld doordat enkele oud-Indiëgangers ons met de gebruiken aan boord van dit schip op de hoogte brachten.
Zondag 22 december '46. Vandaag komen wij op de rede van Semarang aan, hier vindt de ontscheping plaats van de Verbindingsafdeling die ingedeeld wordt bij de 'T'-Brigade. Omdat Semarang geen geschikte haven heeft, worden zij met een landingsvaartuig (L.S.T.) aan land gebracht.

Aankomst op Oost-Java

Maandag 23 december '46. Vandaag is onze aankomst in de haven Tandjang Perak (Soerabaja), waarna de ontscheping volgt en het vervoer naar ons eerste kwartier in Ned. Indië. Degene die in Batavia ook te laat terug waren in de haven en niet meer mee konden met de "Plancius" zijn de volgende dag aangekomen. Gelukkig voor hun kunnen zij niet berispt of gestraft worden, want 'de snor' gaat zelf ook niet vrijuit.

De eerste indruk die wij van Soerabaja krijgen is, dat deze stad aan weerszijden van een hoofdverkeersader is gebouwd. Dat viel meteen op toen wij vanuit de haven met trucks naar de van Hogendorplaan werden gebracht. Hierdoor lijkt deze stad het uiterlijk te hebben van één lang uitgerekt lint, die zich van noord naar zuid uitstrekt. Bij de eerstvolgende verkenning van Soerabaja ontdekken we dat dit een levendige handelsstad is. Het klimaat is hier warm en vochtig, met vooral in de avonduren een erg benauwde atmosfeer. Bij de minst geringe lichamelijke inspanning begin je meteen te transpireren met als gevolg enorme vochtplekken in je kleding. Door het overmatig transpireren hebben sommige jongens al na enkele dagen een hinderlijke last van jeuk rondom de middel. Het enige wat je hiertegen kan doen, is zo min mogelijk krabben, anders zou het alleen maar verergeren.

Na aankomst mogen wij eerst enkele dagen acclimatiseren, zodat we enigszins gewend raken aan dit klimaat. Daarna worden we ingedeeld en ingezet waarvoor we zijn opgeleid. Een groep lijnwerkers zorgt voor het in stand houden en uitbreiden van de telefoonverbindingen en radiotelegrafisten om de radiosets te bemannen en de berichtgeving te coördineren. Aan het berichtencentrum zijn tevens centralisten en motorordonnancen toegevoegd, die voor het expediëren van de berichtgeving zullen zorgdragen. Verder is er een dienst Motor Transport Onderdeel, (M.T.O.), met automonteurs en chauffeurs. Voor de reparatie van alle elektronica is er een radiowerkplaats aanwezig. Dit alles is geplaatst onder leiding van een commandostaf, bemand door een kapitein, een tweede luitenant en een administrateur. Later zal deze afdeling met enkele andere diensten worden uitgebreid, maar deze zijn momenteel nog niet bekend.

Wij van de Verbindingsdienst X-Brigade (juli '49)

Aanvang van de thuisreis (met de "Merak" naar Batavia)

Zaterdag 8 oktober '49. Het moment van vertrek is aangebroken. Wij moeten ons vandaag gereed maken voor vertrek uit Malang richting Soerabaja.

Zondag 9 oktober '49. Om 07.00 uur zitten wij gepakt en gezakt op trucks, die ons naar de Verbindingsdienst 'A'-Divisie in Soerabaja zullen brengen. Om de laatste formaliteiten voor onze terugkeer naar Nederland in orde te brengen, verblijven wij daar tot en met maandag. Vanavond wordt door vrijwel iedereen de bloemetjes buiten gezet, maar een ding moet wel gezegd worden! Iedereen was weer op tijd binnen en er kwamen geen klachten binnen over wanordelijkheden. Alleen Wim Passenier was iets te laat, maar die wist zijn binnenkomst zo te verbergen, dat niemand van de buitenwacht het is opgemerkt. Het was natuurlijk ook wel erg verleidelijk om weer eens lekker in een stad als Soerabaja rond te kunnen hangen.

Dinsdag 11 oktober '49. De dag van vertrek is aangebroken. Om alles zo ordentelijk mogelijk te laten verlopen heb ik iedereen laten weten hoe laat ze gereed moeten staan en hoe de verdeling in de truck's zal zijn. Eerst worden de plunjezakken ingeladen en daarna kunnen we zelf plaats nemen. Er zullen bovendien handgeschreven instructies op het mededelingenbord komen. Hoewel de heren van de 'A'-Divisie van mening zijn dat er eerst appél gehouden moet worden, heb ik dat overbodige gedoe op eigen houtje achterwege gelaten. Ondanks mijn beslissing was de commandant van de 'A'-Divisie (majoor van Katwijk) wel zo vriendelijk, om zijn adjudant naar de inschepingshaven te sturen om zijn complimenten vanwege de ordelijke aftocht over te brengen. Ze wilden eigenlijk ook dat we 's avonds voor het slapen gaan appél zouden houden voor de bedden, maar ook dat lieten wij achterwegen. Mijn motief om deze appéls achterwege te laten is, dat het raar zou zijn als mensen die in de afgelopen drie jaar zelf al zoveel verantwoording namen, nu opeens op appél zouden moeten. We zijn bovendien maar met 37 man, dus er is voldoende overzicht.

De "Merak" aan de kade in Tandjang Perak

Vanochtend vroeg gingen we met trucks naar de haven van Tandjang Perak en om 08.00 uur begint de inscheping op het m.s. "Merak" van de K.P.M. Om 17.00 uur vertrekt het schip uit de haven. Evenals bij de heenreis gaan we ter hoogte van de rede van Semarang voor anker en worden met behulp van een landingsvaartuig de mannen van de "T"-brigade aan boord gebracht, zodat we gezamenlijk naar Batavia zullen varen.

Donderdag 13 oktober '49. De aankomst in Tandjong Priok is om 08.00 uur, waarna al snel de ontscheping en vervoer naar Batavia plaats vindt. Na onze aankomst te Batavia, worden wij ondergebracht in de Koning Willem III kazerne, voor de oorlog was dit een H.B.S. met diezelfde naam. Het is een oud gebouw met weinig voorzieningen en comfort, maar dat deert ons niet. Wij hebben in de voorgaande jaren al zoveel moeten ontberen, zodat dit ons eigenlijk niet eens opvalt. De dagen dat we hier verblijven benutten we om ons gereed te maken voor verstrek naar huis. We worden voorzien van uniformen die geschikt zijn voor het Nederlandse klimaat en pasfoto’s worden gemaakt ter completering van onze repatriëringspapieren. De avonden geven ons de gelegenheid om nog eens goed uit te gaan, zodat het nog in bezit zijnde Indonesische geld opgemaakt kan worden. Restanten zouden ook ingewisseld kunnen worden, maar het merendeel geeft er toch liever de voorkeur aan om het hier uit te geven. 

Kort voor vertrek naar Nederland arriveren er ook nog drie jongens, die tijdelijk naar een ander onderdeel overgeplaatst waren. Dat zijn Jan Akkerman en Willem Breider die bij de Marine Luchtvaart Dienst (MLD) hebben gezeten en Nico Snel. 

Met de "Volendam" naar Holland

Zaterdag 29 oktober '49. Vandaag om 06.00 uur beginnen we aan de ingescheping op het s.s. "Volendam". Dit schip zal de gehele dag in deze haven blijven liggen, want we vertrekken pas morgen. 

Zondag 30 oktober '49. Om 10.00 uur is het dan zover. De "Volendam" komt los van de kade zodat onze terugreis eindelijk is begonnen.

  

Het s.s. "Volendam" waarmee we terugkeren

Zondag 6 november '49. Wij varen tussen zes en elf uur het eiland Ceylon. Nu dringt het pas echt goed tot je door, dat je afscheid neemt van alle tropische sferen zoals wij die in de afgelopen jaren hebben gekend.

Nog even één gebeurtenis die we tijdens het verloop van de terugreis ondervonden: Het is 14 november 1949, als wij om 5.30 uur tijdens de doorvaart van de Rode Zee het m.s. "Willem Ruys" passeren. Toen het bericht over deze passage werd medegedeeld, gingen we allemaal aan stuurboordzijde van het schip staan, om hiervan getuige te kunnen zijn. Doordat zo’n grote menigte zich aan één zijde van het schip concentreerde, begon de "Volendam" vervaarlijk over te hellen, met het gevolg dat het schip tijdelijk onbestuurbaar werd. Via het omroepsysteem volgde al snel een oproep van de C.O.T. (commanderend officier troepen), dat iedereen zich direct over het schip moest verspreiden. Het toeval is echter, dat een groep dienstplichtigen, die ter aanvulling of aflossing ook in Indië werd ingedeeld, dit tijdens hun overtocht ook had meegemaakt. Dat was in april 1948 en dat gebeurde eveneens op de "Volendam" en nog toevalliger ook toen zij de "Willem Ruys" passeerden. Een gebeurtenis met een toch wel héél gemeenschappelijke ervaring! Na een reis van 32 dagen, kwamen wij aan in de haven van Rotterdam, we  debarkeerden en werden vervolgens per bus naar huis gebracht.

Voordat wij het schip verlieten, werd er door een militair muziekkorps marsmuziek en het Wilhelmus ten gehore gebracht. Hierna volgden enkele toespraken, ondermeer door de minister van oorlog, dhr. Schokking. Deze betoogde dat men in het Nederland van nu, geen grote behoefte heeft aan werkers met witte boorden. Als gevolg van WO2 moest er immers nog veel hersteld en gebouwd worden. Als ik het vanaf de reling goed heb gezien, droeg de minister zelf toen ook geen wit overhemd, maar een blauwe. Mogelijk om zo een hevig fluitconcert of boegeroep vanaf het schip te voorkomen? De militaire top was ook zeer goed vertegenwoordigd, want op de kade was het een druk geparadeer van sterren met balken. Voordat wij naar de bussen vertrokken, kregen wij een verlofpas en een vrijvervoer, die te gebruiken was voor allerlei soorten openbaar vervoer en geldig tot 29 november '49.

 

De schrijver van dit reisverslag tijdens zijn verblijf in Soerabaja

Dit verslag is dan ook met zijn toestemming geplaatst.