Mijn uitreis met het s.s. "Sloterdijk"

met 5-3 RI naar Palembang (Sumatra), door dhr. Wim Pelkmans

Toen wij uit Rotterdam vertrokken met de "Sloterdijk" een hele oude schuit....

De "Sloterdijk" ligt klaar voor de reis aan de kade in de Merwehaven

Voorwoord

Met dit verslag zal ik trachten mijn reis met het 5-3 RI naar Nederlandsch Indië zo goed mogelijk te beschrijven. Vooropgesteld moet worden; dat ik géén journalist ben, zodat het enigszins beholpen kan zijn. Ik zal mij even voorstellen: Ik Wim Pelkmans heb mij als vrijwilliger aangemeld voor de militaire dienst en werd ingedeeld bij het 3-3 RI. Door mijn kaderopleiding in de van Hornekazerne te Weert te voltooien werd ik sergeant. Een voordeel van de kaderopleiding zou zijn, dat mij een uitzending naar Ned. Indië bespaard zou blijven. Na mijn kaderopleiding kreeg ik de taak om dienstplichtige militairen op te leiden. - Het 3-3 RI is op 26 september ’46 met het m.s. "Kota Agoeng" naar Ned. Indië vertrokken. – Ruim één jaar later zou blijken dat in Ned. Indië een tekort was aan militairen met een kaderopleiding. Tijdens een gesprek met de kapitein werd mij al snel duidelijk gemaakt dat ik een van de ‘uitverkorene’ zou zijn, zodat ik alsnog zou moeten vertrekken. Meteen na deze kennisgeving werd ik met inschepingsverlof gestuurd, dat een week zou duren. Vanaf dat moment was ik bij het 5-3 RI ingedeeld en zou met dit bataljon, dat zojuist was opgericht, naar Indië vertrekken. In de week van mijn inschepingsverlof is het mij gelukt om met mijn verloofde te kunnen trouwen. Ik vertrok dus als pas gehuwd man naar een ver en onbekend land.

Vertrek uit Rotterdam

 

Aankomst met de trein in Rotterdam

Donderdag 4 december ’47: Vanuit de kazerne wordt 5-3 RI per trein naar Rotterdam gebracht. Eenmaal bij de havens aangekomen rijd de trein tot vlak aan de Merwehaven, vanwaar de reis met de "Sloterdijk" zal beginnen. Ik ben voor deze reis bij de Militair Politie ingedeeld. Het zal tot in de avonduren duren, dat alles en iedereen gereed is en de reis kan beginnen. Vlak voor vertrek worden de familieleden toegelaten op de kade, zodat zij ons nog een allerlaatste groet kunnen brengen.

 

De eerste jongens gaan aan boord

Het is 20.30 uur als de kabels worden los gesmeten en de grote reis dan eindelijk kan beginnen. Als de boot eenmaal los is besef ik dat vanaf dit moment onze laatste verbinding met het vaste land voorlopig is verbroken. Eenmaal uit de haven zet de boot langzaam koers richting zee, voortdurend bijgestaan door een sleepboot. Velen van ons staan aan het dek om nog een laatste blik te werpen op vaderlands bodem, die ze twee jaren lang niet zullen zien. Het is werkelijk de moeite waard om Rotterdam en vervolgens Schiedam, als een lichtend sprookje aan het oog voorbij te zien glijden. Deze aanblik zal velen nog lang voor ogen hebben, ook gedurende hun dienstijd in de tropen.

Vrijdag 5 december ’47: Onze eerste nacht aan boord hebben we inmiddels achter de rug. In de vroege ochtenduren varen we door de Straat van Dover. We zien aan stuurboord de Engelse kust opdagen. Jammer dat het nog schemerig en slecht weer is.

De Engelse kust is vaag te zien in de ochtendschemer

De meesten onder ons hebben niet eerder een vreemde kust gezien, zodat dit een machtig gezicht is. Van de Belgische kust hebben we overigens niets kunnen ontdekken, het was toen nog te donker. Inmiddels varen we het plaatsje Dover voorbij, dit is te herkennen door de vele lichtjes en de alom bekende Witte klippen van Dover. Terwijl we Het Kanaal binnen stomen vervaagd de kust langzaam. Om 10.00 uur zien we nog wel even het eiland Wight en daarna is er alleen nog water en lucht. Het zou geen 5 december zijn zonder een bezoek van Sinterklaas. Dus ook aan boord is daar aan gedacht. Hieronder zien we hoe de goedheiligman de brug van het schip verlaat, zodat hij elders nog meer bezoeken kan afleggen. Of hij bij het passeren van Spanje ook daadwerkelijk van boord zal gaan moet later nog blijken.

  

Ook aan Sinterklaas werd gedacht

Zaterdag 6 december ’47: Vandaag is er eigenlijk niets noemenswaardig gebeurd. Wel zien we behalve veel water en lucht ook een school van ± 20 bruinvissen aan stuurboord voorbij komen. Een mooi gezicht zoals die dieren uit het water te voorschijn springen om er daarna weer in te verdwijnen.

Zondag 7 december ’47: Vanochtend komt rond 9.30 uur heel langzaam en heel wazig de kust weer in zicht. Steeds duidelijker wordt hij en omstreeks 11.30 uur is Kaap Finisterre goed zichtbaar. Dit betekend dat we de noordwest punt van Spanje hebben bereikt. Deze kaap is niet veel meer dan een kale rotsmassa met een vuurtoren erop en ondanks dat toch heel bekend uit de geschiedenis.

 

Kaap Finisterre wordt bereikt

Iedereen is blij dat we nu eindelijk weer eens land zien. Vooral omdat we tijdens het passeren van de Golf van Biskaje een flinke storm hebben meegemaakt. Het is ook een schitterend gezicht om ons eerste schip te zien passeren. Het is weliswaar een oude Engelse vrachtschuit, maar het is wél de eerste. Na het passeren van Kaap Finisterre verdwijnt de kust weer uit zicht, het is dan inmiddels 15.00 uur. Verder hebben we vandaag weer niets anders dan water en lucht om ons heen. Vanavond kunnen we nog wel genieten van een prachtige zonsondergang over een zeer rustige Atlantische Oceaan. Het is een machtig gezicht als je ziet hoe vele kleuren samensmelten om uiteindelijk in niets dan één zwarte massa te veranderen.

Maandag 8 december ’47: Vandaag om 09.15 uur komt de kust weer in zicht, maar nu is het de Portugese kust. Als het schip langzaam dichterbij komt ontwaren we een steile rotsmuur met daar achter een berglandschap. Iets later rond 11.30 uur naderen we Kaap St. Vincent. Werkelijk schitterend om te zien. Hoog boven op een steile rotswand, waaronder de golven in een vast ritme tegen stukslaan, verhef zich een wit klooster dat schittert in het zonlicht. Daarachter een laagvlakte en vervolgens weer een hoog gebergte. Na het passeren van deze kaap verwijdert de kust uit zicht, om tegen 21.00 uur weer tevoorschijn te komen.

Terwijl we wat uitrusten hangt de was te drogen

We hebben de wereldbekende Straat van Gibraltar bereikt. Aan stuurboord is als eerste de stad Tanger waarneembaar, die door haar vele lichtjes in het donker goed zichtbaar is. Vervolgens zien we een steeds hoger wordende bergrug. Weer een ogenblik later ontwaren we een klein plaatsje dat diep verscholen in een baai ligt. Regelmatig passeren ons nu kleine bootjes met daarin minnende paartjes die een avondtochtje maken. Dan zien we na geruime tijd aan stuurboord nog een stad opduiken, dit blijkt Ceutah te zijn, waarna de Marokkaanse kust weer uit zicht verdwijnt. Na geruime tijd doemt in de verte dan eindelijk de Rots van Gibraltar op.

De rotsen van Gibraltar

In de donkere nacht is deze geweldige rotsklomp nauwelijks zichtbaar. Omdat hier een paar zieken van boord moeten, zullen we hem tot dichtbij naderen. Als we dichterbij komen ontwaren we steeds meer lichtjes en eenmaal tot vlakbij genaderd krijgen we een prima zicht op deze geweldige rotsmassa. We zijn hiermee aangekomen bij een belangrijk steunpunt van het Britse Imperium, omdat hier de sleutel naar de Middellandse Zee ligt. Honderden en nog eens honderden lichten branden op tegen de rotsen. Een juiste omschrijving hiervan is moeilijk te geven, maar een feestelijke verlichting bij ons op Koninginnedag is er niets bij. Op het hoogste punt van de rots brand een groot licht dat dienst doet als markering voor het vliegverkeer. Doordat achter in de baai een groot verlicht passagiersschip ligt, kunnen we bepalen wat ongeveer de lengte van deze baai is.

Dinsdag 9 december ’47: Inmiddels bevinden we ons op volle zee. Aan bakboordzijde zien we hoe de gletsjers van Sierra Nevada schitteren door de opkomende zon. De Sierra Nevada en de Pyreneeën zijn de enige gebergten in Spanje die sneeuw dragen. In de loop van de dag vervaagt de Spaanse kust, alweer is water en lucht ons enige uitzicht. Een mooi aanblik levert ons nog wel een stel dolfijnen, die met een ongelooflijke snelheid voor ons uit zwemmen en regelmatig boven water uit schieten. Ze zijn tussen de 80 cm en 1 meter lang en hebben net als walvissen een gat achter hun kop zitten. Hoewel de zee vanochtend spiegelglad was begint hij nu wat woeliger te worden.

Woensdag 10 december ’47:  In het begin van de ochtend zien we in de verte de Afrikaanse kust weer opdagen. We varen inmiddels langs Tunesië en rond het middaguur passeren we op 500 meter afstand Kaap Blanco. Het is een gebergte waarop de weilanden duidelijk zichtbaar zijn. Verder zien we diverse witte gebouwen en dat sommige bergtoppen door de wolken bedekt zijn. Samen met de vlaktes, die scherp gelijnd aftekenen tegen de grillege vormen van de bergen, levert dit alles een schilderachtig plaatje op.

 

De Afrikaanse kust daagt weer op

Na twee uur varen passeren we Kaap Bon en zijn hiermee bij het meest oostelijk gedeelte van de Tunesische kust aangekomen. Hier zijn enkele vuurtorens zichtbaar en verder is het even prachtig als Kaap Blanco. De kust verdwijnt daarna uit zicht en rond 19.00 uur zien we zowel aan bakboord- als stuurboordzijde verschillende rotseilandjes. Waar ze bijhoren en hoe ze heten weet ik niet.

Donderdag 11 december ’47: Bij het ochtendgloren passeren we het eiland Pantellaria. Dit eiland is voor de geallieerden in de tweede wereldoorlog enorm belangrijk geweest. Zij gebruikten het vanuit Afrika als springplank voor hun aanval op Sicilië. Als je het rotsachtige eiland zo bekijkt, zou je niet de indruk krijgen dat het zo’n belangrijke rol heeft gespeeld. Nadat we voorbij zijn gevaren en goed over bakboord turen, kunnen we heel vaag Sicilië waarnemen. Omstreeks 12.00 uur bereiken we het eiland Malta dat ten zuiden van Sicilië ligt. Dit eiland, dat tijdens de tweede wereldoorlog voor de Engelsen van groot belang is geweest, kunnen we van dichtbij bekijken. De Engelsen hadden hier een grote vlieg- en vlootbasis gestationeerd en als je goed kijkt kun je de verdedigingswerken nog zien. Het berglandschap, de stralende zon en het plaatsje Valletta achter in de baai, geven een sprookjesachtige indruk. Er komen enige oorlogsschepen aanvaren, die meteen naar de haven aan de andere zijde van het eiland gaan. Verder zien we een Spitfire van de R.A.F in de lucht, deze vliegt enige keren zeer laag over en langs ons schip. 

 

We passeren het eiland Malta

Als we onze reis voortzetten zien we geheel in de verte nog een stukje van Sicilië daarna alleen nog water en lucht. De "Sloterdijk" is vandaag precies een week onderweg.

Port Saïd

Vrijdag 12 december ’47: In de vroege ochtend gaan we voor anker in de haven van Port Saïd. Van boord mogen we hier niet, maar er is voor ons voldoende te zien. Aan bakboord zie ik de haven waarin veel schepen voor anker liggen, verder valt aan deze kant weinig te zien. Aan stuurboord is beduidend meer te beleven. Vanaf rechts gezien hebben we eerst de zee waar we zojuist vandaan kwamen en vervolgens het strand, duinen die wij thuis gewend zijn ontbreken hier. Vervolgens zien we de stad met fraaie gebouwen en palmbomen. Hieraan kunnen we merken dat we steeds zuidelijker geraken.

 

Een van de prachtige gebouwen in Port Saïd

Een van de gebouwen dat ons als Hollanders meteen opvalt, is het gebouw van de Royal Dutch Airlines, ofwel de KLM. Het doet je goed om weer eens iets Hollands te zien.

Het gebouw van de KLM

We zien veel reclames, vooral engelse maar ook enkele hollandse, zoals die van de Philips radiotoestellen. Beneden ons zien we de kade met al haar bedrijvigheid. Ondanks dat het zondag is schijnen ze zich hier weinig van aan te trekken. Er wordt volop handel gedreven zoals bij ons op werkdagen.

Met de handelaren mochten we geen zaken doen

De diverse klederdrachten, die ons totaal vreemd zijn, is schitterend om te zien. Westerse kleding is hier een zeldzaamheid. Iedereen, zowel mannen als vrouwen, dragen lange jurken tot aan de grond. Het grootste onderscheid tussen hen is het hoofddeksel. De vrouwen dragen een kap over hun hoofd en de mannen een toot of een gewone doek. Blootshoofd zie je hier niemand. De mantels van de mannen zijn effen en die van de vrouwen zijn daarentegen bont gekleurd. Verder zie je ook typisch egyptische klederdracht, zoals hun broek en fez. Er komt nog een boot binnen varen, het is de "Poelau Laut" van de Stoomvaart Maatschappij Nederland. Wederzijds gejuich en de beste wensen, wat ons een goed gevoel geeft.

De "Poelau Laut" in volle glorie

Rondom ons schip zwerven inmiddels een aantal bootjes om goederen aan ons te verkopen. Ons werd met nadruk verboden om iets te kopen, zodat zij onverrichte zaken vertrokken. Eensklaps komt er een bootje langszij, waarin een goochelaar blijkt te zitten. Ook hij mocht niet aan boord, dus verrichtte hij zijn kunstjes in zijn bootje. Als dank wierpen we na afloop wat kleingeld naar beneden. Om 10.15 uur vertrekt het schip uit Port Saïd en varen we het Suezkanaal binnen. In het begin passeren we nog een aantal mooie gebouwen, waarvan er een met zijn lichtgroene koepel bijzonder in het oog valt. Daarna wordt de omgeving steeds saaier, met links en rechts alleen woestijn. Ineens begint de wind op te steken en al spoedig belanden we in een zandstorm. Na ongeveer drie kwartier mindert deze zandstorm en kunnen we de woestijn weer zien. Regelmatig passeren we controleposten. Om ongeveer 14.30 uur naderen we Ismailia, dat gelegen is aan het Timzah Meer. Ook hier zijn de gebouwen weer mooi, met name een kerkje en het meer leveren ons een schilderachtig aanblik. Als we nog even doorvaren naderen we aan stuurboord het gedenkteken.

 

De gedenknaald langs het Suezkanaal

Dit is een monument ter herinnering aan de verdediging van het Suezkanaal tijdens de eerste wereldoorlog. Iets verder aan dezelfde kant zien we een groot militairkamp. Om 16.30 uur naderen we de Bittermeren. Het Grote en Kleine Bittermeer zijn samen dusdanig lang, dat ons schip er twee uur voor nodig heeft om er doorheen te varen. Het is inmiddels donker geworden en de lichtjes geven een schilderachtig schouwspel. Om 20.45 uur varen we opnieuw in open water, waar we voor anker gaan tot de volgende morgen. Van de stad Suez hebben we helaas niets kunnen zien.

Maandag 15 december ’47: We varen nu in de Golf van Suez. Aan bakboordzijde is de kust heel vaag te zien, maar aan stuurboord zien we hem bijzonder goed. Na een paar uur varen zien we aan bakboordzijde rond 14.00 uur de bekende berg Sinaï. Vele grillige vormen steken af tegen de hemel en wolken hangen rond de top van de berg. We varen inmiddels in de Rode Zee en na een laatste blik op deze berg zien we voorlopig weer niets dan water en lucht. De temperaturen gaan voelbaar omhoog en we varen nog ruim twee dagen door de Rode Zee.

Donderdag 18 december ’47: We hebben de oversteek door de Rode Zee voltooid en zijn in de ochtenduren het eiland Perim gepasseerd. Daarna varen we door de Straat Bab el Mandeb die in verbinding licht met de Golf van Aden. Bij het passeren van Perim kan je goed merken dat we in een tropisch klimaat zijn beland. Ondanks dat het een bergachtig eiland is zie je nu duidelijk de bossen afsteken, in tegenstelling met de eerdere eilanden die geen bebossing hebben. Om 22.00 uur zien we de lichten opdoemen van Aden. Hier vaart het schip de haven binnen om olie en vers drinkwater in te nemen. Om 23.30 uur ligt het schip voor anker. Wij zullen ons tevreden moeten stellen met een blik richting de stad. De talrijke lichtjes van de stad leveren ook nu weer een sprookjesachtig aanblik en de vele volop verlichte schepen in de haven dragen er het hunne toe bij.

We naderen de bunkerplaats Aden

Vrijdag 19 december ’47: Als we vanochtend bij daglicht op het dek komen, lijkt het net alsof er één grote plaat zich voor ons ontrold. Prachtig afstekend tegen de donkere bergen licht daar Aden. De plaats waar we zo naar verlangen, omdat hier de post wordt ontvangen. Hoewel het een bekende plaats is, is het echter best klein. Je zou hier geen stad met een wereldnaam achter zoeken. Bekijk je de stad vanaf het schip gezien dan zie je links eerst bergen, die stapsgewijs tegen elkaar afsteken. Aan de voet van deze bergen liggen schilderachtige gebouwen. Hoewel het nog vroeg is zien we veel verkeer op de kade. Zwaarbepakte dromedarissen vormen een waar contrast met de luxe auto’s in het verkeer. Gaan we iets meer naar rechts, dan zien we enige grote benzine en olietanks staan. Recht voor ons zien we een klein eilandje met enige gebouwen, die mooi afsteken tegen de achtergrond. Wanneer we geheel rechts kijken, dan vallen onze ogen meteen op een aantal schepen, waaronder zich ook een Engelse kruiser bevindt. Vervolgens zien we hoe de stad zich langzaan tegen de bergen verheft. Aden is geen echte havenplaats, maar meer een bunkerplaats. Hier worden alleen de levensbehoeften aan land gebracht.

 

Andere schepen die voor anker liggen in de haven van Aden

Kades zoals we die in Rotterdam kennen hebben ze hier niet. Over de plaats zelf kan ik verder niets vertellen, hiervoor zou je stad eerst eens goed moeten bekijken. Rondom de "Sloterdijk" zwermt het van de kleine bootjes met kooplui die hun koopwaar aanbieden, zoals dadels en sigaretten. Ze worden enige keren weggejaagd door de politie, maar brutaal zoals ze zijn keren ze steeds weer terug. Je bent nu wel in staat om de mensen hier eens goed te bekijken. De huidskleur is erg donker, tegen het zwarte aan en het haar is zwart en kroezig en hun kleding bestaat simpel uit een jurk en jasje. Een knaap van ongeveer 15 jaar komt naar onze boot gezwommen en laat enige staaltjes van zijn duikkunst zien, namelijk het opduiken van de door ons toegeworpen geldstukken. Ieder muntje dat door ons overboord in het water is geworpen, komt met grote behendigheid ook weer naar boven, waarna ze het in hun mond bewaren tot een volgende duik. Om 20.30 uur komt een Engels troepenschip de haven binnenvaren en een half uur later vertrekken wij weer. Als we langzaam van Aden wegglijden, begint onze laatste etappe van de reis.

Zaterdag 20 december ’47: In de loop van de ochtend zien we aan stuurboord de Afrikaanse kust weer en om 11.00 uur passeren we Kaap Quardafui, het meest oostelijke deel van Afrika. Omdat we al meerdere kapen hebben gezien hebben we voor deze niet meer zoveel aandacht. We zijn nu op de Indische Oceaan beland, dus de grote oversteek kan beginnen. Om 14.00 uur zien we in de verte aan bakboordzijde een paar kleine eilandjes opdoemen, waarvan het grootste Appelcurie is. Ondanks de grote afstand kunnen we toch de dalen en bergen goed onderscheiden. Daarna is het weer niets dan water en lucht en het zal nog wel even gaan duren voordat we weer land in zicht krijgen.

Dinsdag 23 december ’47: Vandaag passeert ons de torpedojager Hr. Ms. "Evertsen", die op weg is naar Nederland. Het doet je heel goed als je na enige dagen van alleen maar water en zee iets Nederlands voorbij ziet komen. In de nacht van 23 op 24 december passeren we het eiland Minicoy. Ook zijn er deze dagen veel vliegende vissen waar te nemen. Ze hebben de grote van een haring en zijn in scholen van gemiddeld zo’n 30 tot 40 stuks te zien. De afstand die ze vliegend kunnen bereiken is ongeveer 25 meter.

Donderdag 25 december ’47: In de loop van de ochtend zien we geheel in de verte Ceylon liggen. Voor ons is alleen goed te onderscheiden dat het een bergachtig eiland is.

Sabang

Zaterdag 27 december ’47: In de loop van de middag is er weer land in zicht. Nu is het Poelau Weh waarop Sabang ligt. We stevenen recht op het eiland af en de dichtbegroeide bergen zijn al goed zichtbaar. We varen door een smalle vaargeul waarna we de schitterende baai van Sabang binnen varen. Vanuit zee is deze baai en haar prachtige natuurlijke omgeving niet te zien. Overal om je heen zie je bergen met palmen en andere tropische gewassen. Het schip nader de kade steeds dichter en om 19.00 uur liggen we aangemeerd. Het is dan al bijna donker zodat er niet veel te zien valt.

Het eiland Poelau Weh waar we te Sabang mogen passagieren

Zondag 28 december ’47: Als we ’s ochtend vroeg op het dek komen zien we Sabang in al zijn pracht. Voor ons licht een van hout getimmerde kade en daarachter de stad en het mooie landschap.

De met hout vervaardigde steigers valt ons meteen op

We zien overal palmbomen die rijkelijk zijn voorzien van kokosnoten. Je moet dit eiland echt zelf zien om een indruk te krijgen hoe het er in werkelijkheid uitziet. Vandaag zetten we dan ook voor het eerst tijdens de reis voet aan wal. Voor het eerst sinds 4 december weer vaste grond onder de voeten. Ver van Nederland maar wel behorend tot Nederland. Zodra we de kade verlaten hebben worden we direct omringd door een stel knaapjes met klappers en bananen. Na vijf minuten wandelen hebben we de rand van Sabang bereikt. Een stad is het niet echt te noemen, het is meer een straat met in de omgeving een aantal huizen. Wanneer we daar wandelen, bemerken we dat zowat ieder huis een toko is. Veel te koop is er eigenlijk niet en de huizen hebben meer weg van krotten. De bevolking die we tegenkomen zijn meest inlanders en Chinezen.

  

De weg die dwars door Sabang loopt

We lopen de straat door en belanden dan langzamerhand in een meer bosrijk gebied. Links van ons zien we enige olietanks, die door de Jappen in brand werden geschoten, evenals sommige huizen. Rechts van ons komen we langs een zwembad, het zal vast met zoet water zijn, maar we lopen toch door. Als maar onder de indruk van de prachtige natuur, die wij Nederland niet gewend zijn. We zien vlinders met de meest schitterende kleuren en zo groot als een hand. Inmiddels is het weer tijd om terug te keren naar onze boot. Rijk beladen met klappers en bananen komen we weer aan boord. Om 16.00 uur worden de trossen los gegooid en gaat de reis weer verder en na enige tijd zitten we alweer op volle zee.

Sumatra

Maandag 29 december ’47: In de ochtend naderen we de kust van Sumatra. Dit is het eiland waar we vermoedelijk 2 jaar lang zullen doorbrengen.

Dinsdag 30 december ’47:  We varen nu regelmatig langs eilanden en om 12.00 uur zien we aan bakboordzijde de stad Singapore. Een reisachtige havenplaats zo te zien. Verder passeren we ook nog enkele eilandjes die tot de Riouw Archipel behoren.

Woensdag 31 december ’47: We liggen nu in de Straat Banka voor anker, voor de monding van de rivier de Moesi. Aan bakboordzijde zien we het eiland Banka dat bekend is voor haar tin. Hier worden we overgezet op het landingsvaartuig de "Albatros"

De "Sloterdijk" ligt voor anker in de Straat Banka

Ons onderdeel stapt over op de "Albatros"

Een laatste groet aan de jongens die verder gaan met de "Sloterdijk"

 

Langzaam wordt de afstand tussen beide schepen groter

Daarna zetten we koers richting de rivier de Moesi, waarover de reis 8 uur zal gaan duren. De Moesi is ongeveer 150 meter breed en 750 kilometer lang en de oevers zijn overal dicht begroeid met allerlei planten, struiken en bomen.

Het is een drukte van belang op het dek van de "Albatros"

Een invasieschip passeert op de Moesi

Af en toe passeren we een kampong en in de vooravond de stad Pladjoe waar de B.P.M. is gevestigd. Het gehele complex is verlicht, wat ’s avonds een prachtig gezicht oplevert. Het heeft wel veel weg van de Philipsfabrieken in Eindhoven. Om 19.30 uur ligt de "Albatros" aan de kade bij Palembang en is onze reis over water ten einde.

 

Onze eindbestemming Palembang is bereikt

 Tot zover het verslag over mijn reiservaringen met het 5-3 RI naar de tropen.

Met hartelijke dank aan dhr. W. P. (Wim) Pelkmans, voor zijn medewerking en het mogelijk maken van dit verslag.