De laatste uitreis van het ss "Nieuw Amsterdam" als troepentransportschip

Southampton - Singapore (25 januari '46 - tot 15 februari '46)

De "Nieuw Amsterdam" met beide schoorstenen weer in de maatschappijkleuren

Reisdata zoals het scheepslogboek vermeld

Ook 2-5 RI scheept in

Maandag 31 december ’45: Vandaag krijgt 2-5 RI te horen dat het bataljon eindelijk naar Indië zal vertrekken. Na een ingelaste rustperiode vertrekken ze per trein vanuit Vught via ’s-Hertogenbosch naar Oostende, waar ze op nieuwjaarsdag om 10.00 uur zullen aankomen.

Dinsdag 1 januari ’46: In de haven van Oostende ligt het duidelijk verwaarloosde schip "Ben My Chree" al klaar voor de inscheping. Dit Engelse schip dateert uit 1927 en behoorde oorspronkelijk toe aan de Isle of Man Steam Packet Company. In de tweede wereldoorlog heeft het haar sporen als invasieschip ruimschoots verdiend, terwijl het nu in slechte staat van onderhoud blijkt te zijn.

De inscheping is begonnen

Rond het middaguur wordt begonnen met het embarkeren. Eenmaal aan boord wordt eerst een geschikt plekje gezocht, waarna ze het schip wat beter gaan verkennen. Nu is pas echt goed te zien, hoe het schip er de afgelopen jaren onder heeft moeten lijden. Gelukkig duurt de reis naar Engeland niet lang, want na zeven uur bereiken ze de monding van de Thames.

Het Engelse ss "Ben-My-Chre'' aan de kade in Oostende

Aan boord van de "Ben-My-Chree"

Toelichting foto: Naast het roer staat André van Weelde uit Breda, rechts van André en links van de man met de bril staat Koos Schuil uit de regio Westland en de man gehurkt daaronder is Bertus Kwertus uit Zwijndrecht. Vanwege het gevaar voor ronddrijvende zeemijnen moeten de zwemvesten constant onder handbereik zijn.

Woensdag 2 januari ’46: In de vroege ochtend rond 3.30 uur wordt de kust van Engeland bereikt, hier zal het schip moeten wachten op tot er een loods aan boord komt. Eenmaal bij de monding van de Thames aangekomen blijkt het wachten op de loods wel erg lang te duren, dit heeft mogelijk te maken met de feestdagen. Nadat de loods dan eindelijk aan boord is gekomen brengt hij het schip naar een ligplaats in de Docks of Tilbury. Na aankomst worden de militairen meteen met legertrucks naar een eetzaal gebracht, waar een goed verzorgde warme maaltijd klaar staat. Vervolgens worden ze naar een gereedstaande trein gebracht. Opvallend is dat deze trein, vergeleken met die in Holland, buitengewoon luxe is. Na aankomst in Farnborough zal het laatste stuk naar een het barakkenkamp in Aldershot gemarcheerd moeten worden. In dat kamp zullen de militairen enkele weken moeten verblijven. Totdat ze op 23 januari tijdens het ochtendappèl te horen krijgen, dat ze de volgende dag met de "Nieuw Amsterdam" naar Ned. Indië zullen vertrekken.

Dinsdag 15 januari ’46: Er wordt hoog bezoek verwacht, want Prins Bernhard zal, zoals eerder aan de jongens was medegedeeld, vandaag een bezoek komen brengen. Met een door de Prins zelf bestuurd vliegtuig komt hij met enkele officieren de mannen inspecteren en toespreken. Hij spreekt o.a. over de belangrijke taak die de jongens in Indië te wachten staat en hoopt hierbij op een goed eindresultaat.

Aankomst van Prins Bernhard op het vliegveld van Farnborough

Toespraak van Prins Bernhard in Aldershot

Na de toespraak hebben de jongens een gezellig onderonsje met de Prins. Zo grapt hij; dat hij wel hoopt dat de jongens in hun militaire taken beter zullen zijn dan tijdens het marcheren. Of hij hun ook daadwerkelijk had zien marcheren is nog maar de vraag.

Vertrek uit Southampton

Donderdag 24 januari ’46: De dag van vertrek is aangebroken. De eerste helft van het bataljon marcheert in de vroege ochtend naar Farnborough, waar ze op de trein zullen stappen. Na een reis van ruim twee en een half uur komen de mannen aan op de kade van Southampton. Het is nog maar 5.00 uur in de vroege ochtend als de trein vlak bij de "Nieuw Amsterdam" op de kade stopt. Daarna gaan de mannen in alfabetische volgorde meteen aan boord.

Vrijdag 25 januari ’46: Al om 3.30 uur vertrekt nu ook de tweede en tevens laatste groep richting Farnborough, om vervolgens met de trein naar Southampton te reizen. Na aankomst gaat ook deze groep inclusief hun bagage aan boord, het is dan inmiddels 8.00 uur. Als de uitrusting eenmaal naar de juiste slaapzaal of hut is gebracht en ook een kleine opfrisbeurt is gedaan, wordt vervolgens een goede maaltijd genuttigd. Daarna gaan de jongens op pad om het schip en haar omgeving wat beter te bekijken. In de haven liggen nog enkele bekende schepen afgemeerd, zoals de "Queen “Elisabeth" en het hospitaalschip de "Oranje" die eerder al op 5 januari van een reis uit Semarang is aangekomen.

De "Queen Elisabeth" tijdens de ochtendschemer in de haven van Southampton

Vervolgens komt de inspectie van het schip zelf aan de beurt. Al snel komen de mannen er achter dat het schip acht dekken telt en dat ieder dek zijn eigen naam heeft. Alles op het schip heeft een naamboordje en alles aan boord is in het Engels geschreven. Verder is er een bioscoopzaal, een zwembad die omgebouwd is tot douchezaal, enkele kantines, enorme slaapzalen vol opklapbare bedden die vijfhoog gestapeld zijn, een sportdek, een enorme keuken en zelfs een lift en dat is dan nog lang niet alles wat er te ontdekken valt. De gangen met hun ontelbare hutten lijken oneindig lang. Alles bij elkaar een enorm groot schip, waar de jongens nog dagen voor nodig zullen hebben eer ze de weg een beetje weten. Overal kom je luidsprekers tegen die de jongens van informatie voorziet, zoals de dagelijkse nieuwsberichten waardoor ze dus goed op de hoogte blijven van het wereldwijde gebeuren. Het verhaal doet de ronde dat vandaag ook Generaal P.L.G. Doorman en zijn staf aan boord is. Het blijk dat hij samen met zijn dochter de jongens uitgeleide komt doen.

 

Voor de reis naar het verre Oosten zijn aan boord, de mannen van 1-1 RI, 2-5 RI en 1-12 RI, wat marinemensen, mariniers, zowel Engelse militairen als burgers, een aantal Canadese militairen, Nederlandse verpleegsters en een groep Javanen. Anders dan voorheen is het schip nu bij lange na niet vol. Inclusief de bemanning zijn er ongeveer 3000 mensen die de reis zullen meemaken.

Zowel op de kade als aan boord worden de laatste voorbereidingen getroffen voor vertrek. De laatste zakken met aardappels verdwijnen in het ruim en zij die niet mee reizen moeten van boord. Het geluid van de stoomfluiten is steeds indringender en om twee uur worden de loopplanken met behulp van een kraan op de kade gehesen. Plots komen er drie militairen beladen met hun geweer en uitrusting de kade op rennen. Ze blijken om wat voor reden dan ook te laat zijn, maar willen nog wel heel graag mee. Na enig overleg van een majoor en de generaal met de kapitein komt de kraan weer in beweging en wordt een van de loopplanken weer gehesen, zodat de laatkomers alsnog aan boord kunnen. Daarna worden de trossen losgegooid en komt het schip dan eindelijk in beweging.

De "Nieuw Amsterdam" gaat ditmaal voor de allerlaatste keer als troepentransportschip op reis. Met behulp van vier sleepboten wordt het schip op stoom gebracht, waarna het al snel op eigen kracht de diepe inham van de haven uitvaart. Het is een mistige dag als het schip, geëscorteerd door enkele torpedoboten, over het kanaal langs het eiland Wight naar open zee vaart. Om 16.00 uur die middag worden de militairen door middel van een alarmsignaal naar het dek geroepen voor de eerste oefening. Zij moeten zich zo snel mogelijk bij een aan hen toegewezen sloep verzamelen . Door de laaghangende mist verdwijnt het land al snel uit zicht en eenmaal buitengaats is de deining meteen goed voelbaar. Vanavond gaan de jongens vermoeid door alle gebeurtenissen vroeg naar bed. De eerste verschijnselen van zeeziekte openbaren zich dezelfde avond al, zodat de gang naar de reling om te braken meteen van start is gegaan.

Zaterdag 26 januari ’46: Gedurende de slaap hebben de meeste jongens niet veel gemerkt van het schommelen, maar zodra ze uit bed komen begint hun maag meteen te werken. Aan de reling is het inmiddels veel drukker dan in de eetzaal. Naar gelang de Golf van Biskaje dichter nadert wordt ook de zee onstuimiger en zijn inmiddels de meeste jongens wel slachtoffer geworden van de zeeziekte. Na twee dagen is de zee alweer een stuk rustiger en knappen de jongens ook snel weer op. Vanavond gaat voor het eerst de bioscoopzaal open en zal om 22.00 uur Kaap Finisterre worden gepasseerd, zodat de Portugese kust spoedig in zicht zal komen.

Mannen van 2-5 RI zoeken ontspanning op het dek

Toelichting foto: Uiterst links op de foto zit Luitenant P.E Kloots (26 jaar) die later president van de krijgsraad is geworden, daarnaast zit Lt. v.d. H. de Kinderen (27 jaar) met naast hem Lt. A.W. Zabel (26 jaar). Zij hadden alle drie hun sporen al in het verzet verdiend.

Zondag 27 januari ’46: Bij het opstaan is het meteen goed te merken dat de zee een stuk rustiger is geworden. Iedereen is weer genezen verklaart en daarmee is het ook meteen weer een stuk drukker in de eetzaal. Alle militairen krijgen een corveetaak toebedeeld, is het niet in de keuken of eetzaal, dan is dat wel elders, want het schip zal schoon gehouden moeten worden.

OVW'er Daan Baan, zit bij het 2-5 RI en heeft als corveetaak de verzorging van het eten in de eetzaal. Hij zal tijdens de hele reis een tafel voor 20 personen van eten moeten voorzien en daarna ook alles weer opruimen. Het eten aan boord is bijzonder goed te noemen, menigeen zal het thuis niet beter hebben gehad. Zelf heeft hij tijdens de oorlog drie jaar ondergedoken gezeten op een boerderij en daar kreeg hij heel goed te eten, dus hij kan het weten. Wat hem aan boord direct opvalt, is dat er niets van het overgebleven eten wordt bewaard. Alles wat over is gaat meteen overboord en dit gebeurd dus twee keer per dag. Het is echt onvoorstelbaar wat er aan eten over de reling gaat. Dat moest ook wel, want er kon geen enkel risico worden genomen dat iemand ziek werd van eventueel bedorven voedsel. Buiten zijn corveetaak is hij de rest van de dag vrij, zodat het bij elkaar genomen reuze meevalt.

Tijdens de reis ontvangen alle militairen 500 Engelse sigaretten, 24 repen chocolade, zeep en de nodige andere onderhoudsmiddelen. De hele dag blijft de Portugese kust in zicht. Niet alleen het weer is beter geworden, ook het water is nu van een bijna zwarte in een blauwgroene kleur veranderd. In de middag passeert het schip Kaap Saint Vincent waar rijdende auto’s langs de oever goed zichtbaar zijn. De Portugese zuidkust is bereikt en het scheepvaartverkeer wordt hier alsmaar drukker.

Vanavond wordt er weer een film gedraaid en is aan dek accordeonmuziek te horen, hierop wordt gedanst met de weinige dames die aan boord zijn. Het is 21.30 uur als de Straat van Gibraltar is genaderd, ondanks de duisternis zijn nu de contouren van een enorme rotsmassa goed te zien. De golven slaan woest tegen die steile rotswanden te pletter, wat een schitterend gezicht oplevert. Aan stuurboord komen de eerste lichtjes in zicht en dat betekent dat nu ook de Afrikaanse kust is bereikt.

De Rotsen bij Gibraltar

Maandag 28 januari ’46: Tijdens het varen langs de Afrikaanse kust is de zee spiegelglad. De kuststrook is hier bergachtig en  goed zichtbaar en al vrij snel blijkt dat dit kale en onbevolkte bergen zijn. Op het achterdek wordt exercitie gehouden en les in Maleis gegeven . Er is vanavond weer muziek en dans op het dek, het is er behoorlijk druk en gezellig en de muziek is nu uitgebreid tot vier muzikanten. Ook de bioscoop trekt vanavond weer een volle zaal. Rond 22.00 uur passeert het schip de stad Algiers, die met haar lichtjes schitterend afsteekt in de duisternis. Het wordt iedere avond later donker en de klok is een uur teruggezet, zodat het nu weer net zo laat is als thuis in Nederland.

Dinsdag 29 januari ’46: De Middellandse Zee ziet er vandaag uit zoals je het uit de boeken kent, spiegelglad, helderblauw en een stralend hemel daarboven. Er varen enkele schepen voorbij, waaronder een tot vliegdekschip omgebouwde tanker, waarop mensen en vliegtuigen zijn te zien. Ook worden er een aantal eilanden waargenomen en de kust wordt als maar mooier, hier zijn nu heel duidelijk stranden, gras en bomen waar te nemen. Verder is er een witte vuurtoren en andere gebouwen te zien, die bijzonder mooi tegen de rotsbergen zijn aangebouwd. Om 13.30 uur wordt Kaap Bon gepasseerd, daarna zal de Afrikaanse kust al vrij snel voorgoed uit het zicht verdwijnen. Vervolgens komt Pantellaria in het vizier, dit eiland werd bekend door de geallieerde invasie in 1943. Vanavond blijkt dat de muziekband nog verder is uitgebreid en dat er alweer wordt gedanst. De dames hebben het er maar druk mee. Rond de klok van 22.00 uur passeert het schip alweer een bekend punt, nu is dat het eiland Malta.

Woensdag 30 januari ’46: In de ochtend is het mistig en staat er een stevige bries. Op het dek worden enkele groepen waargenomen die aan het sporten zijn. Er wordt weer les in Maleis gegeven en de wapens worden maar weer eens gepoetst. ’s Middags klaart het weer op, maar de wind blijft. Er komen enkele passagiersschepen langs, waaronder een hospitaalschip. Er zijn inmiddels 2431 zeemijlen afgelegd en het zal nu nog zeker 700 mijl duren voordat Port Saïd is bereikt. Vanmiddag wordt omgeroepen dat de klok een uur vooruit moet. Ondanks de warmte moeten de mannen gewoon hun hoofddeksel blijven dragen, waardoor er zo af en toe wel een overboord waait, de kosten voor dat ding zijn dan natuurlijk voor de ongelukkige. Het was zelfs zo erg dat de ongelukkige bij gebrek aan beter dan zijn helm maar moest dragen. Ondanks dit soort voorvallen bleef de onderlinge stemming aan boord toch goed. Op dagen als deze, wanneer er buiten het schip toch niets bijzonders valt te bekennen, wordt het schip zelf wat beter verkend en zo kan je dan verzeild raken in een vrij modern ingerichte ziekenzaal waar de verzorging heel goed schijnt te zijn. Verder moet natuurlijk de was een keer gedaan worden en krijgt de kapper wat regelmatiger bezoek. In de bioscoopzaal draait vanavond een nieuwe film en daarna gaan de jongens maar weer eens slapen.

Maaltijdenkaart voor de derde zitting

Donderdag 31 januari ’46: Het wordt een feestelijke dag. Vandaag is Prinses Beatrix jarig en dat moet natuurlijk gevierd worden met een dag vrijaf. De COT heeft vanwege haar verjaardag gelukstelegrammen naar Nederland verstuurd. In de loop van de dag komt er een mededeling dat Port Saïd vandaag bereikt zal worden en inderdaad rond 17.30 uur zijn de eerste tekenen van land aan de horizon waarneembaar. Er wordt vandaag voor het eerst toestemming gegeven om zonder hoofddeksel te mogen lopen. Omdat een aantal opvarenden in Port Saïd de boot zullen verlaten is er een speciale dansavond georganiseerd. Er wordt gedanst op muziek van de inmiddels officieel gevormde band, inclusief twee als clown verklede matrozen. Ook zijn er die avond voor het eerst verliefde stelletjes op de dansvloer waargenomen.

Om 23.00 uur wordt de haven van Port Saïd bereikt. Schitterend zoals deze stad met al haar lichtjes afsteekt in het donker en al die witte gebouwen met hun ronde koepels en die ontelbare palmbomen. De Oosterse wereld lijkt werkelijk een sprookje! In de haven ligt ook de Britse kruiser "HMS Glory" en er zijn veel kooplieden te zien die in hun bootjes rond het schip dobberen. Gelukkig was er van tevoren al gewaarschuwd voor hun malafide praktijken. Ook moesten alle patrijspoorten worden afgesloten, zodat geen ongewenste lieden aan boord konden komen. Ondanks dat zijn er toch spullen ontvreemd en zijn zelfs enkele van die lui op het sportdek waargenomen. Zonder pardon worden zij door enkele matrozen over de reling het water ingegooid, waarna ze door hun eigen maten weer werden opgepikt. Op een gegeven moment is er een bootje dat er hals over kop vandoor wilt gaan: Die kooplui hadden eerst een handeltje gedreven en het geld in ontvangst genomen, hierna zou de koopwaar dus naar boven gehesen moeten worden, maar daar hadden ze schijnbaar geen zin in. Een matroos die dat meteen in de gaten heeft pakt een brandslang en spuit dat bootje vol met water, waarna dat ding inclusief alle koopwaar al vrij snel naar de diepte zinkt. Ook is het niet toegestaan om etenswaren bij die lui te kopen, dit omdat men bang is voor ziektes. Belangrijk is natuurlijk ook dat de post hier van boord gaat en hopelijk zal er ook post binnengehaald worden, maar dat blijkt niet zo te zijn. Ondanks dat er een verbod is om in de haven te fotograferen worden er toch stiekem foto’s genomen.

Vrijdag 01 februari ’46: Vanochtend om 5.00 uur vertrekt het schip richting het Suezkanaal, zodat de meeste jongens nog liggen te slapen als ze de haven van Port Saïd uitvaren. Ondanks de mededeling dat het sinds 30 jaar niet meer zo koud is geweest, vinden de soldaten het toch best wel warm. Aan de linker oever van het kanaal is niets anders te zien dan woestijn, rechts worden nederzettingen waargenomen, die onderling verbonden zijn door een autoweg en een spoorlijn. Ook loopt er een oliepijpleiding gedeeltelijk langs het kanaal. Bij enkele kampementen worden de jongens vriendelijk toegewuifd door Engelse militairen, ook wordt er over en weer geroepen. Achter de "Nieuw Amsterdam" volgt een hele rij schepen die ook op weg zijn naar het zuiden. Ondanks dat er vrij langzaam wordt gevaren is er toch een enorme zuiging in het water waarneembaar. Verder zijn er diverse tentenkampen te zien die omringd worden door prikkeldraad. Mogelijk werden deze kampen voor Duitse krijgsgevangen gebruikt.

Engelse nederzetting langs het Suezkanaal

Ook komt er een man op de fiets langs gereden, die de jongens in goed Nederlands veel geluk toewenst. Diezelfde avond nog wordt tegen de klok van 18.00 uur de stad Suez bereikt. Aan de vele kranen en andere haveninstallaties is duidelijk te zien dat het een belangrijke haven moet zijn. Verder zijn er olietanks, witte gebouwen, fabrieken met hoge schoorstenen en kerken met minaretten te zien. Midden in de baai ligt een betonnen eiland en aan de andere kant van het schip zijn steile heuvels en een strand te zien, met daarvoor een gezonken schip. Vanuit de Golf van Suez komt nog een groot schip de haven binnenvaren en bij het passeren wordt over en weer gesalueerd. Het blijkt de Nederlandse "Boissevain" te zijn, die uit Ned. Indië op de terugweg naar Holland is. Even voorbij de stad gaat de "Nieuw Amsterdam" voor anker en komen er al snel twee tankers langszij om het schip te voorzien van brandstof en water. Ook zal er proviand worden ingeslagen.

De baai Suez met het betonnen eiland

Zaterdag 02 februari ’46: Vanochtend wordt er een sloepenrol gehouden, die overigens prima verloopt. Om 13.30 uur maakt de laatste watertanker zich los van het schip en kan de reis verder gaan. Suez is met die heldere lucht nog lang te zien, tot het uiteindelijk uit zicht verdwijnt. De oevers zijn nog wel waarneembaar, maar dat zal niet zo lang meer duren en dan is er voorlopig alleen nog maar water te zien. Het waait flink, maar met die warmte erbij is het best goed uit te houden in een battledress. Terwijl de meesten jongens vanavond in de bioscoop zitten vaart het schip de Rode Zee op, verder richting het warme zuiden.

De bergachtige kust langs de Rode Zee

Zondag 03 februari ’46: Na een woelige nacht op een benauwde slaapzaal, staat bij het aan dek gaan de zon al hoog aan de hemel. Er is geen enkel zuchtje wind te bekennen en de vlag hangt slap in de mast. Na het bijwonen van de kerkdienst, die overigens in de eetzaal is gehouden, komt er toestemming om in het overhemd te mogen lopen. Nu de warmte nog wel meevalt, is het goed bruinbakken op het dek, maar met ontbloot bovenlichaam lopen blijft verboden. Ook komen er orders binnen betreffende het gebruik van te veel drinkwater. Later op de dag zal eindelijk de battledress worden verruild voor het tropenuniform. Dat tropenuniform zit overigens flink in de vouwen en zal dus eerst uitgehangen moeten worden. Doordat de klok weer een uur vooruit moet worden gezet, gaan de jongens die avond bijtijds naar bed.

De korte broek is aan en het zwemvest is paraat

Maandag 04 februari ’46: Met het tropenuniform aan is het meteen ook een stuk fleuriger in de eetzaal en aan dek. Men voelt zich nu in die dunne kleding duidelijk een heel stuk aangenamer. Het lijkt wel of dat er een nieuw tijdperk is aangebroken. Er staat vandaag een sportevenement op het programma. Alle drie de infanteriebataljons en de Engelse militairen zullen hun sportieve krachten gaan meten op diverse onderdelen. Op het programma staan een hindernisbaan, tennis, een honderd meterbaan, hoogspringen, touwtrekken, bokswedstrijden enz.

Een sportdag waaronder ook bokswedstrijden

Vanaf nu is het iedere dag verplicht pillen slikken tegen malaria. Tijdens het laatste stuk op de Rode Zee, wordt om 16.00 uur de alom bekende Berg Sinaï zichtbaar. Duidelijk is de plek te zien waar Mozes de stenen tafelen ooit ontving. Vanavond is er een schitterende show te zien en zal eveneens de stad Aden worden gepasseerd. Het wordt als maar warmer, zodat de jongens steeds vaker naar het dek gaan voor een beetje fatsoenlijke nachtrust, in de ruimen is het nu niet meer uit te houden. De stad Aden bleek echter die nacht pas om 2.00 uur gepasseerd te zijn, zodat het schip bij het wakker worden nog in de Golf van Aden vaart. De Indische Oceaan zal hierna spoedig bereikt zijn en zal het verder gaan richting Trincomalee (Ceylon).

Mooie close-up foto van een bokswedstrijd

Dinsdag 05 februari ’46: Naar gelang de reis vordert neemt ook de verveling toe, want buiten het zonnen is er niet zo veel te beleven. Wel zijn er nog lessen in Maleis en komt er een dokter toelichting geven over de hygiëne in de tropen en maakt de tandarts van de gelegenheid gebruik om de gebitten wat beter te controleren. De aalmoezenier en dominee vertellen de jongens waarmee ze zoal rekening moeten houden tijdens hun verblijf in Indië. De wapens worden ook maar weer eens gepoetst en de was gedaan. ’s Avonds is er alweer dansen op het achterdek en in de nacht vaart het schip vanuit de Golf van Aden de Indische Oceaan op.

Woensdag 06 februari '46: Bij een vrij bewolkte dag worden vandaag de eerste vliegende vissen waargenomen. Het wordt ook een droeve dag, want om 14.00 uur wordt bekend gemaakt dat een van de jongens in de ziekenzaal is overleden. Soldaat Tamme Grasmeijer, die nog maar 18 jaar oud was en tot het 1-1 RI behoorde, is door een ontsteking aan zijn luchtwegen, waarbij oedeem is opgetreden, overleden. Zijn stoffelijke overschot zal morgen een zeemansgraf krijgen. Uit respect wordt die avond het dansen afgelast. Op aandringen van de Engelsen zal wel de filmvoorstelling doorgaan, maar uit protest zijn daar geen Nederlands heen gegaan. De klok wordt nogmaals vooruit gezet, zodat het verschil nu al drie uur met Holland is.

Donderdag 07 februari ’46: De zon is vanochtend alweer aardig present en de vliegende vissen zijn nu in grote aantallen aanwezig. Om 17.00 uur wordt ter ere van Tamme Grasmeijer de vlag halfstok gehesen en om 17.45 uur vindt in het bijzijn van alle onderdelen de laatste plechtigheid plaats. De commandant en de veldprediker spreken enige afscheidswoorden en vervolgens stoppen de motoren van het schip. Daarna zakt de kist, die al in de takels boven het water hangt, een stuk naar beneden. Na de traditionele woorden ‘Een-twee-drie in Godsnaam’ worden de touwen doorgehakt en valt de kist op het water, waarna hij al vrij snel naar de eindeloze diepte verdwijnt. Hierna hervatten de machines hun arbeid en het schip vaart weg van de plek waar onze eerste makker is achtergelaten.

Vrijdag 08 februari ’46: De klok is vannacht alweer een uur vooruit gegaan. Het weer is nog steeds prima en de zee nog even helder blauw. De eerste orders voor het verblijf op Ceylon worden door de luidsprekers omgeroepen. Er komen steeds meer geruchten over de eindbestemming van de reis, maar niemand kan enige zekerheid geven. ’s Middags worden twee officieren beëdigd en tijdens deze plechtigheid passeert de "Indrapoera". Beide schepen naderen elkaar op korte afstand, over en weer wordt op de gebruikelijke wijze gegroet met de driekleur in top en drie stoten op de scheepshoorn. Er schijnt vandaag een kind geboren te zijn en zo merk je dat het leven ook aan boord gewoon door gaat.

Zaterdag 09 februari ’46: Het is een bijzonder rustige dag, zonder noemenswaardige gebeurtenissen. Wel komen om 17.30 uur de contouren van Ceylon in zicht. Vandaag valt eveneens de eerste tropische regenbui op de niets vermoedende hoofden.

Zondag 10 februari '46: Bij het opstaan is de heuvelachtige kust van het eiland al goed te zien. Diverse schepen, waaronder enkele vliegdekschepen, worden gepasseerd en het zal nu niet zo lang meer duren dat het schip door de inhammen de haven van Trincomalee binnenvaart. Ook hier zijn gezonken schepen te zien, waardoor duidelijk is dat ook de vijand van deze inhammen afwist. 

Een gezonken schip waarvan de mast boven het water uitsteekt

Op halve kracht vaart het schip de baai in en legt vast bij twee grote boeien. Overal zijn droogdokken, schepen als oorlogsbodems en vrachtvaarders en ontelbare roei- en zeilboten te zien. De stad is schitterend gelegen aan een natuurlijke haven die als marinehaven wordt gebruikt. De hongerig uitziende inlanders varen rond in kano’s en bedelen om sigaretten en kleding, of proberen deze te ruilen voor kokosnoten, ananas en bananen. Er wordt weer gebunkerd en vanavond is er een groot feest, speciaal georganiseerd omdat hier een aantal mensen van boord zullen gaan. De verlichte huizen steken ook hier weer schitterend af tegen de berghelling. Dit is trouwens het land dat ooit aan de Hollanders heeft toebehoord, maar werd ingepikt door de Engelsen. Vanavond moest ook nog de scheepspolitie in actie komen, want er was onder de Indische passagiers onenigheid ontstaan tijdens een gokspel.

In de haven van Trincomalee

Maandag 11 februari '46: Vandaag gaan de zogenoemde WNR-girls van boord, zodat het schip nu op enkele verpleegsters na ineens zonder meisjes zit. Na enkele uren van laden en lossen van post en levensmiddelen, komt er opeens een landingsvaartuig aanvaren, met aan boord vijftig Nederlandse verpleegsters en dames van de Marva. Zij werden eerder al met een KLM-vliegtuig op Ceylon afgezet en zullen vanaf nu meevaren naar Indië, om vandaar repatriërenden naar Nederland te vergezellen. Twee broers gaan hier samen een derde broer bezoeken, deze was in Trincomalee al tijdens een eerder transport ziek achtergebleven. Bij terugkomst melden beide broers dat aan land veel sierraden aangeboden worden, maar dat die helaas alleen tegen Indisch geld worden verkocht. In de loop van de dag vertrekt een sloep van de "Nieuw Amsterdam" naar de wal, met achterop de Nederlandse driekleur die fier omhoog steekt. Om 16.00 uur wordt ter ere van alle nieuwkomers een sloepenrol gehouden, waarna het schip door twee sleepboten de haven wordt uitgeholpen. Het laatste deel van de reis is begonnen en over vier dagen zal Singapore bereikt zijn. Ter kennismaking met de nieuwe dames wordt er alweer een dansavond georganiseerd.

Een laatste blik op de kust van Ceylon

Dinsdag 12 februari ’46: Vandaag staan er diverse attracties, zoals zaklopen, hindernislopen en iets met eieren op het programma. Er is een stevige deining, zodat enkele van de nieuwkomers zeeziek worden. De klok gaat weer vooruit en het tijdsverschil in nu opgelopen tot vijf en een half uur. Vanavond is er weer een grote show en dat is tot nu toe dan de tweede tijdens de reis.

Woensdag 13 februari ’46: De ochtend wordt hoofdzakelijk gevuld met inspectie van kleding en uitrusting, want de jongens zullen een dezer dagen van boord gaan. Om 12.00 uur komt er land in zicht. Zou dit dan Indië al zijn? En ja hoor, het is inderdaad Sumatra! Om 13.30 uur wordt Sabang gepasseerd en vanuit een van de havens van Poeloe Weh komt een torpedojager full speed het schip tegemoet varen. De "Nieuw Amsterdam" reageert hierop door met de vlag te groeten; eerst wordt die tot halverwege gehesen om hem vervolgens weer te strijken, daarna wordt hij dan volledig worden gehesen. Deze begroeting wordt door de torpedojager op dezelfde manier beantwoord. Als de Nederlandse driekleur van beide schepen volledig in top steekt wordt er een luidkeels gejuicht. Het was de Hr. Ms. "Jan van Galen" die even een kijkje kwam nemen. Dat schip vaart éénmaal rond de "Nieuw Amsterdam" en verdwijnt vervolgens weer met dezelfde hoge snelheid terug naar haar de haven.

 

De torpedojager Hr. Ms. "Jan van Galen"

De Straat van Malakka wordt bereikt en omdat hier nog steeds gevaar dreigt voor ronddrijvende zeemijnen mindert het schip vaart. De zee is spiegelglad en inderdaad zien we enkele keren zo’n mijn in de verte opdagen. Buiten een aantal kleine zeilprauwen is er vandaag niet veel te zien, maar de kust van Malakka blijft wel goed in zicht. Er komt in eerste instantie bericht, dat niet Singapore maar Batavia aangedaan zal worden. Er is blijkbaar geen rekening gehouden met de Engelse weigering, want het schip moet wel degelijk uitwijken naar Singapore. Dit keer zullen er echter geen tussenstops worden gemaakt langs de kust van Malakka.

Vrijdag 15 februari '46: Het laatste stuk van de reis wordt weer met volle snelheid gevaren en om 8.30 uur laat het schip haar ankers zakken op de rede van Singapore. De spanning stijgt nu ten top. Vergeleken met Trincomalee is in deze haven veel minder te zien. Je ziet wel wat schepen, palmbomen en versterkingen, maar handelaren zoals in Port Said en Suez zijn hier in het geheel niet te bekennen. De post, die al zo lang aan boord is, wordt eindelijk en met veel blijdschap ontvangen. Wel valt het tegen dat veel post vanwege de Nederlandse censuur al was geopend.

Aan boord zit ook OVW'er Jan de Wit. Hij kwam oorspronkelijk uit Nederlands Indië, maar was voor de oorlog naar Nederland gekomen om te studeren. Toen de oorlog uitbrak kon hij niet meer terug en heeft toen ook in het verzet gezeten. Zijn ouders waren tijdens de Japanse bezetting zoek geraakt, maar waren inmiddels weer teruggevonden. Toen ze hoorden dat hij onderweg was naar Malakka, zijn ze naar Singapore vertrokken om hem te verwelkomen. Enkele dagen voordat hij op Malakka zou aankomen is hij aan nekkramp overleden en heeft hij een zeemansgraf gekregen.

Vanwege eventuele malariaproblemen moet vanaf nu iedere avond de lange broek worden aangetrokken en de opgerolde mouwen naar beneden gedaan. Door de bemanning van het schip wordt nu veel gepassagierd en ze komen iedere keer opnieuw weer terug met inkopen. Ook vertellen zij dat er veel te beleven is in Singapore, maar daar hebben de jongens zelf natuurlijk niets aan. Zij mogen alleen maar over de reling naar het land turen! Tot er dan eindelijk het langverwachte bericht komt dat ook de jongens de volgende dag zullen debarkeren. Alle drie de regimenten zullen bij elkaar blijven en naar het 200 kilometer verder gelegen Chaah vertrekken. Zij zullen daar de X-Brigade gaan vormen en verder worden getraind en uitgerust en om wat te acclimatiseren.

Zaterdag 16 februari ’46: Om 7.00 uur gaat de eerste groep van ongeveer 1000 man van boord en wordt meteen ook begonnen met het lossen van hun bagage. De zieken zullen met een motorboot van het Rode Kruis naar de wal worden gebracht. Toen ’s middags om 16.00 uur de tweede groep van boord ging, werd het merkbaar stil aan boord. Rond het middaguur komt de “Oranje” voorbij varen, het is vanuit Southampton onderweg naar Batavia om daar een groep repatrianten op te pikken. Omdat er de volgende ochtend al vroeg reveille zal zijn, gaan de jongens die op het schip achterbleven vanavond vroeg naar bed.

Zondag 17 februari ’46: Om 7.00 uur verlaat ook de laatste groep het schip. Nagenoeg alle militairen zijn nu van boord, alleen de bemanning en enkele jongens voor de grote schoonmaak zijn aan boord gebleven. Als haringen in een ton zitten de jongens in een landingsvaartuig die hen aan land zal brengen. Al eerder waren er Amerikaanse noodrantsoenen uitgedeeld, nu aan boord van het landingsvaartuig worden ze meteen geopend, gekeurd en als prima voedsel beoordeeld. Het landingsvaartuig vaart dwars door de haven van Singapore, langs een rij schepen (waaronder ook een uit Nederland) naar een aanlegplaats. Precies om 8.30 uur staat de laatste groep jongens dan eindelijk na ruim drie weken varen weer op het vaste land.

Ontscheping op de rede bij Singapore

 

Tijdelijk verblijf in een tentenkamp nabij Chaah (Malakka)

Eenmaal aan land moet er inclusief de bagage eerst enkele kilometers worden gewandeld voordat er een station is bereikt. Onderweg zijn overal groepen werkende Japanse krijgsgevangenen te zien, die door de Engelsen worden bewaakt. Opvallend is wel dat de Japanse krijgsgevangenen heel beleefd groeten, ongeacht rang en stand. Als de groep bij het station is aangekomen wordt de bagage meteen overgenomen en op vrachtwagens geladen. Hier zijn weer veel handelaren te zien, ze proberen zowel waardeloos Japans geld als bananen te ruilen voor sigaretten. Om 10.30 uur komt er, ondanks dat er een spoorwegstaking is, toch een gammel treintje aanrijden, die de jongens richting hun voorlopige eindbestemming zal brengen. Om 15.00 uur is de treinreis ten einde en zal het laatste deel (25 km) met trucks worden afgelegd. Hun bestemming is een tentenkamp nabij Chaah.

Het station van Singapore, vanwaar de treinreis naar Chaah zal beginnen

Reconstructie van een ongeval aan de hand van diverse schriftelijke en mondelinge bronnen

Woensdag 20 maart ’46: Deze dag zal voor 2-5 RI de geschiedenis ingaan als een zwarte dag. Vanmiddag om 16.00 uur zijn de inzittenden van een legertruck komende uit Tenang uit de bocht gevlogen. In de truck (een weapen-carier) zaten zeven jongens die tot de 5e compagnie van 2-5 RI behoorden. Zij waren onder leiding van sergeant Menno Eijsendoorn op zwijnenjacht geweest en kwamen zojuist terug uit een gebied waar veel zwijnen rondliepen. Na de vangst van twee zwijnen keerden ze tevreden terug richting het kamp. Leo Koekenberg zat achter het stuur en was in de regio goed bekend. Toen ze een haakse bocht naderden, raakte de truck van de weg en gleed met het rechterwiel in een beekje. De Engelsen hadden kort geleden op deze plek de bomen gekapt, maar hadden hierbij de stronken laten staan. Leo trapte het gaspedaal wat extra in en probeerde de truck zo terug te laten komen op de weg. De truck raakte echter een van die boomstronken en doordat Leo te veel gas gaf maakte de truck plots een slag van 180 graden. De klap die daarop volgde was zo hevig, dat zowel de brandstof uit de benzinetank als de reserve jerrycans vloeide en over het voertuig stroomde. De brand die volgde was zo hevig, dat ontkomen hieruit onmogelijk was. Enkele ambulances van het Engelse leger waren vrij snel ter plekke en brachten de gewonden naar de medische post, die op het kampement van het voormalige Japanse vliegveld van Chaah was. Nadat ze daar kort zijn behandeld, werden ze direct doorgebracht naar het hospitaal in Kluang.

Twee van de gewonden, soldaat Hendrik Jan (Henk) van der Linde uit Zwolle en soldaat Frederik Hoekveld uit Enschede (beide ongehuwd), zijn nog diezelfde avond aan hun verwondingen bezweken. Een derde soldaat, Leonardus Wilhelmus Laurentius (Leo) Koekenberg (gehuwd en een kind), bezweek de volgende ochtend aan zijn verwondingen. Op 22 maart zijn ze met militaire eer begraven in Kluang. Toen 2-5 RI de daarop volgende dag van Malakka vertrok, zijn zowel de overledenen als de gewonden daar achtergebleven. Enkele dagen later op 28 maart bezweek nog een vierde slachtoffer aan zijn verwondingen. Dit was soldaat Johannes Engelbertus Leis uit Enschede (gehuwd en drie kinderen).

Arnold Hoekveld, broer van de overleden Frederik Hoekveld, zat eveneens bij 2-5 RI. Tijdens het ongeval zat hij ook in die truck en hij wist zich in 2016 alles nog heel goed te herinneren. Zo vertelde hij dat sergeant Menno Eijsendoorn nog tijdig uit de truck kon springen, zodat hij aan die helse vuurzee ontkwam. Arnold zelf werd uit de auto geslingerd en raakte hierdoor gewond aan zijn knie, maar had daardoor wel het geluk dat ook hij geen brandwonden opliep. Volgens eigen woorden raakte hij gewond maar voelde hij het nauwelijks en was in staat de overige slachtoffers bij te staan. Ook weet hij zich te herinneren, dat ze eerst naar hun kampement op het voormalige Japanse vliegveld van Chaah werden gebracht en daar de eerste verzorging kregen. Met andere (vracht)auto’s zijn ze vervolgens naar dat hospitaal in Kluang gebracht. Zijn broer Frederik Hoekveld was er erger aan toe dan hij en had in ieder geval een dubbele beenbreuk opgelopen, maar Henk van der Linde was er volgens Arnold nog véél erger aan toe, die was over zijn gehele lichaam verbrand en Henk was er zelf al van overtuigd dat hij het niet zou halen.

Arnold Hoekveld vertelt verder dat de jongens in het hospitaal van Kluang meteen van elkaar werden gescheiden. Zelf kon hij zich nog enigszins voortbewegen en werd meteen in de hal gedropt. Twee anderen werden naar een zaal gebracht en Henk van der Linde ging naar een apart kamertje. Dat Henk het niet zou halen had Arnold meteen door. Niet veel later werd de broer van Arnold ook naar datzelfde kamertje gebracht. Dat vond Arnold natuurlijk raar, maar even later kreeg hij te horen dat ook zijn broer Frederik inmiddels was overleden. Leo Koekenberg bezweek een dag later. Leo was vlak voor zijn dood helemaal van de kaart en lag enorm te gillen. Even later kwam iemand van het hospitaal vertellen dat de vent die zo hard lag te gillen ook was overleden. Toen Arnold Hoekveld met Johannes Leis in het hospitaal lag, hebben ze samen veel gebeden. Leis was namelijk rooms-katholiek en omdat Arnold in de oorlogsjaren bij een rooms-katholieke familie ondergedoken was, had hij veel opgestoken over dat geloof. Toen Leis op 28 maart overleed, liet hij een vrouw en drie kinderen achter. De jongste was nog maar één jaar oud, de middelste drie en de oudste vijf. 

Met dank aan Arnold Hoekveld (overleden 12-04-2017) en Wim van Sluijs, die beiden als OVW-er bij 2-5 RI hebben gediend.

De X-Brigade zal tot 24 maart ’46 op Malakka blijven, om uiteindelijk met verscheidene schepen naar Java en Sumatra te vertrekken. Een van deze schepen is het Brits-Indische ss "Nevase", die de jongens van 2-5 RI in de haven van Soerabaja aan de kade zal afzetten.

Verscheping naar Java

Aan boord van het Brits-Indische schip de "Nevase"

Zondag 24 maart ’46: Aan boord van de "Nevase" zat ook Daan Baan, die samen met zijn dienstmaten (vijf regimenten van 2-5 RI, waaronder Bertus Kwertus), naar Oost Java zullen varen. Hij weet zich nog goed te herinneren dat dit schip net zo verwaarloosd was als de "Ben-My-Chree", waarmee ze in januari al vanuit Oostende naar Engeland waren gevaren. Het leek wel of de "Nevase" als kolenschuit had gefungeerd, want overal waar je keek kwam je kolengruis tegen. Tijdens de reis werd net als in het tentenkamp van Chaah uit zogenaamde combi-kisten (noodrantsoen) gegeten. De inhoud van een combikist bestond hoofdzakelijk uit voedsel en was voldoende voor één dag en voor zes personen. Er zat corned beef in, chocolade, blikken met biscuits, pakjes Player-sigaretten van 50 stuks, wc papier enz. Al dat eten was meteen geschikt voor consumptie, dus je hoefde niets op te warmen. Bedden waren er niet aan boord, er moest in een snikheet ruim in hangmatten worden  worden wgeslapen, dus er werd daar beneden heel wat afgevloekt. Later zijn ze maar aan dek gaan slapen. De kerkdienst van 18.30 uur werd voorgegaan door de dominee van 2-5 RI, die ook nog even stilstond bij het ongeval met de truck, waarbij op het moment van deze overtocht drie jongens aan hun verwondingen zijn overleden.

Vrijdag 29 maart ’46: Bij aankomst op Oost Java gaat die schuit in de haven van Soerabaja (Tandjang Perak) aan de kade. In de haven is goed te zien dat ook hier de oorlog veel schade heeft achtergelaten. Een aantal loodsen is met de grond gelijk gemaakt en de loodsen die nog overeind staan zijn niet veel meer dan bouwvallen.

 

Ontscheping in een zwaar gehavend Tandjang Perak