Met het 'Kennemerbataljon' (2-4 R.I.) naar Nederlandsch-Indië

Militair verstuurde kaart van het m.s. "Alcantara" met nog twee schoorstenen

Wat er aan voorafging

Nederland is bevrijd….

De mannen die deel uit maken van het Kennemerbataljon (bataljon oorlogsvrijwilligers) zijn inwoners van Haarlem en de wijde omgeving. Het bataljon II-4-R.I., zoals de officiële legernaam luid, zal zich in Engeland gaan voorbereiden op de grote oversteek naar Azië. In Engeland zullen ze worden ingeënt tegen tropische ziekten, krijgen ze tropenuitrusting en worden alle financiële en administratieve zaken geregeld. Het uiteindelijke doel van de reis is Nederlands-Indië. Al in 1942 zijn er plannen, om na de bevrijding met de geoefende jongste lichtingen van voor de oorlog 15 bataljons te formeren. Aanvullend hierop zouden er ook 5.000 man vrijwilligers extra naar Nederlands-Indië worden gestuurd. Afspraak is dan wel dat de Britten voor de uitrusting zullen zorgen en hun opleiding in Australië zal plaatsvinden.

Als het eerste deel van Nederlands grondgebied is bevrijd, wordt meteen bekend gemaakt dat mannen en jongens zich kunnen aanmelden als oorlogsvrijwilliger. Zij zullen dan naar Ned.-Indië vertrekken, om het te bevrijden van de Jappen. Het eerste aanmeldingsbureau wordt opengesteld op 22 september 1944 en al snel volgen er meer. Er verschijnen ook pamfletten en boeken, met de oproep om OVW'er te worden. De toeloop naar de aanmeldingsbureaus blijkt al meteen erg groot te zijn.

B.S.-ers in Purmerend

Hele verzetsgroepen tegelijk geven zich op om ook naar Nederlands-Indië te willen. Op 30 november 1944 zijn er twee soorten verbandakten opgesteld. Een Lange Verbandakte: hierdoor kan je voor onbepaalde tijd en overal ter wereld worden ingezet en een Korte Verbandakte: waarbij je alleen in Europa kan worden ingezet, voor de duur van ten hoogste een half jaar.

Op 5 mei 1945 is de toestand als volgt: Het bevrijde zuidelijk deel van Nederland was al begonnen met de organisatie van bataljons met oorlogsvrijwilliger en in de zojuist bevrijde rest van Nederland wacht men nu met smart om zich ook aan te kunnen melden.

Het Kennemerbataljon in wording

Zaterdag 5 mei 1945. De Binnenlandse Strijdkrachten in Haarlem en omstreken is bovengronds gaan werken en handhaaft nu de orde in Zuid-Kennemerland, registreert opgepakte gevangenen en verzorgt de werving van oorlogsvrijwilligers. Veel leden van de B.S. hadden in de oorlog al afgesproken dat ze zich zouden aanmelden voor Nederlands-Indië.  

Zaterdag 31 mei 1945. Inmiddels vier weken later bevindt een administratieve ploeg van oud-B.S.'ers zich in de gebouwen van de psychiatrische inrichting voor vrouwen ‘Huize Sancta Maria’ te Noordwijkerhout, kortweg de Sancta genoemd. Deze administratieve foeragetroepen hebben de opdracht om alles goed voor te bereiden voor de ontvangt van aspirant-militairen. Dit betekent in de eerste plaats onderdak regelen en dat blijkt geen enkel probleem te zijn hier op het terrein van de Sancta. Er zijn momenteel nog maar heel weinig patiënten en verpleegsters aanwezig, zodat nagenoeg alle gebouwen meteen ingezet kunnen worden. Huisvesting is dus geen enkel probleem, maar het organiseren en de aanvoer van eten, militaire kleding en schoeisel en ander materieel wel. Met name de kleding, want het uniform bestaat enkel uit de armband van de B.S. en de kleren die ze daarbij aan hebben. Ondanks alle inspanningen kan de foerageploeg niets veranderen aan deze tekortkomingen.

Voormalig krankzinnigengesticht Huize Sancta Maria

Er zijn er zelfs bij die op blote voeten moeten exerceren, want ook aan schoeisel blijft er een groot gebrek. Voor zover er iets aan trainingen gedaan kan worden, is dat het illegaal gooien van handgranaten in de duinen bij Noordwijkerhout, meer niet. Dit heeft wel zo zijn voordelen. Zo kan de aspirant-militair er niet alleen handgranaten mee leren gooien, tegelijkertijd worden er ook de overgebleven mijnen uit de oorlog mee tot ontploffing gebracht. In zowel de duinen als langs het strand, waren de meeste mijnen al door de gevangen genomen Duitse militairen geruimd, maar blijkbaar zijn er toch heel wat over het hoofd gezien. Verder worden er ook nog militaire-aanvallen nagespeeld in de duinen.

 

Oefeningen in de duinen van Noordwijkerhout

De oorlogsomstandigheden over de hele wereld veranderen nu drastisch. Japan capituleert en Ned.-Indië komt onder gezag van het ‘South East Asia Command’. Engeland heeft niet zoveel op met de plannen van Nederland en reageert uiterst terughoudend als ze horen dat wij troepen naar Indië willen sturen. Ook Australië gooit nu roet in het eten. Oorspronkelijk was het de bedoeling dat onze oorlogsvrijwilliger via Engeland naar Australië zouden gaan voor extra trainingen. Omdat Japan nu toch al is gecapituleerd, vinden ze dat daar ook geen extra troepen meer nodig zijn. Dus weigeren ze nu om nog Nederlandse troepen toe te laten op Australisch grondgebied. 

Veel bataljons oorlogsvrijwilligers zijn inmiddels oprichting en wachtten op verscheping. De Nederlandse regering vindt het van groot belang, dat ze als partner van de geallieerden erkend wordt in Azië en besluit eind augustus alles in het werk te zetten om onze troepen toch in Ned.-Indië te krijgen. Vreemd genoeg zijn de Engelsen wel bereid om de Nederlandse troepen in hun eigen land op te vangen. Dus het plan is om onze bataljons vanuit Engeland meteen door te sturen naar Ned.-Indië. De weinig enthousiaste houding van de Engelsen is bij de Nederlanders inmiddels wel bekend. Zelf zijn ze uiterst traag met het sturen van troepen naar Indië, waardoor onze mensen nog steeds de Jappenkampen niet kunnen verlaten en als ze dat wel zouden doen, lopen ze grote kans om vermoord te worden. Veel Nederlanders hebben familie of vrienden in de kampen zitten, de nonchalante houding van de Engelsen wekt bij hen dan ook grote boosheid op. Zodat het besluit van Nederland, om hoe dan ook troepen in Nederlands-Indië te krijgen, hierdoor alleen maar wordt versterkt.

Een bijkomend probleem voor onze regering is, dat tijdens de oorlog een groot deel van de Nederlandse vloot is vernietigd. Om al onze troepen te kunnen vervoeren zullen dus een groot aantal schepen gecharterd moeten worden. Voor de allereerste oversteek werd het Engelse schip de "Stirling Castle" gecharterd en deze reis veroorzaakte al meteen politieke problemen. De "Stirling Castle" vertrok op 4 oktober 1945 vanuit Liverpool naar Australië. Toen het vertrok mochten onze jongens nog voor een training in Australië aan land, maar tijdens de reis zijn de Australiërs van mening veranderd. De "Stirling Castle" heeft nog wel in Freemantle en Sydney aan de kade gelegen, maar is onverrichte zaken vertrokken. Omdat Engeland bang is dat de opstandelingen zich provocerend zullen opstellen en overvallen zouden plegen op de Britse militairen, mogen ze ook in Ned.-Indië niet aan land. De Engelsen bleven bij hun besluit, zodat de 'Stirling Castle' moest uitwijken naar Malakka.

Oprichting en organisatie van het Kennemerbataljon

Voor de militairen in Sancta Maria verandert er eigenlijk niet veel. De oprichting van het Kennemerbataljon is inmiddels een feit en is samengesteld uit leden van de Binnenlandse Strijdkrachten uit de rayons Haarlem en Alkmaar en andere O.V.W.'ers. De officiële plaats van legering blijft de Sancta Maria met als bataljonscommandant de reserve Luitenant 1e klas Chris (Christoffel) van Kammen. Voor de training zijn speciaal hiervoor opgeleide Engelse officieren aangesteld. Het opzetten van de administratie blijft echter nog steeds een enorme klus, zo ook de foerage van voedsel, kledingen en andere militaire zaken, maar de sfeer is uitstekend.

Groepsfoto op het terrein van Huize Sancta Maria

Vrijdag 17 augustus 1945. De kleding is inmiddels verruilt voor het Engelse uniform, maar dat blijkt wel deels versleten. Schoenen zijn een groot probleem, alles boven maat negen is niet op voorraad. Het militaire materieel verbetert tussen juli en november aanzienlijk en is inmiddels zo goed als compleet.

Maandag 17 september 1945. Vanaf vandaag is 2-4 RI officieel gevormd. Verder zijn er geen bijzonderheden te melden.

Dinsdag 25 september 1945. Vanmiddag wordt er een mars gelopen die letterlijk in het water viel. Vanwege de geldzuivering hebben ze vandaag een tientje aan nieuw geld ontvangen.

Woensdag 26 september 1945. Vanaf vandaag zijn ze gewapend. Als de geweren zijn uitgedeeld worden ze meteen extra goed onderhanden genomen en rijkelijk voorzien van vet. 

Vrijdag 28 september 1945. De dagen verlopen veelal hetzelfde, met een oefening, een marsje, een parade en ga zo maar door. Vandaag wordt de kantine geopend en dat wordt gevierd met een gezellige avond.

Maandag 8 oktober 1945. Vandaag zijn er de hele dag schietoefeningen geweest, hierbij werd over het algemeen goed geschoten. Sinds de opening van de kantine worden daar regelmatig voorstellingen gegeven, zoals toneelstukken en cabaretavonden.

Vrijdag 19 oktober 1945. Vandaag krijgen ze voor de tweede keer een inenting, de vorige was op 9 oktober tegen de tyfus. Ze moeten zich nu ook gereed maken voor inschepingsverlof. Dit verlof wordt in delen gedaan. Zo gaat bij de derde compagnie de eerste groep van 20 tot 29 oktober met verlof en de tweede groep van 29 oktober tot 5 november.

Zaterdag 20 oktober 1945. Deze dag staat in het teken van verlof, maar eerst moeten ze een parade lopen. Waarnemend bataljonscommandant Sijdzes neemt vandaag afscheid, daarna mag de eerste groep verlofgangers naar huis vertrekken.

Zaterdag 17 november 1945. Deze dag staat in het teken van het bezoek van Prins Bernhard die het bataljon komt bezoeken. De reveille is hierdoor een uur vroeger dan normaal, zodat ze zich kant en klaar kunnen maken om zo goed mogelijk voor de dag te komen. Om 09.00 uur staat het hele bataljon aangetreden. De prins is gelukkig keurig op tijd, zodat ze niet lang hoeven te wachten. Nadat hij het bataljon heeft geïnspecteerd is er een defilé en dan is de plechtigheid afgelopen. Daarna is er appel, waarbij de bataljonscommandant het een en ander over het vertrek mededeelt. Hij zegt hierbij dat ze tot volgende week woensdag tot 12.00 uur verlof hebben. Deze mededeling wordt met veel gejuich ontvangen en iedereen gaat zich klaarmaken om naar huis te gaan. 

Donderdag 22 november 1945. Vanochtend worden er voorbereidingen getroffen voor een mars en defilé, die ze ter afscheid van het bataljon in Haarlem zullen houden. Ze vertrekken om 12.00 uur met trucks naar Haarlem. Het defilé en de mars verlopen prima en om 15.00 uur zijn ze weer terug in Noordwijkerhout.

Parade door Haarlem

Vrijdag 23 november 1945. De diensten zijn weer gewoon begonnen. Vanochtend hebben ze een hindernisbaan te nemen en vanmiddag wordt er met echte handgranaten gegooid. Het vertrek is nu officieel vastgesteld op 30 november.

Zaterdag 24 november 1945. Vandaag staan er voetbalwedstrijden op het programma. Vanochtend wint de derde compagnie met 5-0 van de stafcompagnie, maar vanmiddag verliezen ze met 4-1 van de tweede compagnie. Vanaf vandaag 12.00 uur mag niemand de gemeente Noordwijkerhout nog verlaten en vanavond wordt er in de kantine een cabaretavond gegeven.

Maandag 26 november 1945. Veel diensten worden er momenteel niet meer gedaan, de tijd wordt hoofdzakelijk gebruikt om alles in orde te maken voor vertrek.

Dinsdag 27 november 1945. Vandaag is de finale van de voetbalwedstrijden waarmee ze zondag waren begonnen. De hoofdwedstrijd gaat tussen de eerste en de tweede compagnie, die met 4-3 wordt gewonnen door de tweede compagnie. De troostwedstrijd tussen de derde en de vierde compagnie is met 1-0 gewonnen door de vierde compagnie.

Donderdag 29 november 1945. Omdat er om 11.00 uur een paar officieren worden beëdigd, hebben ze om 08.45 uur eerst een proefparade. Vanmiddag wordt er een film gedraaid in de kantine en vanavond moeten ze hun spullen inpakken, want morgen vertrekken ze.

Vertrek naar Engeland

Vrijdag 30 november 1945. Nadat het vertrek tientallen keren is uitgesteld gaan ze eindelijk weg. Ze mogen vandaag tot 09.00 uur uitslapen. Na het ontbijt worden de lunchpakketten voor de reis klaargemaakt, wat de hele ochtend in beslag zal nemen. Om 14.00 uur is het dan zover, ze moeten aantreden voor vertrek. Om 15.00 uur worden ze in trucks geladen en naar het station in Leiden gebracht. Als ze daar aankomen, moeten ze nog tot 18.45 uur wachten voordat er een trein arriveert. Als om 21.00 uur iedereen een plekje heeft gevonden, komt de trein al fluitend en stoomafblazend in beweging. Op het perron zijn familie en vrienden aanwezig, om hun enthousiast uit te wuiven.

Vertrek per truck uit Noordwijkerhout naar Leiden

De reis kan beginnen! Helaas is in de wagons onvoldoende ruimte, zodat sommigen in de bagagerekken liggen om toch wat extra ruimte te creëren. De sterk verouderde wagons hebben nog houten banken en veel ramen zijn stuk, zodat het gure novemberweer vrij spel heeft. Er is geen verlichting en een deel van de manschappen moet zelfs in beestenwagens zitten. Het eerste stuk van de rit gaat nog wel, ze zingen een liedje en er wordt gelachen, maar die vrolijke stemming daalt al snel tot nul. Koud en verkleumd doet iedereen zijn uiterste best om zo comfortabel mogelijk te zitten. Vanwege de oorlog is het spoorwegnet in zeer slechte staat, zodat ze een enorme omweg moeten maken. De reis gaat van Leiden via Haarlem en Amsterdam naar Utrecht en dan over Geldermalsen, Nijmegen, den Bosch, Breda naar Roosendaal. Doordat het niet zo heel erg donker is, kunnen ze in Nijmegen de vernielde Waalbrug en andere verwoestingen zien.

De reis verliep al in het begin met enige haperingen. Het achterste deel van de trein kwam na Haarlem plotsklaps tot stilstand, omdat er tussen twee wagons een koppeling was gebroken en de rest gewoon doorreed richting Amsterdam. Hierdoor moest het voorste deel van de trein weer terug naar Haarlem, om alsnog en nu compleet de reis te hervatten. Door de hopeloze organisatie van de spoorwegen en de kapotte koppeling hebben ze 3 uur vertraging.

België (Oostende)

Zaterdag 1 december 1945. Om 07.30 uur bereiken ze de Belgische grens. Vanaf hier gaat de reis via Antwerpen, Brugge en Gent verder en om 12.00 uur bereiken ze hun eindbestemming in het havengebied van Oostende. Ook in België zijn veel verwoestingen te zien. Zo liggen van Antwerpen hele wijken in puin, die zijn veroorzaakt door de Duitse V1 en de V2. Buiten Antwerpen zijn ook enorme kraters te zien en in Oostende ligt ook veel in puin. In de haven ligt een duikbootbunker erbij, alsof het als een kaartenhuis is gestort. Engelse bommen hebben eveneens hun sporen van vernieling achtergelaten, in de massief betonnen kade zijn enorme gaten geslagen, die soms wel twee tot vier meter breed kunnen zijn.  

Aankomst op het station van Oostende

De oversteek met het s.s. "Prinses Astrid"

De "Prinses Astrid" tijdens het embarkeren, rechts met pukkel is Luitenant Dieperink 

Vanaf nu verloopt alles voorspoedig. Als ze om 12.30 uur aan de kade komen ligt de "Prinses Astrid" al klaar, zodat alle 801 manschappen in een kwartier aan boord zijn en om 13.15 uur al kunnen vetrekken. Eenmaal aan boord hebben ze eindelijk de gelegenheid om wat uit te rusten van de vermoeiende treinreis. De oversteek naar Engeland is niet erg spannend, het zicht is niet zo goed, maar de zee is gelukkig kalm, zodat er maar weinig jongens zeeziek zijn. Aan boord zitten ook leden van de Royal Air Force. Om 15.00 uur worden de lunchpakketten uitgedeeld, die prima smaken.

Aan dek van de "Prinses Astrid"

Als om 17.00 uur de Engelse kust in zicht komt staat iedereen aan de reling, de kust bij Dover ziet er schitterend uit. Loodrecht rijzen de witte krijtrotsen tot wel 40 meter uit de zee omhoog, met daarop huisjes met rode daken. Verderop in het groene landschap zijn ook een molen en prachtige kastelen te zien.

Passant op het Kanaal bij Dover

Dover ligt er tegen de berghelling op bij als in een sprookje, vooral als bij donker alle lichtjes brandden. Om 18.15 uur vaart de "Prinses Astrid" het havengebied van Dover binnen en meert aan.

Engeland (Easthampstead Park-Camp)

Wat meteen opvalt is het verschil in klimaat. Tijdens de reis door Nederland en België was het erg koud. ’s Ochtends had het er nog hard gevroren en nu ze het hier in Engeland zijn is het juist erg zacht. Na eerst wat gegeten te hebben lopen ze naar het station en stappen in de trein, die om 20.30 uur Engelse tijd vertrekt. In de luxe eersteklascoupés kunnen ze heerlijk slapen. Als om 01.30 uur de trein stopt schrikken ze wakker, maar waar zijn ze eigenlijk? De rit is blijkbaar ten einde en moeten ze midden in de nacht te voet verder. Gelukkig worden hun plunjezakken in trucks geladen en na een tocht van ruim een uur komen ze in het kamp aan.

Zondag 2 december 1945. Erg veel is er op het kamp niet te zien, er staan alleen halfronde Nissen-huts, die zijn opgebouwd uit dubbel plaatijzeren golfplaten. Iedere compagnie krijgt zes van deze hutten toegewezen, drie bij drie en tegenover elkaar. Na eerst wat gegeten te hebben worden ze met 16 man in zo'n barak gestopt. Gelukkig zijn hier behoorlijke bedden met springveren matrassen en zonder nog ergens naar te kijken kruipen ze erin. Het is dan 04.00 uur in de vroege ochtend.

De halfronde nissenhutten op het Easthampstead Park-Camp

Maandag 3 december 1945. Ze slapen als rozen en om 10.00 uur worden ze pas wakker. De rest van de dag wordt doorgebracht met schrijven en het verkennen van de omgeving. Ze komen er al snel achter dat het kamp ‘Easthampstead Park Camp’ heet en dat het ongeveer 20 minuten lopen van Wokingham af ligt. Hier vlakbij is de grootste kostschool van Engeland, dat uit een erg mooi gebouw en kasteel uit de 17e eeuw bestaat. Met zestien man in zo’n hut is het best goed vertoeven en er wordt hier dan ook menig prettig uurtje beleefd. Het eten blijkt schaars te zijn, maar in de kantine kan je als bijvoeding cake en koffie kopen. Omdat er erg weinig kolen zijn mag de kachel pas na 17.00 uur aan.

Dinsdag 4 december 1945.  Er worden vandaag vijf Engelse ponden uitbetaald. In Nederland hadden ze daar al 53 gulden voor moeten inleveren en nu kunnen ze er dus dankbaar gebruik van maken. De kantine wordt meteen bestormd en sigaretten worden bij honderden tegelijk ingekocht. De soldij wordt iedere week uitbetaald, waarvan het meeste geld in de kantine, de bioscoop of in winkels verdwijnt. De omgeving is hier schitterend en heerlijk rustig. De jongens hoeven praktisch geen dienst te lopen en als ze naar de stad willen, worden ze al voor 30 cent met speciale bussen naar Wokingham gebracht. Vanavond wordt ook nog Sinterklaas gevierd.

Woensdag 5 december 1945. Het dagelijkse leven voor hen bestaat veelal uit stappen. Zo gaan een aantal jongens vandaag naar Reading, ze moeten eerst met de bus naar Wokingham en vervolgens met een dubbeldeks bus verder naar Reading. Anderen gaan in Bracknell dansen, het valt wel meteen op dat de meisjes hier erg opgemaakt zijn en dat is wel even wennen. Het zijn hier in ieder geval erg gezellige dagen, lekker eten, een bioscoopje pakken, inkopen doen, foto's laten maken enz. Omdat na 18.00 uur geen straatverlichting meer brand en de etalages ook niet verlicht zijn, maken de straten ’s avonds een doodse indruk. De prijzen zijn hier schrikbarend hoog, véél te hoog voor een gewoon soldaat. Ze zijn dan ook vrij snel door hun geld heen, maar ja, zo weten ze wel meteen wat de waarde van de pond is. Vandaag worden de gasmaskers in ontvangst genomen.

Zaterdag 8 december 1945. Vandaag moeten ze eerst de barakken schoonmaken en daarna zijn ze vrij tot 23.00 uur. Het is nog steeds alle dagen stappen en vandaag gaan enkele jongens naar Londen. Ze stappen bij Waterloo Station uit en gaan vandaar met de ondergrondse naar Piccadilly Circus. Ze maken een mooie wandeling door de stad en het valt meteen op, dat er erg veel militairen rondlopen. Ze zijn er van alle nationaliteiten, Nieuw-Zeelanders, Russen, Canadezen, Amerikanen, Noren, Denen, Polen, donkergetinte mannen in Vliegerkostuum en ga zo maar door. Ook lopen er veel vrouwen en meisjes in uniform rond. Het is in ieder geval een erg interessante stad met veel bezienswaardigheden, ze komen dan ook om 22.30 uur pas weer terug in het kamp.

Grote schoonmaak van de barakken

Zondag 9 december 1945. Op zondag is hier niet zoveel te beleven, maar een mooie wandeling maken door de omgeving is natuurlijk heerlijk. De varkens die ze hier houden zijn zwart met wit gekleurd, ook zie je hier veel bomen met tamme kastanjes en tientallen grijze eekhoorntjes.

Maandag 10 december 1945. Vandaag heeft de derde compagnie corveedienst. Dit houdt in dat de hele compagnie vier dagen lang alle corveediensten en wachtdiensten moet doen. Voor de keuken worden hiervoor 12 man aangesteld. Ook is het bataljon 1-4 R.I. vandaag in het kamp aangekomen en staan er voetbalwedstrijden op het programma. Verder is er niet veel bijzonders te melden.

Woensdag 12 december 1945. Voor overdag zijn er weinig bijzonderheden te melden, alleen vanmiddag worden de wapens schoongemaakt. Als de leiding merkt dat op sommige kamers de kachel toch vóór 17.00 uur brandt, moeten ze voor straf hun kachels inleveren en ondanks hevig protest trekken ze toch aan het kortste eind. Voor vanavond zijn er enkele bokswedstrijden georganiseerd. De entree is 1 penning en de opbrengt is bestemd voor de winnaar. Het publiek is enorm enthousiast en als in de laatste wedstrijd al in de eerste ronde enkele ferme tikken worden uitgedeeld is de winnaar bekend. De verliezer zal nog wel enkele dagen met een blauw oog rond moeten lopen, maar hij kreeg van de winnaar wel de helft van de opbrengst.

Donderdag 13 december 1945. Vanochtend is er sport en vanmiddag wordt er een voetbalwedstrijd georganiseerd tegen de nieuwkomers van 1-4 RI. Het is een schitterende wedstrijd die door 2-4 RI wordt gewonnen met 2 tegen 1 en bij terugkomst ligt ook de post nog eens klaar.

Vrijdag 14 december 1945. Vanochtend werd er een hoop nieuwe kleding aangevoerd en zijn ze vanmiddag vooral bezig om alles naar de magazijnen te sjouwen. Vanavond gaan de jongens naar Bracknell om te dansen en hebben ze een gezellige avond.

Zaterdag 15 december 1945. Vandaag worden twee paar zwarte hoge legerschoenen, linnen koppels en enkelstukken (anklets) uitgedeeld. Dit is dus alvast het begin van het tropenuniform. Een betere pasvorm als die van de Engelse schoenen bestaat niet, al is dat geklap van het ijzer onder de zolen wel even wennen. Vanmiddag wordt er een bezoekje gebracht aan Reading en gaan enkele jongens naar de bioscoop, waar de prachtige kleurenfilm 'It's a Pleasure' met Sonja Henie draait.

Zondag 16 december 1945. Vanochtend om 09.30 uur lopen zes jongens van de 3e compagnie naar Bracknell, om vandaar met de trein naar Londen te reizen. Na tien minuten lopen passeren ze de kerk van Easthampstead waar ze regelmatig de dienst bijwonen. Als ze op het station van Bracknell zijn kopen ze een retourtje Waterloo Station en wachten op de trein. Om ongeveer 10.30 uur arriveert de trein van de Southern Railway Compagnie, ze stappen in en vallen neer op heerlijk zachte kussens van de derde klas coupe. De stroom ontvangt de trein op een hele speciale manier, van een extra rails die naast de normale rails loopt. Al snel verlaat de trein het station en kijken ze naar het prachtige landschap en de vele kastelen die aan hun voorbijraast. Ze passeren eerst diverse kleine stationnetjes en nadat ze in Ascot gestopt hebben rijden ze in een keer door naar Londen. Als ze de buitenwijken van Londen bereiken, zien ze dat ook hier veel is verwoest door de bombardementen. Als ze het tamelijk grote Waterloo Station hebben bereikt gaan ze in een van de restauraties eerst een kopje thee drinken met cake.

Ze verlaten het station en lopen in de richting van de Theems, die ze vervolgens via de Waterloo Bridge oversteken. Vanaf deze brug zijn de Big Ben en de Tower Bridge goed zichtbaar, ze besluiten om eerst naar de Tower Bridge te gaan. Onderweg passeren ze aan een groot plein de St. Paul’s Cathedral en maken een bezoekje aan deze schitterende kathedraal. Daarna vragen ze de kortste weg naar de Tower Bridge en na twintig minuten lopen zijn ze er. Als ze bij de Tower een fotograaf zien staan, die zegt dat hij een foto in enkele minuten kan ontwikkelen, laten ze er een maken. De foto is inderdaad in enkele minuten ontwikkeld, maar de kwaliteit is bijzonder slecht en de prijs onplezierig hoog. Voor 6 shilling hadden ze wel wat beters verwacht.

De Tower Bridge zoals in zijn dagboek getekend (Hans Ploeg 3e compagnie)

Na nog even goed rondgekeken te hebben verlaten ze de Tower Bridge en lopen naar de overkant van de rivier om een tram te zoeken die hun terug zal brengen. Ze pakken er een op goed geluk, maar ontdekken al snel dat ze op deze manier alleen maar verder van huis komen. Ze moeten het hele stuk dus weer terugwandelen. Als ze weer in de buurt van St. Paul’s zijn stappen ze op de ondergrondse richting Victoria Street om naar de Big Ben en Westminster Abbey te gaan. De Westminster Abbey bezoeken ze ook en die blijkt net zo indrukwekkend te zijn als de St. Paul. Hierna gaan ze naar de Big Ben en merken bij de enorme wijzers meteen op dat die geheel wit zijn en samengesteld uit marmer. Ze zullen de Big Ben vanavond vanuit de stad ook nog verlicht zien. Hun volgende doel is Buckingham Palace. Ze lopen eerst door een enorm park met een reusachtige vijver en komen zo bij het paleis, waar ze zojuist de wisseling van de wacht hebben.

Het is inmiddels 17.00 uur en ze hebben honger gekregen, dus gaan ze met de ondergrondse naar de bekende stadswijk Piccadilly Circus. Ze gaan een restaurantje binnen en eten daar een heerlijke huzarensalade. Ze hebben tot 21.00 uur de tijd voordat ze weer terug naar huis moeten en wandelen nog wat door de verlichte straten van Londen. Na nog een glas bier nemen ze de ondergrondse naar Waterloo Station en stappen op de trein naar Bracknell. Het was een geslaagde dag en het geld is goed besteed.

Maandag 17 December 1945. Vandaag gaan ze ook stappen, maar nu blijven ze in de buurt van Easthampstead en bezoeken het iets zuidelijker gelegen Crownthorne. Anderen gaan naar Crownthorne om inkopen te doen.

Dinsdag 18 December 1945. Veel is er op het ogenblik niet aan. Het regent alsmaar, zodat alles in een modderpoel veranderd. Vanochtend zijn ze naar de schietbaan geweest en vanmiddag is er mortier les. Er wordt nu ook weer een deel van de tropenuitrusting uitgedeeld; twee overhemdjasjes, twee korte broeken, een lange broek en een stelletje ondergoed. Prachtig mooi spul. Ook de geweren worden nagekeken en zijn nu weer goed in orde, maar als ze straks met die oude tienponders de rimboe worden ingestuurd, zal er denkelijk niet zo veel van terecht komen. De avond wordt voornamelijk besteed met het passen van de nieuwe kleren.

De hoofdweg door het kamp

Woensdag 19 December 1945. De ochtend wordt gevuld met exercitie en vanmiddag gaan ze naar Aldershot voor schietles. Ze hebben daar schietbanen voor alle soorten wapens, zelfs voor vliegtuigen en tanks. Er was nog even een leuk voorvalletje: Bij terugkomst stond een Engels meisje buiten het kamp te wachten op een van de jongens, die altijd beweerde dat hij het alleen maar deed om de Engelse taal wat beter te leren. Toen hij na een poosje weer terugkwam waren zijn lippen vuurrood gekleurd. Nou je begrijpt wel hoe dat kwam en iedereen brulde natuurlijk van het lachen. 

Donderdag 20 December 1945. Vanochtend is er een parade voor Prins Bernhard, die zelf ook een korte toespraak geeft. Het beroerde bij zo’n parade is, dat je altijd zo lang moet wachten en met je geweer gepresenteerd moet staan. Gelukkig is hij keurig op tijd en laat hij tijdens zijn toespraak alle aanwezigen op de plaats rust staan. Dat scheelt natuurlijk wél. Vanavond is het de beurt aan de derde compagnie om naar de film te gaan. De film die wordt gedraaid heet 'Vrij en Onverveerd'. Het is een film die dit jaar werd gemaakt en over Nederland in oorlogstijd gaat. Het is een documentaire, die aan de hand van de chronologie van de Tweede Wereldoorlog een beeld schetst van de Nederlandse beleving in de oorlog. Aan bod komen onder andere de deelname van Nederlandse militairen aan de strijd en de rol van het koninklijk huis tijdens de oorlog. De film is door het Britse Paramount News opgedragen aan het Nederlandse volk en de Nederlandse strijdkrachten. De titel verwijst naar een regel uit het Wilhelmus.

Vrijdag 21 t/m maandag 24 december 1945. Dit zijn dagen zoals ze hier gewend zijn. De dagelijkse uitjes, exerceren, dienslopen, brieven schrijven en ga zo maar door. Wel jammer dat de meeste jongen inmiddels door hun geld heen zijn, het wordt dus hoogtijd dat ze weer uitbetaald krijgen.

Dinsdag 25 december 1945. Afgelopen zondag werden de kamers voor het aanstaande Kerstfeest al versiert en nu is het dan zover. Om precies 24.00 uur is er een indrukwekkende Nachtmis in een van de eetzalen. De geïmproviseerde kerk is prachtig versierd met hulst en dennengroen en er staat een mooie kerstkribbe opgesteld. Het aanwezige zangkoor wordt begeleid door een harmonium. Voor de meeste jongens is dit natuurlijk hun eerste Kerstmis in den vreemde en als je dan eenmaal van huis bent besef je pas echt goed wat dat betekent. Na de mis krijgen ze een eenvoudig maar gezellige maaltijd voorgeschoteld, die nu eens door de officieren wordt opgediend. 

Zoals het in de loods er met kerstversiering uitziet

V.l.n.r.: K. Slot, W. Coenen, Eljo Smit, Gerrit Snieder, S. Hiemstra, Piet Warmerdam, Cor Swagerman en Mart van Etten.

De laatste dagen in Engeland zijn gevuld met geweldige regenbuien. Overal waar je buiten komt loop je te soppen, als je naar de kantine of eetzaal wilt zitten meteen je schoenen vol water. De laatste paar dagen dat ze nog hier zijn worden dan ook hoofdzakelijk gevuld met lezen en het schrijven van brieven.

Vrijdag 28 t/m zaterdag 29 december 1945. Vandaag moeten ze hun lompe Winchester-geweren inruilen voor nieuwe Lee-Enfields en dat is een hele verbetering. Zaterdag krijgen de jongens van de inlichtingendienst te horen dat ze spoedig zullen vertrekken, zodat de dag hoofdzakelijk wordt benut met het inpakken van hun spullen. De avond wordt gebruikt om de tent eens lekker op stelten te zetten. Er wordt luidkeels gezongen, gelachen en met grote stokken op blikken bussen geslagen en om 22.00 uur liggen ze uitgeput op bed.

Even poseren

Zondag 30 december 1945. Vandaag gaat het dan gebeuren. Hun laatste spullen worden ingepakt en de laatste brieven zijn geschreven. De reislust wordt op een gewelddadige manier geuit op hun tenten met inhoud. De kribben worden op oer Hollandse manier in elkaar getrapt en als op een gegeven moment de kachel ook omdondert is de chaos pas echt compleet! Vanavond om 22.30 uur moeten ze aantreden voor vertrek. Het is donker en mistig en het heeft gevroren, zodat het lekker glad is. Het eerste stuk gaat lopend en ondanks de zware bepakking gaat dat onder luid gezang. Er zit een stevig gangetje in en na 1½ uur lopen bereiken ze even voor 24.00 uur het station van Crownthorne, waar ze een goed uur moeten wachten voordat de trein komt. Omdat het zo mistig is en behoorlijk vriest en ze door al dat wachten stijf worden van de kou, raakt de goede stemming er een beetje uit. Om 02.00 uur stappen ze eindelijk in de trein en kan de reis verder gaan. De rit wordt hoofdzakelijk slapend doorgebracht. Om 02.30 uur passeren ze het plaatsje Basingstoke en om 04.00 uur is de reis ten einde. Ze zijn in de havens van Southampton aangekomen, waar het 22.209 ton metende s.s. 'Alcantara' al klaarligt. Aan de kade moeten ze uiteindelijk ook nog een uur in de kou wachten voordat ze aan boord mogen.

De reis met het m.s. "Alcantara"

Het inladen van een troepentransport lijkt in een film altijd iets sensationeels, maar nu ze het zelf moeten doen is de lol er snel af. Eenmaal aan boord zijn ze blij dat ze eindelijk hun bagage kunnen afgooien. Ze worden naar hun vertrek in het ruim gedirigeerd, de plek waar ze tijdens de gehele reis hun onderkomen hebben. Er staan vaste tafels, banken en rekken die bestemd zijn voor de bagage. Voor de nachtrust moeten ze ’s avonds hun hangmatten boven de tafels hangen. Zo kunnen dus 100 man gehuisvest worden in een ruimte van tien bij vijftien meter.

 

De "Alcantara" met nog slechts één schoorsteen

De "Alcantara" is gebouwd in 1926 en behoort toe aan een Engelse maatschappij, die er oorspronkelijk mee op Zuid-Amerika voer en geschikt was voor zowel passagiers als vrachtvervoer. Nu, na de verbouwing tot troepentransportschip bestaan de ruimen uit vijf lagen met bakken (verblijfplaatsen voor de soldaten). Niet alleen de soldaten worden er gehuisvest, er zijn ook kamers voor passagiers. De hutten zijn bedoeld voor de passagiers, officieren, onderofficieren, vrouwen en scheepsbemanning. De diverse vertrekken worden met letters aangeduid en de bakken met nummers. Iedere tafel in een bak heet een mess en heeft ook een nummer. Aan het eind van elke tafel bevinden zich enkele pannen en schalen met een afneemdoek. Daarin wordt het eten steeds voor de gehele tafel gehaald worden en dat alleen bij opgave van bak- en messnummer. Zo klopt de zaak altijd en werkt de organisatie perfect. Dat moet ook wel, want ze zitten nu eenmaal met 3.000 man aan boord. De “Alcantara” is in de oorlog twee keer op een mijn gelopen, één keer getorpedeerd en enkele keren gebombardeerd. Hierbij heeft het een van haar twee schoorstenen verloren en vaart nu dus verder met één pijp.

Het wachten is tot de trossen worden losgemaakt

Maandag 31 december 1945. In dichte mist ligt de "Alcantara"aan de kade en zal voor de tweede keer Hollandse troepen naar de Oost vervoeren. De jongens die al aan boord zijn hangen in uniform over de reling en kijken hoe de rest aan boord komt. Ze zijn allemaal met hun gedachten verdiept in het avontuur en wat de toekomst brengen zal. Steeds meer troepen melden zich aan de kade. Tijdens het embarkeren wordt uit volle borst Hollandse liedjes gezongen. Op zo’n drijvend dorp is natuurlijk heel wat te zien, want alles is nieuw ze. Buiten de Engelse bemanning zijn het 2-4 R.I. (Kennemerbataljon), het I-4 R.I., samengesteld uit O.V.W.'ers uit het district Den Haag (De ‘Valken) en 8 (IV) R.S. (LIB-ers van het 4e bataljon Stoottroepen). Aangevuld met 300 dames van zowel de Hollandse als Engelse MARVA, het Hollandse en Engelse Rode Kruis, en het Engelse A.T.S. De dames van het Rode Kruis en de Marva hebben veelal de rang van luitenant.

De trossen zijn los en de reis kan beginnen

Blik op de haven bij de monding naar open zee

Om 14.30 uur gaan de trossen los en trekken twee sleepboten de laatste verbinding met het Engelse vasteland weg. Het is onguur koud maar wel rustig weer, dus de zee is gelukkig ook kalm. Als ze in de buurt van het eiland Wight komen gaat de "Alcantara" voor anker, want het zal moeten wachten tot het hoogwater is. Hier ligt ook de "Nieuw-Amsterdam”, die met repatrianten uit Ned. Indië is aangekomen. Veel jongens gaan niet eens kijken, ze hebben meer behoefte om te slapen. Om 23.00 uur is de waterstand voldoende gestegen en komt er weer beweging in de "Alcantara". Gehuld in een zee van vele lichtjes ligt Wight er zo in het donker betoverd als in een sprookje bij. 

Het is oudejaarsavond en voor de meesten is het de eerste keer zijn dat ze niet thuis zijn om het nieuwe jaar in te luiden! Hun gedachten gaan uit naar Holland en allen die ze hebben achter gelaten. Spoedig zal deze gedachten verdwijnen en staan ze weer over het water te turen, want het uitzicht over zee is mooi. Ondanks het feit dat er geen ontspanning is wordt het toch een fijne avond. Vermoeid spannen ze hun hangmatten boven de tafels gaan de jongens uiteindelijk naar bed! Ondanks de vreemde en onwennige hangmatten, vallen ze na een nacht van weinig rust al snel in slaap.

Aan boord van de "Alcantara" is de toestand verre van ideaal. Het schip is met 3.000 man overvol. Het lijkt wel of er geen enkel vrij plekje meer te vinden is. Het eten is met name in het begin onvoldoende en smakeloos. Zelfs redding materiaal schijnt niet voldoende voor handen te zijn. Veel jongens vervelen zich al snel te pletter. Van de officieren doet het ene deel zijn uiterste best om de jongens een beetje bezig te houden en af te leiden, terwijl andere officieren nogal wat weerstand oproept met hun irritante gedrag tegenover de meereizende dames. Ook het onderscheid in behandeling tussen de manschappen en de officieren is groot. Niet alleen in de ogen van de manschappen, ook een onafhankelijke rapporteur heeft dit geconstateerd.

Dinsdag 1 januari 1946. De overgang van het oude naar het nieuwe jaar is aan de meesten slapend voorbijgegaan. Als ze vanochtend wakker worden zitten ze al meteen in het nieuwe jaar. Het eten aan boord is bijzonder slecht, het haalt het zelfs niet bij de voeding die ze in Easthampstead voorgeschoteld kregen. Vanochtend kregen ze twee sneetjes brood, royaal jam, een kopje pap en een gebakken vis die overigens wel heerlijk smaakt. Het middageten bestaat uit aardappels, een aantal gare koolbladeren, een paar plakken vlees en een beker rijstepap.

Terwijl ze over de prachtige zee staren naderen ze rond het middaguur de Golf van Biskaje. De golfslag neemt nu alsmaar toe en de schuit begint stevig te deinen. De golven zijn inmiddels opgelopen tot vier meter hoog, dus de schuit gooit beurtelings zijn neus ook vier meter de lucht in, om vervolgens weer te dalen in afwachting van de volgende golf. De hele middag blijft het zo te keer gaan. Bij de reling melden zich steeds meer jongens met zeeziekte, om de inhoud van hun maag prijs te geven aan het water. Voor degene die het allemaal nog aankunnen wordt om 19.00 uur een film gedraaid. Het is wel een vreemde gewaarwording om in een bioscoop te zitten, waar je bijna niet op je benen kunt blijven staan.

Zicht op de grote mast van de "Alcantara"

Woensdag 2 januari 1946. Er zit vanmorgen niet veel beweging in de boot. Het is inmiddels mooi weer, maar er staat wel een stevige wind. Langzaam maar zeker wordt de temperatuur nu zachter. Gisteren was het met een jas aan nog steeds koud en nu is het zonder jas prima uit te houden. Er zijn nu niet zo veel zeezieken meer, al durven velen het dek nog niet te verlaten. Ze raken ook steeds meer gewend op een deinend schip. Om 12.00 uur, roept de scheepsradio om, dat ze ter hoogte van de havenstad Porto zijn, op ongeveer 90 mijl uit de kust. Om 17.00 uur passeren ze de Berlenga-eilanden, waarop grote rotsen boven de zee uitsteken. Het is 18.30 uur als de lichten van de Portugese hoofdstad Lissabon zichtbaar zijn en omstreeks middernacht varen ze ter hoogte van Kaap St. Vincent, het meest zuidelijke deel van Portugal. Ze hebben vandaag geld ontvangen en in de kantine kunnen ze letterlijk alles krijgen wat ze maar willen en ook nog eens voor weinig geld. Het eten wordt nu wel wat beter, al is het nog steeds te weinig. De stemming aan boord is vandaag prima. 

Donderdag 3 januari 1946. De lucht is vanmorgen bewolkt en er staat een stevige wind die als maar toeneemt. In de ochtend passeren ze de Golf van Cadiz en rond het middaguur komt de Straat van Gibraltar in zicht. Aan de rechterzijde liggen de hoge bergen van 'Spaans-Marokko' en vormt de stad Tanger met de witte huizen een prachtig uitgezicht. Niet veel later begint aan de linkerzijde ook het uiterste zuidelijk deel van Spanje zichtbaar te worden. Het schip krijgt de wind nu recht van voren, maar door de typische golfslag hier vaart het alsof het rustig weer is en dat levert gelukkig dit keer geen zeezieken op.

Verderop begint de kust te wijken voor de baai van Gibraltar en daar ligt een stuk vooruit in zee de machtige rots van Gibraltar. Om 13.30 uur passeren ze de enorme rots, die aan de landzijde schuin oploopt en groen van kleur is en aan de zeezijde lichtbruin en loodrecht omhoogsteekt.

De machtige rots bij Gibraltar

Uit de vestingwerken, die in het hart van deze rots zijn, seinen ze met een licht naar het schip. Er zijn nu ook honderden bruinvissen te zien, die met hun rugvinnen zo af en toe boven de golven uit steken en dan weer verdwijnen. Aan de Afrikaanse kant is de stad Ceuta goed zichtbaar, het ligt schuin tegen de donkerbruine hellingen aangebouwd. Even verder is nog een vooruitstekende berg te zien en dan verdwijnt de Afrikaanse kust weer uit zicht en zijn ze weer op volle zee. Vanmiddag wordt de film 'Bathing Beauty' gedraaid, dit is een van de allereerste Amerikaanse kleurenfilms met Esther Williams en Red Skelton in de hoofdrol.

Vrijdag 4 januari 1946. Er is vannacht weer een storm opgestoken en er jaagt een fijne motregen over het dek. De zee is ruw en velen hangen weer zeeziek over de reling. Je komt ze in alle rangen tegen, al kotsend hangen ze over de reling om vervolgens naar verse lucht te happen. Zo af en toe duikt de neus van het schip diep in de golven, komt weer omhoog en als het dan weer duikt slaan enorme golven over de boeg. Er staat dan minstens 20 centimeter water op het dek. Een aantal jongens staan op de voorpunt opgesteld naast een grote lier, dit is het punt waar de schuit het hevigst te keer gaat. Als er een stortzee overkomt, duiken ze snel achter de lier, zodat het water over hun heen vliegt. Als je niet goed achter die lier stond opgesteld, liep je grote kans dat je met al dat water van het dek werd geveegd. Omdat dit te gevaarlijk werd hebben ze de voorpunt afgesloten. 

Om 11.30 uur staan de meesten weer aan dek te kijken naar de kust waar ze op afstand langsvaren.  Als het schip dichter langs de kust komt, zien ze de haven van de stad Algiers uit de mist opdoemen. Aan de voet van een berg ligt de stad er met de witte huizen, moskeeën en een radiostation schitterend bij. Na dit mooie schouwspel enige tijd te hebben bekeken, verlaat het schip de kust weer en vaart het in dichte mist verder. Om 13.00 uur is de wind verandert in een flinke storm. De golven worden nu huizenhoog opgezweept en het hele schip begint te stampen en te steunen. De hoogte van de voor- en achtersteven wisselen nu gestadig in hoogte, tot wel tien meter. Als het schip dan in botsing komt met zo’n enorme golf, lijkt het wel of het ten onder gaat door een explosie, het hele schip kraakt dan in al haar voegen. De stortzeeën slaan huizenhoog over de boeg, wat overigens schitterend is om te zien. Het is wel verstandig om dit alles op veilige afstand gade te slaan. Het aantal zeezieken stijgt natuurlijk geweldig, al beginnen ze er nu wel steeds meer aan te wennen. Hoofdzaak is om goed te eten. Trek of geen trek, gewoon eten! De inhoud van een volle maag kan immers niet bewegen.

Zaterdag 5 januari 1946. Vanochtend is de wind afgenomen en zijn de wolken opengebroken, zodat er af en toe zon doorkomt. De wind is wel veel kouder dan gisteren. Om 11.00 uur maakt de kust een scherpe draai en komt het schip weer in volle zee. Na enige tijd wat meer zuidelijker gevaren te hebben, komen ze op enige afstand van de kust vlak langs een reusachtige rots.  Ze varen nu om Kaap Blanca heen en om 12.00 uur komt Kaap Bon op de uiterste noordoosthoek van Tunis in zicht. Hier is het waar Montgomery ’s 8ste leger haar zegenrijke overwinning boekte op de Duitsers. De wrakken voor de kust getuigen van de strijd die er woedde. Als ze om 14.30 uur het eiland Pantelleria voorbijvaren, breekt er een hevige regenbui los. Dit zorgt ervoor dat het eiland ook weer snel uit zicht verdwijnt.

Vanavond geven ze een uurtje muziek. Het zijn allemaal bekende liedjes die natuurlijk uit volle borst worden meegezongen. De stemming zit er al meteen goed in en het inmiddels bekende B.S.- strijdlied wordt ook ten gehore gebracht. Dit lied werd tijdens oorlog al in Volendam, Purmerend en Hoorn gezongen. Ze namen hun strijdlied mee naar Noordwijkerhout, waar het na een paar weken al door het hele bataljon werd gezongen. In Easthampstead kende het eerste bataljon het lied ook en nu hebben zelfs de jongens van de stoottroepen het geleerd en zitten ze het nu met een koor van 2400 man weer te zingen. Om 22.00 uur vanavond wordt Malta gepasseerd.

Zondag 6 januari 1946. Op een enkele regenbui na schijnt de zon. Het weer is nu prima en het water is prachtig blauw met kleine schuimkoppen. Er waait wel een frisse stevige wind en zo blijft het ook de hele dag. Vanochtend om 10.00 uur wordt in de grote zaal de mis gehouden en vanmiddag een film gedraaid. Om 12.00 uur komt over de scheepsradio de melding dat ze ter hoogte van het eiland Kreta varen, maar land komt er de hele dag niet in zicht. Ze besteden de rest van de dag met wat lezen. Vanavond wordt er om 19.00 uur een muziekfilm met de 'Andrew Sisters' gedraaid, maar dan zijn andere jongens aan de beurt. Er is niet voldoende ruimte in de zaal voor iedereen, ze gaan dan ook om de beurt naar de film. Je kan dus alleen naar de film op het tijdstip dat je kaartje geldig is. Als je bak niet aan de beurt is dan is er wel een mogelijkheid tot onderlinge ruil. Een bak is de kamer in het ruim, waar je tijdens de reis eet en slaapt. De klok wordt vannacht een uur vooruitgezet.

Maandag 7 januari 1946. De gehele dag is er niets dan zee en nog eens zee te zien. Veel jongens hangen wat verveelt rond op het dek en kijken een beetje rond. Het weer is somber en af en toe motregent het, maar de scherpe koude wind is gelukkig weg. Het weer op de Middellandse Zee valt eigenlijk best tegen. De steden van Noord-Afrika worden altijd voorgesteld als tropisch warm, ze hadden dus niet verwacht dat het zo koud zou zijn. Met die Noordoostenwind kunnen ze nu best een jas gebruiken. Om 12.00 uur komt over de radio de melding dat ze op 150 mijl uit de kust tussen Kreta en het Nijldal varen. Ook blijken er door de stroom enkele mijnen los te zijn geslagen, maar dankzij het radarsysteem weet het schip deze tijdig te ontwijken. De dag wordt verder gevuld met het schrijven van brieven en ze maken een praatje. De zee is nu diepblauw en dat laat weer eens zien, dat de wereld toch wel erg mooi kan zijn!

Met de zwemvesten paraat op de Middellandse Zee

Het wordt als maar warmer, zodat het idee naar boven komt om alvast het tropenuniform aan te trekken, maar dat is nog niet toegestaan. Morgen verwachten ze om ongeveer 04.00 uur de haven van Port-Saïd binnen te lopen. Ze zullen daar een paar dagen blijven, maar mogen er niet van boord. Vanmiddag is alvast de loopplank uitgezet, voor als de loods aan boord komt. Er wordt medegedeeld dat ze morgen tot nader order niet op het dek mogen komen en alle patrijspoorten gesloten moeten blijven. Er mogen namelijk beslist geen handelaars in souvenirs aan boord komen, wat anders de gewoonte blijkt te zijn. Dit om besmettingsgevaar tegen te gaan, want er zouden in Port Saïd epidemieën van besmettelijke ziekten heersen. De temperatuur is een stuk beter, het voelt zelfs al zomers aan. De laatste drie nachten is steeds de klok een uur teruggezet.

Egypte (Port Saïd)

Dinsdag 8 januari 1946. Om 06.00 uur zijn in de verte de lichtjes van Port Saïd zichtbaar. Dat is wel iets later dan werd verwacht, maar dat komt door het slechte weer. Om 07.00 uur komt de loods aan boord en vaart het schip langzaam de haven binnen. Vanaf een paar kilometer uit de kust tot op de plaats van bestemming moeten de jongens beneden blijven, omdat ze anders de matrozen op het dek in de weg zouden lopen tijdens het vastleggen. Andere beweren juist, dat ze niet naar boven mogen omdat de gezagvoerder bang is dat het schip dan aan een kant zou gaan overhellen, wanneer alle jongens aan een kant op het dek zouden staan. Maakt ook niet uit, ze mogen in ieder geval weer op tijd naar boven. Ze waren juist bijtijds opgestaan om de vele lichtjes van de stad te kunnen zien branden, dus dat valt gelukkig mee.

Twee keer zicht op het prachtige gebouw van de Suezkanaalmaatschappij

Ze zien verscheidene gezonken schepen in de haven en een groot aantal eigenaardige vissersbootjes. Ze varen dwars door de haven en passeren om 08.30 uur het standbeeld van Ferdinand de Lesseps. Een half uur later zijn ze vlak bij de ingang van het Suezkanaal op de plek van bestemming. Direct bestormen lui met bootjes vol koopwaar het schip en bieden dat voor veel te veel geld aan. Ondanks het verbod om aan boord te komen, proberen sommige van die gasten het toch, maar ze worden meteen weer met brandslangen van de touwen af gespoten. Met de dubbeltjesduikers vermaken de jongens zich prima, het is schitterend om te zien hoe ze hun toegeworpen muntjes heel behendig van de bodem weten op te duiken.

Daar liggen ze dan, dertig meter van de wal. Port Saïd ziet er prachtig uit en voor het eerst zien ze nu palmbomen. Het schip ligt tegenover een palmentuin, waarin grote olietanks staan. De olie wordt met drijvende slangen in het schip gespoten, terwijl aan de andere kant van het schip tankschepen liggen die vers water komen brengen. Ondanks de frisse zuiderwind is het mooi weer, zodat de ‘battledress’ nu mag worden verwisseld tegen het tropenuniform. De rest van de dag zitten ze te kijken naar andere schepen die voorbijtrekken, duikende bruinvissen die langs het schip zwemmen en het natspuiten van de kooplui, die steeds weer opnieuw op de boot proberen te komen. Na het avondeten speelt er een bandje en is het erg gezellig aan boord en in het donker vormen de vele lichten van zowel de stad als in de haven wederom een mooi gezicht. Voor de derde compagnie is het vanavond de beurt om naar de film te gaan. De film 'Hollywood Canteen' draait, met Betty Davis en The Andrew Sisters. 

Woensdag 9 januari 1946. Vanochtend om 05.30 uur worden een aantal jongens wakker van het rammelen van de ankerketting en even later is de 'Alcantara' het Suezkanaal al ingestoomd. Bij het opstaan om 07.00 uur is er nog weinig te zien, alleen slik aan weerskanten van de oever. Langzaam gaan die slikmassa’s over in zandvlakten aan de linkerzijde en in moeras aan de rechterzijde van het kanaal.

Er is vooral veel zand te zien langs de oevers van het Suezkanaal

Om 08.00 uur passeren ze El Tina, dit dorp bestaat uit kleine houten keetjes zonder ramen en deuren die allemaal op instorten staan. Ook is er een treinstation, want langs het hele kanaal ligt een spoorlijn en een paar wegen. Er staat ook een houten moskee en een groot gebouw van de Kanaalmaatschappij met een mooie tuin erom. Om 10.00 uur passeren ze het dorpje El Qantara, hier is zoveel te zien, dat het niet makkelijk is om er een goede beschrijving over te geven. Rechts is een spooremplacement, olietanks, barakken, huisjes, een station, een prachtige moskee met minaretten en een mooie orthodoxe kerk, waarvan de houten torens geschilderd zijn in de meest felle kleuren. Af en toe zie je mensen lopen in eigenaardige Arabische kleding, gesluierde vrouwen en politieagenten in donkere pakken met rode koppel en een fes op het hoofd. Langs de hele route komen ze 1 overzetveer voor mensen en 2 voor treinen tegen. Als ze El Qantara zijn gepasseerd wordt het aan de linkerzijde heuvelachtiger. Hier stopt een trein waaruit soldaten komen en naar de kant van het kanaal hollen, om alles goed te bekijken. Het zijn soldaten van allerlei rassen en kleuren, de negers maken de meest gekke sprongen als begroeting. Aan de rechteroever zijn regelmatig groepjes van huizen en bomen te zien en verder is er heel veel zand.

Om de zestien kilometer varen ze langs een station, van waaruit de onderhoudswerkzaamheden aan het kanaal worden uitgevoerd. Om 11.00 uur passeren ze een brug met even daarvoor een laadplaats voor zowel schepen als treinen, waar een heel detachement moffen in uniform aan het werk is. Bij de brug staat een hele lange rij Amerikaanse trucks met enorme aanhangwagens, sommige trucks hebben aan het achtereind acht wielen. Voorbij de brug maakt het kanaal een bocht en worden de nederzettingen schaarser en de heuvels hoger en kaler. 

Kamelen bij een nederzetting

Het begint nu steeds meer op een echte woestijn te lijken. Na enige tijd varen komen ze om 12.00 uur langs een groot gebouw van de Suezkanaal Maatschappij, dat omringd is door kleine gebouwen en een kerkje. Waarvoor het gebouw dienst doet weten ze niet, maar het ziet er allemaal erg nieuw en sprookjesachtig uit. Het kanaal gaat daarna al vrij snel over in het Meer van Timsah, waar een mooi strand met een rustpaviljoen is te zien. Voorbij het strand staan langs de hele oever palmbomen, tot aan de stad Ismaïlia toe. Hier gaat het schip midden op het meer voor anker. Ook de stad Ismaïlia is tegen de heuvels aangebouwd, ook weer met prachtige witte huizen en veel moskeeën. Aan de andere kant van het meer is het een kale woestijn, die dankzij de heuvels op de achtergrond toch een prachtig gezicht bieden.

Om 13.00 uur gaat de reis weer verder. Even daarvoor hadden kooplui geprobeerd om sinaasappelen te verkopen. Ze gooiden eerst een touw aan boord, waarmee ze vervolgens een mand met sinaasappelen naar boven konden hijsen. De jongens hoefden alleen nog het geld in de mand te doen en deze te laten zakken. Dit werd niet toegestaan door een luitenant van de stoottroepen (er werden al vaker dingen dankzij hem verboden). Ze kunnen die vent zo langzamerhand wel doodschieten! Hij gebood de jongens om de mand met sinaasappelen in beslag te nemen, maar dat weigerden ze. Trouwens, ieder ander zou dat ook geweigerd hebben. Die mensen proberen toch alleen maar wat geld te verdienen en dan is het natuurlijk schofterig om hun handel zomaar in beslag te nemen. Steeds meer jongens gingen zich ermee bemoeien, met als resultaat dat iedereen naar binnen moest en voor 15.30 uur niet naar boven mocht. Ondanks dit verbod bleven de jongens gewoon boven, maar omdat er opeens een regenbui kwam zijn ze toch maar naar binnen gegaan en toen het weer droog was zijn ze gewoon weer naar de reling gegaan.

Vanaf het schip zijn nu aan de rechterzijde prachtig groene kunstmatig bevloeide grasvlakten te zien met veel palmen. Ze zijn met schuiten bezig om de oevers langs het kanaal te repareren en er varen veel van die eigenaardige platte vaartuigen met hoge driekantige zeilen langs. Over de weg vlak langs het kanaal rijden veel auto’s en motoren en iedereen langs de route wuift als het schip voorbijvaart. Ze passeren een paar grote militaire kampen en ook daar wordt gezwaaid. Alles bij elkaar is het dus best een vrolijke boel hier.

Als ze bij het Grote Bittermeer aankomen gaat het schip voor anker. Er is van de andere kant een groot schip in aantocht en die moet eerst gepasseerd zijn, voordat ze verder kunnen. Dit meer is veel groter als het vorige en is aan alle kanten omgeven door woestijn. Op een landtong is de nederzetting van de R.A.F., enkele huisjes, halfronde barakken en een watertoren. Verder zijn er zeilbootjes te zien en vlotten die ze gebruiken als ze gaan zwemmen. Een idyllisch plekje, zoals je het hier niet zou verwachten. Mensen staan op steigertjes naar de jongens te wuiven en wijzen in de richting vanwaar ze vandaan zijn komen, om aan te duiden dat ze beter terug kunnen gaan. Aan het eind van het meer is een smalle doorgang naar het Kleine bittermeer en dan varen ze het Suezkanaal weer op. Om 21.00 uur komen ze bij de havens van Suez aan en gaat het schip voor anker. De doorvaart van het Suezkanaal heeft onze regering FL.10.942 gekost.

Passeren op het Suezkanaal is voor de grote schepen niet mogelijk

Egypte (Suez)

Donderdag 10 januari 1946. De hele nacht is het schip in deze haven blijven liggen. Als de jongens om 06.00 uur boven komen zijn juist de ankers ingehaald. Het is nu nog fris aan dek, maar het beloofd wel een mooie dag te worden. Om 08.30 uur zien ze het jacht van koning Faroek van Egypte langsvaren, dat onder begeleiding van een torpedojager uit de Rode Zee kwam. Als het een uur of tien is gaat de "Alcantara" wat meer aan de linkerkant van de Golf van Suez varen. Aan deze kant zijn de bergen een stuk hoger en zullen ze te zien blijven tot 16.00 uur, maar door de felle zon zijn de bergen aan de rechteroever erg moeilijk zichtbaar. Dat komt door de weerkaatsing van de zon in het water. Sommige bergen zijn wel 2000 meter hoog en dan zijn er richels met half gesmolten sneeuw te zien. Om 14.30 uur varen ze langs de hoogste berg, de Sinaïberg. Hoe Mozes het voor elkaar kreeg om hier tegen zo’n gladde kale rots omhoog te klimmen blijft een raadsel. De Sinaïberg is 2.285 meter hoog en de top is omgeven door wolken. Er is daar geen enkel teken van leven te ontdekken.

Ze varen de volle zee weer tegemoet en om 16.00 uur zullen ze de Rode Zee bereiken. Een eigenaardig natuurverschijnsel is, dat hier op een gegeven moment een grote streep door de zee loopt. Verder zijn er vliegende vissen te zien, ongeveer zo groot als een witvis. Ze hebben vleugeltjes en komen vlak voor het schip uit het water, scheren er een eind overheen, soms wel vijf meter, om vervolgens weer in de golven te verdwijnen. Vanochtend was het al mooi weer, maar wat verder op de dag wordt het als maar warmer, zodat de jongens heerlijk liggen te zonnebaden op het dek. Ook vanavond is het nog heerlijk om op het voordek te zitten. Ondanks dat ze ver van huis zijn, hebben ze het zo best naar hun zin.  

Vrijdag 11 januari 1946. Ze varen de hele dag tussen water en lucht en er is geen land of schip te gezien. Het wordt als maar warmer, zodat de kleren steeds vaker gewassen moeten worden. Wassen wordt doorgaans op de volgende manier gedaan: Men neemt een lang stuk touw en knoopt daar het wasgoed aan vast, opent een patrijspoort en gooit de hele handel buitenboord. Het schip zal de rest doen. Wel goed vastbinden, want het zal niet de eerste keer zijn dat er nieuwe kleren aangeschaft moet worden! Als je wilt kan je helemaal voor op de boeg over boord kijken. Je ziet dan regelmatig dolfijnen of bruinvissen boven water uitschieten. Het lijkt soms wel of ze zich met hun staart tegen de boeg voort laten duwen, schitterend om te zien. Vanmiddag krijgen ze een film over tropenhygiëne te zien en hebben ze les in Maleis.

Zaterdag 12 januari 1946. Ze zeggen toch altijd dat het op de Rode Zee niet uit te houden is van de hitte? Nou, ze hebben het nog niet warmer gehad dan op een gewone Hollandse zomerdag, terwijl ze toch bijna de Kreeftskeerkring hebben bereikt. Om 13.00 uur komen enkele eilanden in zicht en om 15.30 uur passeren ze de “Oranjefontein” van de Holland Afrikalijn. Ze wisten dat deze ontmoeting zou plaatsvinden, iedereen stond al op de uitkijk toen het schip nog maar een stipje aan de horizon was. Van grote afstand wisselen beide schepen lichtseinen met elkaar. De "Alcantara" hijst de Nederlandse vlag en de "Oranjefontein", die repatrianten uit Indië aan boord heeft, komt zo dicht mogelijk langsvaren.

De "Oranjefontein" met repatrianten aan boord passeert van dichtbij

Deze ontmoeting zullen de jongens niet snel vergeten, het is een gejuich en gewuif van jewelste en bij velen schiet er een brok in de keel. Beide schepen groetten elkaar met een lange stoot op de fluit en de “Oranjefontein” heeft nu ook de Nederlandse vlag gehesen. Het is goed te zien dat er veel vrouwen aan boord zijn. De kapitein van de "Alcantara" stuurde namens de militairen een telegram: Namens alle Hollandse troepen moet ik u de hartelijke groeten overbrengen, een behouden thuisvaart en de beste wensen. Kapitein Romijn van de "Oranjefontein" antwoorde: Wij allen zijn er trots op dat alle militairen aan boord naar Java gaan en hopen dat jullie allemaal behouden thuis mogen komen. God zij met jullie. Dat deze telegramwisseling had plaats gevonden hoorde de jongens pas achteraf. Vandaag zijn ze begonnen met pilletjes slikken tegen de malaria. Om 01.00 uur passeren ze het eiland Perim en zijn hiermee in de straat Bab El Mandeb aangekomen. Morgen zullen ze bij de Golf van Aden aankomen.

 

De havenplaats Aden wordt niet aangedaan

Gisteren zijn de tropenzeilen over het dek gespannen, zodat de jongens vanaf nu zo’n beetje de hele dag in de schaduw kunnen zitten. Er worden vandaag voor het eerst haaien gesignaleerd, deze beesten kunnen best hard zwemmen, maar het schip bijhouden lukt ze toch niet. Dat is ook niet zo verwonderlijk, want de "Alcantara" is een van de vijf snelste schepen die Engeland rijk is. Vanwege de hitte is het in de ruimen 's nachts niet meer te harden, zodat de jongens op het dek gaan slapen.

Zondag 13 januari 1946. Omdat er een stevige wind staat is het vandaag iets koeler dan gisteren. Ze varen al op de Indische Oceaan, dus er is niets anders te zien dan water en lucht. Om de dag door te komen wordt er wat rondgehangen, gelezen en gerust, sommigen oefenen wat Maleis en anderen schrijven een brief. Ze halen het rantsoenpakket op, dat uit drie plakken chocolade en een pak biscuits bestaat. Na het avondeten gaan veel jongens naar de dagsluiting, die door de dominee van 1-4 RI wordt gehouden. Deze predikant is daar volgens de algemene peilingen bijzonder goed in. Voor de nachtrust vertrekken de jongens ook vanavond weer naar het dek. 

Maandag 14 januari 1946. Om 07.30 uur zijn ze het eiland Socotra gepasseerd en zal hierna tot Colombo niets anders dan water en lucht te zien zijn. De temperatuur is ongeveer hetzelfde als gisteren, maar de wind is nog verder toegenomen, dus er zijn vanavond zelfs weer zeezieken te melden. Vanmiddag wordt de film 'Tarzans Triomf' gedraaid, waarin Tarzan een hele Duitse parachutistengroep uitroeit. Vooral het fragment aan het eind is schitterend: Een aap die de microfoon van het zendtoestel van de parachutisten in handen krijgt, spreekt hiermee de moffen in het hoofdkwartier toe. Deze denken dat het de Führer is en met uitgestrekte arm springen ze in de houding. De hele zaal ligt plat van het lachen! Na de film moeten ze hun gewone uniform en winterjas inleveren. Die zijn ze nu gelukkig kwijt en hoeven dus niet meer mee gesjouwd te worden.

Dinsdag 15 januari 1946. Gisteravond waren ze bang voor een zware storm, want de tropenzeilen zijn weggehaald en alles is goed vastgesjord. Het bleef gelukkig bij een stevige wind en die is vanochtend alweer een stuk minder, al deint de schuit nog wel. Op de post voor thuis hoeft geen postzegel geplakt te worden, in plaats daarvan moet er wel 'ON ACTIVE SERVICE' en de handtekening van de afzender op staan. De vliegende vissen zwemmen hier voortdurend voor de schuit uit. Ze zijn zo groot als een kleine karper en schieten eerst uit een golf boven water om er even verder weer in te duiken, vervolgen schieten ze als een pijl door het water en komen er even verder weer uit. Vliegen kunnen ze niet echt, ze manoeuvreren met hun staart en komen op die manier vooruit. Het is een mooi gezicht om al de zilverkleurige visjes met hun doorzichtige vleugels over het water te zien schieten, vooral als de zon erop schijnt. Om 19.00 uur is er voor de 3e, 4e en 5e compagnie van 2-4 R.I. een cabaretvoorstelling, die wordt opgevoerd door jongens van alle drie de bataljons. Het is een hele fijne avond met veel ‘krontjong’-muziek, die door een gezelschap met gitaren, mandolines en Hawaiian-gitaar wordt gespeeld. Ook treedt er een jongen van de Stoottroepen op als hypnotiseur, hij laat enkele aardige staaltjes van hypnose zien. Omdat alles door eigen jongens wordt opgevoerd is dat extra leuk om mee te maken.

Woensdag 16 januari 1946. ZEE, STEEDS MAAR ZEE! Het blijft echter wel prachtig om over de reling naar de golven te turen. Dat verveelt nooit en het maakt een mens rustig. Vanmiddag krijgen ze via de radio het nieuws over Indië en Nederland te horen. Er valt voor hun in Indië dus nog heel wat te doen! Ze zijn het er dan ook roerend over eens dat er eerst nog flink getraind moet worden en dat ze zwaardere bewapening nodig hebben, voordat ze daar doortastend kunnen optreden. Naar verwachting krijgen ze die training op Malakka. Ook wordt medegedeeld, dat ze vóór vrijdag de brieven in de postzakken gedaan moeten hebben, want als ze in Ceylon zijn zal de post aan land gaan.

Donderdag 17 januari 1946. Voor vandaag zijn er niet veel bijzonderheden te melden. De algehele scheepsinspectie was vandaag snel voorbij, daarna wordt er een film gedraaid en de rest van de dag is het bakken in de zon. Er zijn verscheidene jongens in het hospitaal opgenomen vanwege verbranding door de zon, een daarvan heeft zelfs derdegraads brandwonden opgelopen. Als de nachtploeg om 03.00 de gangen, wc 's en trappen aan het schrobben zijn, komen er ineens een paar lieflijke jonge dames voorbij huppelen, waar die zo laat nog vandaan kwamen mag Joost weten. Om 04.30 uur zien zij die nachtcorvee hebben dat ze het eiland Minicoy voorbijvaren. 

Ceylon (Trincomalee)

Vrijdag 18 januari 1946. Om 07.00 uur krijgen ze te horen dat er land in zicht is. Ze zijn bij Ceylon aangekomen! De stad Colombo doen ze niet aan, het schip zal doorvaren naar Trincomalee op het noordoostelijke deel van het eiland. Ze varen dus eerst rond het zuidelijk deel van het eiland en vervolgens in noordelijke richting en zullen morgen pas op de plaats van bestemming zijn. Om 08.30 uur passeren ze alweer een Hollands schip. Nu is het de "Johan van Oldenbarnevelt", die aan bakboordzijde behoorlijk dichtbij langs vaart. Het is een prachtig schip met ook weer veel repatrianten aan boord. Aan de reling staat het vol met mensen, je ziet ze overal, ook in reddingssloepen en zelfs in de touwen. Doordat al die mensen aan een kant van het schip staan, is het duidelijk te zien dat het aan bakboordzijde overhelt. Er wordt gezwaaid, met zakdoeken gewuifd en hard geschreeuwd. De jongens op de "Alcantara" beantwoorden dit op dezelfde manier en geloof maar dat het geschreeuw van zoveel militairen goed is overgekomen. Er worden telegrafische groeten uitgewisseld. Ze antwoorden: 'Namens alle passagiers en bemanning van de "Johan van Oldenbarnevelt" onze beste wensen en Gods zegen tijdens jullie moeilijke taak in Indië, ondertekend door Kapitein Bakker. Dit is nu dus al het derde Hollandse schip dat ze passeren.

De "Johan van Oldenbarnevelt" met ook weer veel repatrianten uit Indië aan boord passeert

Zaterdag 19 januari 1946. In de vroege ochtend loopt de "Alcantara" de haven van Trincomalee binnen en gaat voor anker. Om 06.00 uur zijn ze dus op een van de mooiste plekjes van de hele wereld aangekomen. Het is geen gewone haven met pieren en kranen, maar een natuurlijke haven met veel inhammetjes. Er is een marinebasis en alle grote schepen gaan hier op de rede voor anker om hun lading in kleinere schepen over te zetten, die het vervolgens aan land zullen brengen. Letterlijk alles wat je hier ziet is begroeid, zelfs op kale rotsen groeien bomen. Van het stadje dat schuin tegen de helling is aangebouwd, steken alleen de daken boven het groen uit. Er zijn hier bunkerstellingen, olietanks, een radiostation en seinposten.

Zicht op de baai bij Trincomalee

Overal waar je kijkt zijn groene heuvels en bergen met daartussen inhammen en baaien. In de haven is het druk met het verladen van vrachtschepen. Er liggen hier veel prachtig rank gebouwde inlandse kano's, prauwen met een groot vierkant zeil en motorbootjes. Na geruime tijd komen een olie- en een watertanker langszij om te bunkeren. De Chinese werklui op deze tankers hebben apen bij zich, waarmee de jongens aan boord zich uitstekend vermaken en als dank de Chinezen trakteren op sigaretten. Deze mensen zijn erg vriendelijk en kalm en gooien zelf vreemde munten en kokosnoten terug. Voor het inladen van de post en de bagage van het Engelse Rode Kruis, de Hollandse Marva’s en de matrozen, zijn inlanders aan het werk.

Een watervliegtuig scheert nieuwsgierig vlak langs de "Alcantara"

De jongens mogen zich kennelijk niet ophouden met de vriendelijke bevolking op het eiland. Ondanks dat enkele officieren hadden gevraagd of ze in kleine ploegjes aan land mochten om wat rond te kijken, is het antwoord negatief. De bevolking zou namelijk anti-Nederlands zijn! Nou, er zijn jongens aan boord die redelijk Engels spreken en met de inlanders hadden gesproken. Die zeiden juist; Dutch-boys are good-boys, maar als je het over de Engelsen had, spogen ze vuur. Engels geld nemen ze niet eens aan, maar Nederlands geld wel. Vanmiddag gingen een aantal jongens in de haven zwemmen, maar ook dat werd al snel verboden. Er zouden anders binnen de kortste keren duizend jongens in het water liggen. Het zwemmen is ook niet zonder gevaar, want er worden hier regelmatig haaien gesignaleerd en die lusten natuurlijk wel een hapje.

Vlaggenparade ter ere van de verjaardag van prinses Margriet

Omdat prinses Margriet jarig is worden er vanmiddag verschillende activiteiten georganiseerd, zoals zaklopen, touwtrekken, kruiwagen rijden, boksen en schermen. Helaas gaan de wedstrijden in kruiwagen rijden en het schermen niet door. Vooral de bokswedstrijden zijn erg interessant, er zitten namelijk enkele jongens tussen die behoorlijk technisch zijn, dit is te merken aan hoe zij in de verdediging gaan en door de rake klappen die ze uitdelen. Het is een hele gezellige middag, mede omdat er zeventien gulden aan soldij is uitbetaald, de kantine wordt dan ook veelvuldig bezocht. Vanavond hebben ze onder begeleiding van een band gezamenlijke zang op het achterdek. In het donker leveren de vele lichtjes van de wal en alle boten een schitterend gezicht op, dit samen met de heerlijke tropensfeer zorgen voor een hele mooie avond. De toegezegde aanvulling van militair materieel, die in Ceylon aan boord zou komen blijft echter uit en de post komt helaas ook niet aan boord. Omdat morgenvroeg een hoop mensen van boord gaan, mogen ze vannacht niet op het dek slapen.

Zondag 20 januari 1946. Bij het opstaan regent het behoorlijk en zien ze nog net hoe het Rode Kruis, Marva, matrozen en de burgerpassagiers in de stromende regen het schip verlaten. Om 08.00 uur vertrekt ook de "Alcantara" en zet koers richting Singapore. De kust verdwijnt langzaam aan de horizon en als de kerkdienst is afgelopen zijn ze op volle zee en varen ze weer tussen niets dan water en lucht. Het weer blijft somber, maar nu motregent het alleen nog. Er worden vanochtend potvissen gesignaleerd: Het is leuk om te zien hoe ze met hun neusgaten fonteinen van waterdamp spuiten, terwijl hun ruggen net boven water uit steken. Potvissen zijn iets kleiner dan de gewone walvis. Om 12.00 uur wordt over de radio medegedeeld dat ze naar Singapore gaan, maar wat de eindbestemming is en wat er met hun gaat gebeuren… Ze weten het nog steeds niet! Vanmiddag wordt er weer een Tarzanfilm gedraaid, dat breekt de tijd tenminste wat.

Maandag 21 januari 1946. Na Ceylon is de "Alcantara" met een veel hogere snelheid gaan varen, door de reuzenkracht van de motoren trilt het hele schip en schommelt het ondanks dat de zee kalm is. De jongens moeten sinds gisteren hun zwemvesten regelmatig dragen, want ze zijn in een gebied waar mogelijk mijnen kunnen liggen. Het is meer uit voorzorg, want veel gevaar schijnt er niet te zijn. De laatste dagen is de avondmis op het achterdek en dat blijft de rest van de reis ook zo, wel fijn natuurlijk met die hitte. Na de mis van 18.30 uur wordt er een film over Madame Curie gedraaid, zij is de uitvindster van het radium. Het is een erg interessante film.

Dinsdag 22 januari 1946. In de vroege ochtend is aan de nog donkere horizon Nederlands grondgebied te zien en als de zon eenmaal op is, zijn duidelijk de zacht glooiende bergen van Pulau Weh zichtbaar. Om 9.30 uur varen ze vlak langs de kust van dit eiland, dat even boven het noordelijkste deel van Sumatra ligt. Het is een overweldigend idee dat het eiland maar een klein deel van Nederlands grondgebied is. Als ze het eiland gepasseerd zijn varen ze de rest van de dag langs de kust van Sumatra, maar wel op zo'n afstand dat er niet zo heel veel te onderscheiden is. Ze zien in de verte de torpedojager 'Jan van Galen' varen, die door de Straat van Malakka patrouilleert.

Onder de jongens heerst nu een nerveuze spanning, gaan ze nu wel of niet in Singapore aan land? Dit is de grote vraag die hun nu enorm bezighoudt. Als ze toch in Singapore aan land gaan, dan kunnen ze er zeker van zijn dat ze er voorlopig zullen blijven, want andere bataljons liggen er ook al maanden. Ze zien er tegenop om dan weer op Engels gebied en onder hun heerschappij te komen. In Engeland was er nog mee om te gaan, maar nu is het overduidelijk dat ze niet meer op hun medewerking hoeven te rekenen. Al drie dagen zijn ze de dekken aan het schrobben, want het schip moet straks schoon achtergelaten worden. Ondanks dat ze nu nog maar één dag van Singapore verwijderd zijn, hoeven ze nog steeds niets in te pakken en dat doet de mening scheppen dat ze misschien toch doorgaan naar Batavia. In de avonduren bevindt het schip zich ter hoogte van de Medan.

Singapore

Woensdag 23 januari 1946. Sinds vanochtend varen ze langs de kust van Malakka en om 15.30 uur zijn ze in de buurt van Singapore. Ondanks dat ze dicht langs de kust varen is er niet veel te zien. Als ze op zo'n drie tot vijf mijl voor de rede van Singapore aankomen, zien ze twee passagiers- en een groot aantal vrachtschepen liggen. Als ze dwars voor de stad liggen is het nog licht, maar als ze de kade wat dichter naderen is het donker en om 19.00 uur gaat de "Alcantara" voor anker. Aan dek is het erg druk, want niemand wil iets missen, ze zijn zelfs op luchtkokers en in reddingsboten geklommen. Als een van de jongens van een luchtkoker afspringt, komt hij per ongeluk met de hak van zijn schoen tegen het hoofd van iemand van de 3e comp. Deze kon meteen door naar het hospitaal voor wat pillen. Hiervan werd hij zo slaperig dat hij naar beneden ging, meteen misselijk werd en flauwviel, om vervolgens met een hersenschudding te worden opgenomen in het hospitaal. Vanuit de haven wordt nu druk met lichten naar de boot geseind en al snel vliegen de lichtstralen over en weer. Al die lichtbundels geven een prachtige weerschijn over het helderblauwe wateroppervlak.

Donderdag 24 januari 1946.  Bij het wakker worden ligt het schip nog op dezelfde plek als waar het voor anker ging en de jongens weten nog steeds niet wat de plannen zijn. Nu bij daglicht is pas goed te zien waar ze liggen. Ze liggen veel verder van de kade af dan ze eerst dachten, de afstand moet minstens 5 kilometer zijn. Door alle eilandjes is niet goed te zien hoeveel schepen hier liggen, maar het moeten er zeker veertig zijn. Vlak naast de "Alcantara" liggen de "Indrapoera" en de "Sibajak", die beide van de Rotterdamse Lloyd zijn. Vanmorgen gaan twee Nederlandse vrachtschepen de zee op en loopt er één om 10.00 uur binnen. Het is de 'van "Ruysdael", waarbij op de schoorsteen het Duitse oorlogskruis nog door de zwarte verf heen komt. Een stuk verder ligt de 'Tjimanoek' en verscholen achter enkele anderen schepen ligt de "Bloemfontein" en nog een Nederlands hospitaalschip. 

In de haven mogen ze geen inkopen doen bij de inlanders, als dat wel gebeurd zal als straf de kantine gesloten worden. Ze zijn zeker bang dat ze anders niet van hun dure kantinespullen af komen? Ook wordt ervoor gewaarschuwd om niet langer dan vijftien minuten in de zon te blijven liggen, je zou anders lelijk kunnen verbranden. Ondanks deze waarschuwing zijn toch een paar jongens in slaap gedommeld, met alle gevolgen van dien. Verder is er niet veel te beleven, zo hier en daar zie je een inlands scheepje of motorbootje, die naar een groot schip gaat. Ook bij de "Alcantara" komen motorsloepen langszij om autoriteiten te brengen, of te halen en de bagage van enkele scheepsofficieren naar de wal te brengen.

Vrijdag 25 Januari 1946. Het is nu wel zeker dat ze hier van boord gaan, want enkele compagnies hebben al ingepakt. Het schip ligt nog steeds op dezelfde plek en er is vandaag weer weinig te beleven in de haven. Vanochtend is een Rode Kruisbootje langszij gekomen en heeft de zieken van boord gehaald en vanmiddag zijn de meiden van de Engelse A.T.S. en Engelse soldaten vertrokken. De jongen die gisteren een hersenschudding opliep is ook met het Rode Kruisbootje meegegaan en naar een hospitaal aan wal gestuurd, zijn verwondingen blijken dus toch erger te zijn dan eerst werd vermoed.

Momenteel liggen er in Port Dixon zestien bataljon: Drie met stoottroepen, twee met koloniale krijgsgevangen en elf met L.I.B.'ers, dat maakt samen met de jongens hier aan boord negentien bataljons. Ook liggen er 1800 mariniers, die na hun opleiding in Amerika al op Java waren geweest, maar weer werden weggestuurd. Het is dus een geweldige tegenvaller dat zij hier aan boord moeten wachten tot ze ook aan land mogen. Vanavond wordt er eerst een film gedraaid en liggen er vervolgens zeven zakken met post uit Holland op hen te wachten. De stemming is opeens opperbest, want ze hebben de hele reis nog geen post gehad en daar zitten ze met spanning op te wachten. Overal waar je kijkt zie je jongens met een glunderend gezicht lezen. Er zijn er bij die wel 30 tot 40 brieven hebben, maar ook jongens die helemaal niets hebben ontvangen.

Wachtend op wat er gebeuren gaat

Zaterdag 26 Januari 1946. Ze liggen maar te wachten tot ze van boord mogen en misschien is het ook wel begrijpelijk dat het zo lang duurt. Er zal wel weer een hele omslachtige organisatie nodig zijn om alle drie de bataljons goed onder te brengen! Toch komen er vandaag berichten binnen over het voorlopige doel van de reis. Ze zullen drie uur reizen van Singapore in een kamp komen, waar ze tot maart kunnen wennen aan het klimaat en een degelijke opleiding zullen krijgen van de Engelsen. Nuchter gezien is het ook veel beter om eerst door en door getraind te worden en dan pas naar Indië te vertrekken, het zou anders alleen maar funeste gevolgen kunnen hebben. In de loop van de dag moeten verschillende compagnieën zich gereed maken voor vertrek en inderdaad, vanmiddag vertrekt de eerste compagnie. Het zijn de kwartiermakers, die de boel alvast in orde gaan maken in het kamp. Er ligt momenteel een tankboot langszij om olie over te laden, maar verder raakt het nieuwtje er in de haven inmiddels wel af, schepen komen en vertrekken en dat is het wel zo'n beetje. Ook vanavond en vannacht zullen enkele afdelingen naar de wal gaan.

Zondag 27 januari 1946. Al om 04.00 uur vanochtend vertrekt er een compagnie naar de wal. De achterblijvers krijgen vandaag voorlichting over Indië van de pelotonscommandant, een op en top militair, waaraan ze in de toekomst nog veel steun zullen hebben. In de loop van de dag zwemmen er een aantal haaien rond het schip, ze zijn nog vrij jong en niet langer dan twee meter.

Maandag 28 Januari 1946. Het hospitaal is vanochtend met alles wat daarbij hoort van boord gegaan, inclusief enkele boten met bagage. Dat verschepen gebeurt met landingsvaartuigen: Ze zijn rechthoekig van vorm, maar wel met een sterk geronde bodem, zodat ze makkelijk uit het water loskomen en erg snel zijn. Ze hebben een dubbel roer en schroeven, waardoor ze ook erg wendbaar zijn. Ze zijn eenvoudig van bouw en geheel van hout. Doordat de motor achterin ligt, hellen ze achterover, zodat het voorste deel bijna geen diepgang heeft. Ze hebben een groot draagvermogen en als ze aan de kade liggen, hoeft men alleen de klep maar neer te laten en kan alles en iedereen heel makkelijk in- en uitgeladen worden, ook voertuigen.

Er ligt al enkele dagen een prachtig groot passagiersschip in de haven van dezelfde maatschappij als de "Alcantara". Dit schip was al een paar dagen eerder dan de "Alcantara" uit Engeland vertrokken en is met Engelse troepen aan boord even voor Singapore op een mijn gelopen. Het kwam met enige slagzij binnen, maar de waterdichte schotten hebben het goed gehouden. Door de enorme ontploffing is de hele kombuis van het schip verwoest. Nu zal het al het keukengerei van de "Alcantar" tot haar beschikking krijgen.

Vandaag mogen de militairen die familie in Singapore hebben van boord om ze te bezoeken. Er zitten momenteel namelijk veel Hollanders uit Indië in Singapore, die op de gelegenheid wachten om door te kunnen reizen naar Nederland. Een van de jongen waarvan zijn ouders ook op doorreis zijn, kreeg van een oom van hem te horen dat ze één dag voordat de "Alcantara" aankwam al waren vertrokken. Hij had zijn ouders al acht jaar niet gezien en dat hij ze nu net heeft gemist is natuurlijk erg sneu voor hem. Van een jongen die in het Hollandse kamp is geweest, krijgen ze aan boord te horen hoe het er momenteel op Java aan toegaat. De extremisten hebben daar voor een deel de macht in handen en vermoorden iedere blanke die ze te pakken kunnen krijgen. Die arme mensen daar zijn zich geen enkel moment zeker van hun leven. De Ambonezen vechten als leeuwen tegen de terroristen en slachten ze bij honderden af, maar ze hebben bijna geen wapens en zijn met veel te weinig mensen. Overal op Java zitten nog steeds vele duizenden blanken vast in de kampen, die bewaakt worden door Jappen. Af en toe overvallen de extremisten zo’n kamp en moorden dan alles uit. Omdat de Engelsen niet willen ingrijpen, worden ze door de Nederlanders gehaat als de pest. Ze laten alles en iedereen gewoon hun gang maar gaan. Hier op Malakka zitten de Hollanders met 16.000 man, waarom worden zij dan niet ingezet? Onze regering, die het eigen volk niet wil verontrusten en het van de berichten van de Engelsen moet hebben, zegt gewoon dat alles daar rustig is. Nou de werkelijkheid is daar heel anders!

En nu ander nieuws: Vanochtend kwam er een schuit met voedsel langszij liggen, die werd gelost door Japanse krijgsgevangenen. Ze werden door de inlandse bewakers stevig aangepakt, net zoals zij dat in de concentratiekampen deden. De scheepsbemanning bekogelde op hun beurt de Jappen met aardappelen, terwijl het voor hun bewakers sigaretten regende. De Jappen hoefden het niet te proberen om op te kijken, want ze kregen meteen een snauw en een trap na. Bij de lading zitten ook spullen voor de kantine, waaronder rollen biscuits die je voor negen pence kunt kopen. Ze zijn heerlijk, hebben de vorm van bitterkoekjes en smaken er ook naar. Tijdens het middageten heeft daardoor eigenlijk niemand meer honger.

Vanmiddag zijn het bataljon met stoottroepen en de zusters van het Rode Kruis aan wal gegaan, de rest zal morgen aan de beurt zijn. Niets is vervelender en saaier dan te moeten wachten, bovendien blijft het eten slecht! Ontspanning is er haast niet, alleen zo af en toe een film. Er was nog wel even een vechtpartijtje met een Engelse kok. Een van de jongens had namelijk een opmerking gemaakt over zijn kookkunst. Hij kreeg meteen een mes naar zijn hoofd geslingerd, die gelukkig zijn doel miste en tegen de stalen wand van het schip tot stilstand kwam.

Malakka (CHAAH)

Het Kennemerbataljon wordt tijdelijk in Chaah geplaatst! Het kampterrein is een voormalig vliegveld, dat onder de Jappen door Nederlandse gedetineerden en krijgsgevangenen werd aangelegd. Het blijkt één grote vlakte van rode klei te zijn, zonder bebouwing. Het eten is daar beter, maar bij gebrek aan goede latrines kunnen er al snel ziektes uitbreken. Verschillende militairen krijgen dan ook oedeem. Het drinkwater wordt aangevoerd met tankauto's, het wordt uit de kali opgepompt om het vervolgens te zuiveren. Het water is lauw, maar wel gezond genoeg om te drinken. Wassen doen ze zich in dezelfde kali, die op een kwartier loopafstand van het kamp ligt. Niet dat wassen veel helpt, want eer ze terug zijn in het kamp zitten ze alweer onder die vervloekte rode klei. Rode klei ja! Dat is zo ongeveer het enige wat er in ruime mate aanwezig is.

Het tentenkamp Chaah ligt op een voormalig Japans vliegveld

Dinsdag 29 januari 1946.  De jongens die als eersten in Chaah zijn, gaan vandaag aan de slag met het opbouwen van het kamp. De komende vier dagen zullen ze zo'n 300 tenten opzetten en dat is natuurlijk een hele prestatie. Het zware werk, zoals palen slaan, wordt door de Jappen gedaan. Ze hebben ongeveer drie honderd van die kereltjes tot hun beschikking. Ze werken hard en zijn heel nederig, ze groeten zelfs gewone soldaten heel netjes. Zo nu en dan valt er een geweldige regenbui en dan zijn er telkens weer tenten die kapseizen.

Japanse krijgsgevangenen zetten de tenten op

Woensdag 30 januari 1946. De achterblijvers op het schip moeten vandaag bovendeks eten, want beneden is alles al schoon. Nu maken ook de jongens van de 3e compagnie hun uitrusting gereed en zetten die klaar op het dek. In de middag wordt er nog even een voorraadje biscuits ingekocht en vullen ze hun veldflessen en dan is het wachten tot ook zij naar de wal vertrekken. Om 16.30 uur is het ontschepingsappel en om 17.00 uur gaan de eerste jongens van boord. Via een lange trap verlaten ze de 'Alcantara' en stappen over op een landingsvaartuig.

Via een lange trap verlaten ze het schip en stappen over op een landingsvaartuig

Er is heel wat ruimte op zo'n boot, want de hele compagnie gaat er met gemak op. Nu ze beneden staan en vanaf de lage landingsboot naar boven kijken, lijkt het schip veel groter dan ze eigenlijk dachten. Nadat de motor is gestart varen ze nog eenmaal als een soort ere rondje rond het schip, om vervolgens koers te zetten naar de wal. Op de "Alcantara" brengen de nog achtergebleven manschappen een allerlaatste afscheidsgroet, door hun toe te juichen en de reveille te blazen.

Nog een laatste ere rondje om de "Alcantara" voordat ze naar de wal vertrekken

Al zingend verwijdert de 3e compagnie zich steeds verder van het schip. Ze varen tussen allerlei schepen door, waaronder ook een aantal Hollandse. De palmbomen, havenloodsen en andere gebouwen aan de wal worden nu steeds beter zichtbaar. Als ze om 17.45 uur aan de kade komen staan er mariniers klaar om hun ransel en plunjezak in vrachtwagens te laden. Zelf dragen ze nu alleen nog hun broodzak, drinkkruik en geweer. Het is 19.00 uur als ze hun lange tropenbroek moeten aantrekken tegen de muskieten en nadat ze zijn opgesteld gaat het in mars richting het station. Ze lopen langs enkele landingsboten, waarvan de grote deuren nog wijd open staan en er zijn bootjes waarin Japanse krijgsgevangenen zitten. Ook hier worden ze dus te werk gesteld, onderdanig en kruiperig als ze zijn groeten ze iedere Engelse soldaat die ze tegenkomen. Vanaf hier marcheren ze naar een behoorlijk groot station van Singapore.

Als ze bij het station aankomen krijgen ze eerst vanuit een kantinewagen thee, biscuits en worstjes, want dit schijnt hun maaltijd te zijn. Daarna wordt verteld dat ze tot morgenochtend moeten wachten voordat er een trein is. Er lopen hier kinderen rond die Japans noodgeld willen ruilen voor sigaretten. In eerste instantie geven ze 1.000 dollar voor 10 sigaretten, maar dat werd al gauw verlaagd naar 5 dollar, of 1 dollar voor 2 sigaretten. Inmiddels zijn een aantal jongens er stiekem tussenuit geknepen om een kijkje te nemen in de stad. Als de M.P. daar lucht van krijgt wordt al snel het hele station afgezet, zodat niemand er meer af kan. Omdat er op het station niet veel valt te beleven liggen ze al snel op een oor, maar op de harde stenen van het perron slaapt het niet echt lekker. Gelukkig is er wel permanent bewaking aanwezig, want er schijnen nogal wat zakkenrollers te zijn die hier hun beroep uitoefenen.

Donderdag 31 januari 1946. Na het ontwaken gaan de jongens eerst opzoek naar een wasgelegenheid. Er blijken maar twee wastafels aanwezig te zijn in heel het station en daar staan al snel twee hele lange rijen wachtenden voor. Voor veel jongens is dat de reden om de wasbeurt maar eens over te slaan. Na eerst wat thee en biscuits te hebben genuttigd vertrekt om 08.00 uur de trein. Onder het zingen van het Wilhelmus vetrekken ze dan eindelijk richting de rimboe. Langs de route liggen dessa’s, kampongs en uitgestrekte rubberbossen, waaraan tijdens de oorlog niet veel is gedaan. Ze rijden langs moerassen, kali’s, sawah’s, platgebrande bossen, oerwouden, bergen, heuvels, olieboortorens en voormalige Jappenkampen. Rond de kampongs staan vooral bananen-, kokosnoten-, bamboe-, dadels- en andere vruchtenbomen. Er groeit veel suikerriet, rijst, pinda’s en wel 100 andere vruchten en groenten. Hier en daar lopen zeboekoeien en zien ze prachtige irrigatiewerken. Tijdens de tussenstops op stations, staan kinderen met kokosnoten, bananen en vruchten die eruit zien als sugetti, deze hebben oranje vruchtvlees en een zwarte pit. Het vruchtvlees is vrij zacht en heel lekker en doen niet onder voor de ananas, die hier ook royaal te koop is. De meeste jongens hebben geen geld meer, dus ruilen ze met sigaretten. Een uur voordat ze bij het station zijn zien ze enorme palmbossen, waarvan de pitten gewonnen worden om er olie uit te halen. Bij het station in Labis aangekomen staan er al vrachtwagens op hen te wachten. Als de hele hap is ingeladen rijden ze langs de bossen naar Chaah, waar ze om 16.00 uur aankomen. Alles bij elkaar hebben ze zeven uur met de trein en bijna een uur met de auto gereisd.

De palmboomplantages rond het kamp zijn goed zichtbaar

In het kamp staan voldoende tenten voor hun klaar, dus iedereen heeft onderdak. Omdat het begint te regenen, willen ze zo snel mogelijk naar binnen. De ‘groentjes’, zoals ze gekscherend worden genoemd, kijken allesbehalve vrolijk. Het kamp geeft hun niet bepaald een goede indruk en daar hebben ze natuurlijk volkomen gelijk in. Voor iedere sectie van twaalf man is er een tent. De tenten zijn vierkant, hebben vier ramen en ingangen en het dak bestaat uit een dubbele laag. Als ze er een half uur in zitten komt er weer een regenbui, deze is zo groot als een kleine donderbui in Holland. Veel regenwater spoelt vanwege de vlakke bodem zo de tent in. Later hebben de Jappen er een goot omheen gegraven, zodat die het water wordt afgevoerd. Ondanks alles stort na een echte hoosbui zo’n hele tent met gemak in. Er staan een twintigtal tenten met keukens en even buiten het kamp zijn de wc’s. De wc’s zijn niets meer dan één grote kuil met een dichte vloer erop. De vloer is voorzien van gaten, waarboven de behoefte gedaan kan worden. Het gat wordt na gebruik afgesloten door een plank waar een stok aan zit. Dat is in de tropen ook wel noodzakelijk, want er kunnen met gemak ziektes worden overgebracht.

Vanmiddag hebben ze hun slaapplaatsen in orde gemaakt. Ze leggen eerst balken en bamboelatten neer, met daaroverheen grote kokosmatten, daar weer op komen de klamboes. Om 17.30 uur moeten ze aantreden, omdat ze een pil krijgen tegen de muggen. Daarna is er voor het eerst sinds 24 uur weer eens goed te eten; gekookte aardappelen met corned-beef en vet. Voor het eerst sinds een maand krijgen ze nu eens echt voldoende vlees te eten en het nagerecht is pap van ananas. Ze hebben in lange tijd niet zo lekker gegeten. Het is inmiddels stikdonker en dan is het wel jammer dat er geen lampen zijn. Ze gaan dus maar vroeg naar bed, want na zoveel belevenissen zijn ze best moe.

De eerstkomende dagen zullen vooral besteed worden met het verkennen van de omgeving. Apen, slangen, zwijnen en grote spinnen is het wild dat ze hier het meest tegenkomen. Ongeveer 10 minuten lopen van het kamp ligt een kampong. Als ze daar iets willen kopen hoeven ze er niet zelf heen te gaan, ze komen het wel brengen. Iedere dag zijn er wel inlanders en Chinezen op het kamp te bespeuren. Er is ook nog een ongeluk gebeurd. Een auto met enkele majoors en sergeanten is over de kop geslagen. De meeste inzittenden zijn gewond, waaronder enkele zwaar. Vanwege zijn verwondingen gaat Majoor Visser van Vriesekoop terug naar Nederland.

Vrijdag 1 Februari 1946. Als vanochtend de reveille over het kamp klinkt hebben de nieuwkomers niet echt zin om al meteen op te staan. Ze blijven liever nog even heerlijk door snurken. Tien minuten voor het eten staan ze pas op. Omdat het water uit de tanks alleen is om te drinken, kunnen ze zich toch niet wassen en de kleren hebben ze ook zo aan. Het ontbijt bestaat uit pap, gemaakt van het overgebleven brood van gisteren. Het smaakt in ieder geval een stuk beter dan die waterige troep op de 'Alcantara'. Na het eten gaan ze naar de kali om zich te wassen. Als ze achter het kamp aankomen, zien ze dat er Jappen bezig zijn met het weghakken van slingerplanten en het hoge gras. Er komen blijkbaar nog meer tenten. Deze Jappen zijn mariniers van het beruchte korps zwemtroepen, die Singapore hebben veroverd. Ze hebben dezelfde gore tronies als de moffen, maar ze zien er niet zo slaafs uit. Ze werken kalm en rustig door en zeggen ook niet veel. Na ongeveer twintig minuten lopen komen ze bij de kali. Deze is ongeveer 5 meter breed en loopt dwars door de palmolieplantages. De oevers zijn dicht begroeid met varens en struiken, als er een tijger uit tevoorschijn zou komen zouden ze er niet eens gek van opkijken. Het water is heerlijk koel en helder, dus ze wassen er ook maar meteen hun ondergoed in.

Vanmiddag wordt er niet veel bijzonders gedaan, maar vanavond gaan ze naar de nabijgelegen kampong. De mensen wonen daar allemaal in plantagewoningen, want de olieplantages zijn hier een van de grootste ter wereld. De blokwoningen in de kampong zijn echter leeg. Als een van de jongens vraagt waarom dat is, zegt een man: Deze mensen zijn door de Jappen meegenomen en naar Thailand afgevoerd. Ze zijn helaas nooit meer teruggekomen!

De kali waar het heerlijk vertoeven is

Zaterdag 2 Februari 1946. Vanochtend zijn ze weer naar de kali geweest, maar nu via een andere route. Nu is het een klein uurtje lopen en tijdens de hele weg wordt er gezongen, erg gezellig. De zon hebben ze op de rug, dus dat kan ook niet beter. Het klimaat valt hier eigenlijk best wel mee; de zon komt om 06.00 uur op en dan is het nog heerlijk fris, rond een uur of acht begint het langzamerhand warm te worden en van 12.00 uur tot 16.00 uur staat de zon op zijn hoogst. Het is hier ongeveer net zo warm als een hete dag in juli in Holland, maar hier hebben ze er meestal wel een heerlijk windje bij. Om 17.00 uur neemt de warmte al weer af en dan wordt het pas echt heerlijk. Als ze bij de kali komen moeten ze eerst over een houten brug. Benedenstrooms van de brug gaan ze baden, want bovenstrooms wordt er drinkwater uitgepompt. Dit doen ze door het drinkwater in linnen zakken met een doorsnee van 2 à 3 meter te laten lopen. Als de zakken vol zijn doen ze er chloor bij om het te zuiveren en na een half uur doen ze er nog een middeltje bij om de chloorsmaak weg te nemen. Al na een kwartier kan het water dan zonder enig gevaar gedronken worden. De installatie wordt bediend door inlandse soldaten.

Zondag 3 t/m maandag 4 februari 1946. Zondag is de kerkdienst in de open lucht, alleen het altaar staat onder een zelfgemaakt tentzeil. In de buitenlucht is zo’n dienst eigenlijk nog fijner dan in de meest mooie kerk. Later op de dag begint het te regenen en blijft het verder druilerig tot aan vanavond. Verder is er niet zo veel bijzonders te melden.

Dinsdag 5 februari 1946. Vandaag zijn alle diensten weer begonnen. Ze duren ’s ochtends van 08.30 uur tot 12.00 uur, daarna is er rust tot 15.00 uur en dan is er van 15.00 uur tot 17.00 uur middagdienst. Het leven bevalt hier uitstekend. Er wordt gelachen, maar ook veel gekankerd, maar dat is typerend voor een Nederlandse soldaat. Vanochtend hebben ze een tekort aan water en is er onvoldoende benzine voor de voertuigen. Als er kokosnoten worden ingeslagen hebben ze in ieder geval weer voldoende te drinken, want in een groene kokosnoot zit wel anderhalve liter heerlijk fris en helder vocht. 

Woensdag 6 Februari 1946. Het regent vandaag aan één stuk door, het is hier dan ook één modderpoel en alles wordt vochtig. Vanwege de regen hebben ze geen ochtenddienst en kunnen ze lekker uitslapen tot 07.00 uur. Ook vanmiddag regent het en hebben ze weer geen dienst. De kleren voelen klam aan en de geweren beginnen te roesten, ze hebben de grootste moeite om ze weer blank te krijgen. Toen het vanavond droog werd, besloten enkele jongens naar een Indische kampong te gaan, want de hele dag in een tent zitten was ook niet alles. Onderweg hielden ze een auto aan en vroegen of ze mee mochten rijden. In plaats dat de auto hen naar de kampong bracht, reed hij een hele andere richting op. Ze vroegen zich af waar ze heen reden, maar al snel bleek dat ze in het achttien kilometer verder gelegen Labis terecht kwamen. Toen ze de chauffeur vroegen om hen terug te brengen, moest er eerst flink onderhandeld worden. Gelukkig was hij bereid om voor een flink aantal sigaretten terug te rijden en hun naar de Indische kampong te brengen. Ze hebben daar nog wat rondgekeken, maar toen was het al snel 22.00 uur en tijd om terug te keren naar het kamp. Vannacht is luitenant Metz en sergeant van Diepen met de stafcompagnie alvast vertrokken naar een kamp vlak bij de Zuid-Chinese zee. Over een dag of vier zal ook de rest daarheen gaan.

Donderdag 7 Februari 1946.  Het is gelukkig weer droog vandaag, want ze hebben van 08.45 uur tot 12.00 uur een mars. Langs rode kleiwegen die nog modderig zijn van de regen lopen ze tussen de palmbossen door. Heuvel open en heuvel af, maar toch langzaam in stijgende lijn, tot ze boven op een berg bij een verlaten landhuis zijn. Hier houden ze rust. Ze hebben nu een prachtig uitzicht over de bossen en het oerwoud, tot aan de bergen in de verte toe. Het is mooi om te zien hoe de wolken tussen de bergen vandaan omhoogstijgen. Dit is de natuur op haar mooist. Na een kwartier rust gaat ze weer verder. Totdat een jongen die vooraan loopt een cobra langs de weg ziet, die ongeveer anderhalve meter lang en vijf centimeter dik is. Na een paar ferme slagen met een geweerkolf en een schot uit de revolver van de luitenant is het beest dood en wordt hij als souvenir meegenomen.

Vrijdag 8 Februari 1946. Vanochtend krijgen ze voor het eerst weer eens uitbetaald. De waarde van het geld is hier anders dan in Engeland, hier is 1 dollar omgerekend 1,18 in guldens waard en is net als de gulden in 100 centen verdeeld. Meteen neemt de handel met de inlanders en Chinezen weer toe, maar ze blijven erg duur, voor een banaan vragen ze gerust 10 cent. Vooral de Chinezen zijn ras afzetters, het gebeurt regelmatig dat ze de boel afzetten als ze iets willen ruilen. De jongens geven het nog liever weg aan een inlander, want dat zijn wel pracht lui. Die zijn tenminste eerlijk en vriendelijk en als ze iets krijgen, zijn ze er net zo blij mee als kinderen met een stukje speelgoed. Zo kreeg bijvoorbeeld iemand een soldatenjack zoals die in Holland werd gedragen, daar was hij zó blij mee, dat hij bij ieder tafeltje salueerde en zich zo trots als een pauw liet bewonderen. Wel wees hij steeds naar zijn oude broek, waarmee hij wilde aangeven dat het hem speet dat die nog niet mooi was. Helaas kon hij daar niet aan geholpen worden. Vanmiddag zijn 56 trucks aangekomen die hun morgen naar het nieuwe kamp zullen brengen. Ook zijn alle voorraden inmiddels ingepakt en vanavond maken de jongens hun spullen klaar.

Zaterdag 9 Februari 1946. Om 06.00 uur staan ze naast hun bed, vouwen de klamboe en dekens op en pakken hun laatste spullen in. De dagorder voor vandaag vermeld: 120 mijl oprukken in noordelijke richting en een stad binnentrekken aan de Zuid-Chinese Zee. De lunchpakketten worden opgehaald en om 09.00 uur komen ze in actie, want de trucks staan te wachten. Voor ieder peloton zijn er twee beschikbaar. Als ze om 09.30 uur het sein krijgen om in te stappen, zorgen ze er als eerste voor dat ze het zo comfortabel mogelijk hebben. Ze rollen het achterzeil van de huif zo ver mogelijk omhoog, zodat ze alles goed kunnen zien tijdens de rit. Om 10.00 uur vertrekt de kolonne uit Chaah. Als ze op de geasfalteerde weg komen gaat het snel voorwaarts. De route loopt dwars door bergen en dalen, langs kali's, kampongs, sawa’s, rubberbossen, platgebrande wouden, palmbossen, tapiocavelden, over baileybruggen en door een klein stadje. Het is een reis om niet snel te vergeten.

Het konvooi op weg naar Mersing

Malakka (Mersing)

Om 16.30 uur zijn ze op de plaats van bestemming, gelegen in een buitenwijk van Mersing. Het is een bestaand kamp dat pal aan de Zuid-Chinese Zee ligt. Op het kamp staan witte houten woningen met groene kozijnen, die op vierkante stenen palen zijn gebouwd. Het dak wordt waterdicht gehouden door kleine dakpannen die de vorm hebben van een halve bloempot. Het kamp is omgeven door een bos van klapperbomen, de vruchten ervan kosten hier dan ook niets.

Hein Turk van de 2e compagnie poseert voor zo'n paalwoning

Dit kamp is bedoeld voor afgetrainde soldaten, dus volgens de Engelsen eigenlijk te zwaar voor hun. Omdat een aantal woningen op slechts 50 meter afstand van zee staan, hebben ze uitzicht over het water. Als het eb is kunnen ze kilometers langs de zee lopen. Het strand bestaat veelal uit slib, zodat het bij laag water erg smerig is. Wat verder in zee is het water weer mooi helder, maar het is wel oppassen want er kunnen haaien zwemmen. De onvergetelijke natuur van dit land is eigenlijk niet goed weer te geven. De mensen hier zijn vooral Chinezen en maar heel weinig inlanders, je hebt dan ook meer het idee dat je in China bent en niet op Malakka. Overal wuiven de mensen hen vrolijk toe en omgekeerd. Alleen de rubberbomen vallen hier uit de toon, ze zijn 15 tot 20 meter hoog en hebben veel takken. Hun lichtgrijze stammen en takken met weinig bladgroei geven de indruk dat ze halfdood te zijn

 

Een van de vele toko's die Mersing rijk is

Vanavond gaan een aantal jongens naar het dorp, dat voor een groot deel uit winkels en cafés bestaat. Ook hier moet je erg afdingen om niet te worden afgezet. De sigaretten kosten er slechts 1 à 2 cent en de vruchten zijn ook erg goedkoop. Aan suiker hebben ze kennelijk geen gebrek, want alles wat je hier eet en drinkt is erg zoet. Vanavond wordt de post uitgedeeld.

De dorpsstraat van Mersing

Zondag 10 Februari 1946. Vanochtend naar de kerk en vanmiddag naar het dorp. De jongens blijven er verbaasd over hoe gemoedelijk de verhouding tussen hen en de bevolking is. Blijkbaar hebben ze de harten van deze mensen gestolen. Hun kinderen geven ze soms wat of ze spelen er mee. Ze zijn hier van nature erg aardig en heel gevoelig voor een vriendelijke groet of woord. Het is erg gezellig in zo’n inlands dorp, waar de mensen meer op straat dan in huis leven. Na het eten gaan ze naar het strand, het water is dan op zijn hoogst. De zwembroeken gaan aan en met zijn alle springen ze de zee in, heerlijk. 

Maandag 11 Februari 1946. Vanmorgen hebben ze een mars. Eerst over de grote kali en dan langs de palmbomen dwars door een dessa. De inlanders staan te kijken, als ze hun strijdlied door het dorpje horen galmen. Na het dorp gaat het langs een landweggetje met diepe autosporen verder, steeds weer bergop en bergaf tussen de rubberbomen door. Als ze op een hoge berg wat rusten, hebben ze een prima uitzicht over de dalen. Daarna gaan ze langs een andere weg weer naar beneden. Zo komen over een smal paadje van witte klei en lopen dwars door de vele soorten varens en struiken onder de rubberbomen. De grond wordt steeds zachter en op een gegeven moment is het moerassig en zakken ze tot hun enkels in de modder. Ze gaan verder, over beekjes en greppels waar meestal gelukkig wel bomen overheen liggen. Soms liggen er geen bomen en dan moeten ze maar zien of ze er overheen kunnen springen. Al gauw wordt het pad nog slechter en dan loopt de slappe klei zo over de beenlappen hun schoenen in. De rit gaat verder, ze komen langs inlandse huisjes en door de sawa’s, waar ze tot over de knieën door het water en de modder moeten. Zo gaat het nog enkele kilometers door, tot ze weer bij de grote weg zijn. Nog nooit hebben ze zo’n zware tocht gemaakt en het vreemde is, dat ze zich na al die inspanning fitter voelen dan normaal. De officieren beloven dan ook, dat ze nog veel meer van zulke tochten zullen gaan maken. Langs de grote weg wringen ze eerst hun kousen uit en laten ze hun schoenen leeglopen, daarna marcheren ze zingend terug naar het kamp. Als ze thuis zijn, gaan ze meteen door naar zee om hun kleren te wassen en zelf een duik te nemen. Dat frist tenminste lekker op. Tot 15.00 uur hebben ze rust, want dat is hier in de tropen gewoon.

Het strand van Mersing waar het heerlijk zwemmen is

Dinsdag 12 februari 1946. Vandaag hebben ze velddienst. De omgeving is uitermate geschikt om te oefenen. Als je goed gecamoufleerd bent, kun je zonder gezien te worden de tegenpartij makkelijk tot heel dichtbij naderen. Wel jammer dat het hier krioelt van de rode mieren, want die kunnen je heel gevoelig steken. Vanmiddag hebben de jongens van de 3e compagnie sport. Ze beginnen met een estafetteloop op de korte baan en vervolgens op de lange baan. Verder wordt er geoefend in hoogspringen en acrobatiek en na het avondeten is er ook een partijtje voetbal tussen hen en een team van onderofficieren uit het bataljon. Ter afsluiting van de dag hebben ze les in de krijgstucht. Zo wordt er door de compagniescommandant gevraagd, of ze de Jappen moeten teruggroeten. Ja, wordt er meteen geroepen. Dat is dus niet het geval antwoord hij, want ze hebben zich als beesten gedragen. Hij vertelt dat ze in Singapore bijvoorbeeld 14 meisjes hebben opgeblazen door ze met water vol te laten lopen, net zolang totdat ze barstten. Dat zijn natuurlijk dingen die te verschrikkelijk zijn voor woorden, maar goed dat ze afgestraft worden en nu hard voor hun moeten werken.

Vandaag zijn ook de laatste jongens uit Chaam vertrokken. Om 11.00 uur zijn ze in de trucks gestapt en verlaten ook zij het tentenkamp. Onderweg zien ze hoe de apen in de bomen stoeien, maar als de trucks te dicht in hun buurt komen gaan ze er snel krijsend vandoor. Om 17.00 uur komen ze in Mersing aan. Ze worden met 100 man in een villa gehuisvest, verdeeld over twaalf kamers. Badkamers en elektrisch licht zijn hier gelukkig ook aanwezig. Ze moeten voorlopig wel op de grond slapen, maar er is beloofd dat ze vrij snel bedden zullen krijgen. Lang niet gek als je dit vergelijkt met de tenten en rode klei in Chaah!  

Woensdag 13 februari 1946. Voor vandaag staan exercitie en velddienst op het programma en vanmiddag sport. Als ze onderweg zijn naar het sportveld moeten ze stoppen voor een lange stoet mensen die het begin van de droge moesson vieren. De hele dag wordt er feest gevierd en ook vanavond is het erg gezellig in het dorp. Momenteel is het eten op het kamp erg schaars. De fouragedienst moet iedere dag voor de voorraad voedsel naar Singapore, maar omdat ze daar nog steeds staken is het erg moeilijk om aan voldoende eten te komen.

Voor de nieuwkomers is lang niet alles meteen goed geregeld, zo krijgen ze pas om 11.00 uur voor het eerst wat te eten. Daarna brengen ze hun spulletjes aan kant en gaan ze de omtrek een beetje te verkennen. Als ze nog maar net in het bos zijn, ontdekken ze achter een gebouw zeven doodskoppen en andere beenderen. Volgens de inlanders zijn deze van mensen die door de Japanners zijn vermoord. Ook hier hebben ze dus verschrikkelijk huisgehouden. Sommige dorpelingen spreken een beetje Engels en van hen horen ze nog wel meer. Zo zijn veel kinderen hun ouders verloren en andersom. Enkel en alleen door die verschrikkelijke Japanse moordzucht. Veel gebouwen zijn verwoest, ook de bioscoop, maar het dorp ligt wel heel mooi aan de monding van een rivier.

De kali die dwars door Mersing stroomt

Donderdag 14 februari 1946. De dag begint met ochtenddienst van 08.30 uur tot 12.00 uur. Het wordt weer een jungleloop met een worsteling door de struiken en het alang-alang (hoge gras), om vervolgens door een kali te waden en dan weer verder te trekken door het oerwoud. Na afloop gaan ze eerst eten en dan middagrust tot 15.00 uur, daarna middagdienst tot 17.00 uur, weer eten en dan vrij tot 22.00 uur. Hierna gaan de nachtdiensten in. Er wordt vandaag een order voorgelezen, waarin de bataljonscommandant bekend maakt dat dit het mooiste kamp van Malakka is. Hij zal er zorg voor dragen dat er zoveel ontspanning komt, als onder de gegeven omstandigheden maar mogelijk is. Er komt een prachtige kantine, er worden films gedraaid en er zullen sportwedstrijden worden georganiseerd. Kortom, hij zal zijn uiterste best doen, dat ze hier een zo goed mogelijke tijd zullen hebben.

Vrijdag 15 februari 1946. Dit is dag dat het Kennemerbataljon en 1-4 R.I. worden toegevoegd aan de W-brigade. Het 4e Bataljon Regiment Stoottroepen zal er vanaf maart bijkomen en op vier mei als laatste 1-11 -R.I. Vandaag is er een piano en radiogrammofoon gebracht, die allebei in de kantine worden geplaatst. Gelukkig zit er een goede pianist tussen de militairen, zodat het met die piano wel goed komt. Vanmiddag proberen enkele jongens langs de weg stroom af te tappen voor hun radio. Als de klus geklaard is blijkt dat de stroom niet sterk genoeg is om de radio te laten spelen. Erg jammer, want ze wilden graag naar muziek en het Nederlandse nieuws luisteren. Ze blijven dus aangewezen op de krant de 'Oranje' die in Singapore wordt gedrukt, hierin staat in ieder geval wel veel over de toestand in Ned. Indië geschreven.

Zaterdag 16 februari 1946. Vandaag wordt een officier van de 3e compagnie bevordert tot tweede luitenant. De beëdiging wordt afgelegd op het voetbalveld, waarbij het hele bataljon aanwezig is voor de parade. Tijdens de ceremonie zweert hij eeuwig trouw aan de koningin en dat hij zich zal onderwerpen aan de krijgstucht en zal gehoorzamen aan alle wetten. De ceremonie wordt afgesloten door de bataljonscommandant en daarna marcheren ze naar het gebouw waar de bataljonsstaf zetelt, om de parade af te sluiten. Vanavond wordt de kantine officieel geopend. Een jongen van de 3e compagnie zal als pianist de muziek verzorgen, samen met twee trompettisten, een accordeonist en een fluitist. De door de NAAFI toegezegde kantinespullen zijn nog steeds niet aangekomen, maar de koks hebben wel koffie met gebak gemaakt, zodat er toch nog iets feestelijks op tafel komt. Na de koffie worden er zowel optimistische als ernstige redevoeringen gehouden. Het komt er in ieder geval op neer, dat de jongens hun kameraadschap zoals die nu is moeten behouden en elkaar in moeilijke tijden zullen blijven steunen. De geest die momenteel in het bataljon heerst is uitstekend en iedereen die daar deel aan neemt mag daar trots op zijn. Eerder was al gehoord, dat het niet voor niets is dat juist zij hier in Mersing kwamen. Dit bataljon schijnt de meeste discipline te bezitten, zodat deze bijzondere plek hun werd toebedeeld.

Aandachtig luisteren de jongens tijdens een theorieles in de buitenlucht

Zondag 17 februari 1946. De dagen zijn nagenoeg allemaal hetzelfde, maar tijdens een tocht door de rimboe valt er nog weleens iets leuks voor. Zo komen ze een keer tegenover een sloot te staan, de meeste jongens springen er goed over, maar komen wel tot hun knieën in de modder te staan. Soldaat Luiken nam ook een geweldige sprong, maar kwam tegen de schuine kant van de sloot terecht en smakte vervolgens achterover en kopje onder in de drek. Ondanks dat hield hij zijn geweer wel met één arm keurig boven water. De rest moest daar natuurlijk enorm om lachen. Ook vandaag viel er iets leuks voor. Enkele jongens gingen de rimboe in voor een heerlijk dagje ontspanning, tot ze op een bijennest stootten en om 12.00 uur al weer terug waren. Bij een van hen werden zo’n 30 angels uit zijn nek en gezicht gehaald en als je dan zelf het slachtoffer niet bent kan dat best grappig zijn. De arme drommels zijn er dan ook danig om gepest. Om 12.00 uur is het warm eten, aardappelen met gehakt en pruimen. Ze mogen zoveel eten als ze zelf willen en daar wordt dan ook dankbaar gebruik van gemaakt. De staking in Singapore zal dan zeker wel voorbij zijn?

Maandag 18 februari 1946. De ochtend verloopt vrij rustig en na het middageten krijgen ze les in bajonetvechten. De MP is vandaag uitgerukt voor het opsporen van een vermiste jongens, die sinds gisterenavond wordt vermist. Vanavond krijgt de 3e compagnie bezoek van de bataljonscommandant. Er worden enkele kwesties besproken en het gaat er gemoedelijk aan toe. Totdat een luitenant plotseling met veel lawaai hard komt aanlopen. Hij heeft de ontstellende mededeling dat er een jongen van de 4e compagnie is verdronken. De bataljonscommandant vertrekt met een aantal jongens en zaklantaarns om hem te zoeken. Om 21.00 uur krijgen ze in het kamp het bericht dat ze hem niet meer hebben gevonden. Vermoedelijk is hij door de vloedstroom verder de zee ingetrokken? Als de jongens naar bed gaan wordt er nog lang over dit voorval gesproken.

Dinsdag 19 Februari 1946. Voor vandaag staat er een grote mars op het programma. Vele kilometers lopen ze langs mooie wegen en over landweggetjes, om vervolgens over smalle paden tegen de steile heuvels op en er weer af te klauteren en dan weer door een dicht stuk oerwoud te trekken. Het gaat zo maar door, tot er plotseling twee bataljon afhaken. Het is hun kennelijk te zwaar geworden. Na nog eens enkele steile hellingen te hebben overwonnen, gaan ook de volhouders langs diezelfde weg weer terug. De zon brand fel en er staat geen greintje wind. Er is niet één jongen die nog een droog draadje kleding aan het lijf heeft. Op de heenweg hebben ze nog drie keer kunnen rusten, want dat was onder het bevel van de compagniescommandant. Nu heeft de bataljonscommandant van het derde het voor het zeggen en lopen ze aan één stuk door terug naar het kamp. Zingend marcheren ze langs wegen en dorpen, inlanders kijken toe en vinden het prachtig. Vlak voor het kamp gaat het ineens in marstempo verder en keurig in het gelid lopen ze het terrein op, alsof ze net een kleine exercitie hadden. De jongens die eerder al afgehaakt waren staan vol verwondering te kijken. Ook hun commandanten kijken er raar van op, dat ze na zo’n zware tocht toch nog zo mooi kunnen exerceren. Meestal lukt dat ook niet, maar als ze er eenmaal goede zin in hebben, kunnen ze het net zo goed als een keukorps. Het is pracht geweest zo voor vandaag, ze zijn moe en hebben razende honger. Vandaag is door de 4e compagnie de hele dag gedregd naar de verdronken jongen, maar ook nu weer zonder resultaat.

Woensdag 20 februari 1946. Om 08.00 uur is er een vlaggenparade waarbij het Wilhelmus wordt gespeeld. Daarna is er inspectie door de bataljonscommandant en de regimentscommandant. De MP was in tussentijd weggeroepen omdat er een lijk uit zee was gehaald. Na identificatie bleek het vermoeden juist en werd de jongen van de 4e compagnie naar het hospitaal vervoerd. Om 14.00 uur wordt er plotseling geschoten, maar toen ze in het dorp kwamen was het al afgelopen. Het geval was dat Chinese communisten een demonstratie hielden, waarbij met stenen naar de inlanders en de Engelsen werd gegooid. Toen een Engelse commandant hierbij gewond raakte, gaf hij opdracht om te vuren, waarbij zes Chinezen werden gedood. Vanaf nu worden er dubbele wachtposten uitgezet om de boel in de gaten te houden.

Donderdag 21 februari 1946. Dit wordt geen prettige dag. Garrelt Vinke, de jongen van de 4e compagnie die in zee is verdronken wordt vandaag begraven. Zijn kleren waren al snel gevonden, maar van Vinke zelf was enkele dagen geen enkel spoor. Toen hij gevonden werd was hij niet meer te herkennen, maar de arts van het bataljon heeft hem kunnen identificeren aan zijn gebit. Van iedere militair is namelijk een gebitskaart aanwezig. Vanmiddag wordt hij hier in Mersing, dus ver van zijn huis begraven. De plechtigheid is indrukwekkend: Het vuurpeloton brengt enkele saluutschoten boven zijn graf, daarna spreken zowel de commandant als de dominee enkele woorden. De dominee haalt aan dat Garrelt zijn leven heeft gegeven om het vaderland te dienen. Het is treurig voor zijn ouders en verloofde. Zij zullen zich moeten sterken met de gedachte dat het Gods wil is geweest om hem op jeugdige leeftijd naar zich toe te halen. Garrelt Vinke kwam uit Nieuw-Vennep.

Majoor Chris van Kammen legt eerst bloemen op het graf van Garrelt Vinke, daarna volgt de ceremonie

Vrijdag 22 Februari 1946. Voor de jongens die afgelopen nacht wacht hadden werd het weer spannend. De plaatselijke bevolking verwachte namelijk een aanval van de communisten. Rondom het hele dorp lagen de Maleisiërs met kapmessen. Vanwege de onrust werden er dubbele patrouilles op pad gestuurd, zodat ze bij eventuele gevechten het kamp konden beschermen en indien nodig om de Brits-Indische politie te assisteren. Het bleef echter rustig, want er werd geen enkele communist gesignaleerd. Vandaag gaan de derde compagnie en de stafcompagnie samen een oefening doen. Om 5.00 uur staan ze al naast hun bed en iedereen moet mee. Ze gaan een kampong zuiveren waar verzetslieden zitten. Ondanks dat het 1e peloton nooit op zijn stelling is aangekomen, vind de compagniescommandant toch dat de oefening goed is geslaagd.

Zaterdag 23 februari 1946. Vanochtend wordt er alweer een officier beëdigd tot tweede luitenant. Omdat de jongens tijdens de afgelopen week zo goed hun best hebben gedaan, zijn ze na de parade de rest van de dag vrij. Ze gaan vanmiddag naar het dorp om inkopen te doen. Als een van de jongens een Brits-Indische politieman ziet vissen raken ze al snel in gesprek. Hij vertelt over de gespannen sfeer tussen zijn volk en de Chinezen en dat zijn vader en twee broers die door de communisten zijn vermoord. Toen de jongen vertelde dat hij had gezien hoe een Brits-Indische politieman een communist vermoorde, zij hij dat het heel goed mogelijk is dat hij dat was. Terug op het kamp wordt om 16.00 uur een voelbalwedstrijd gehouden.

Opstelling van het elftal van de 4e compagnie

Zondag 24 februari 1946. Het regent vanochtend pijpenstelen, dus rennen ze met hun gascape (poncho) aan richting de kerk. Na de kerkdienst wordt er in de kantine klassieke pianomuziek gespeelt. Een kapitein van de KNIL die aan 2-4 RI is toegevoegd blijkt een begenadigd speler, want ook hij speelt enkele mooie stukken. De rest van de dag wordt gevuld met wat rondhangen, lezen en brieven schrijven.

Maandag 25 februari 1946. Omdat ze zo'n zware week achter de rug hebben, wordt ook vandaag een zondagsdienst gehouden. 's Ochtends hangen ze wat rond en wordt er gewandeld. Ook maken ze foto's voor de bungalow en spreken af om gezamenlijk voor de kosten op te draaien van het ontwikkelen van de filmpjes. De prijs voor dit alles in nogal hoog, alleen voor een filmpje van acht foto's betaal je al vier dollar. Vanmiddag gaan ze in de omgeving nog wat mooie plekjes opzoeken om nog meer kiekjes te nemen. Zo worden er foto's genomen vanaf een berg achter de bungalow met de zee als achtergrond en op de kampong. Ze nemen zelfs foto's als ze in hun veldtenue tussen de struiken en het hoge gras liggen.

Met volle bepakking op de foto

Dinsdag 26 februari 1946. Vanochtend staat er een prachtoefening op het programma. Ze moeten een landingsoefening doen op het strand en mitrailleursnesten opruimen die zich op de hoge heuvels bevinden. Eerst lopen de jongens tot hun middel in de zee en verschuilen zich achter de rotsen, daarna begint de aanval. Ze haasten zich naar de wal en breken bijna hun nek over de rotsblokken. Als ze het slibachtige strand bereikt hebben, wordt het bevel gegeven om dekking te zoeken. Met een plons vallen ze als een dode neer, half in het water en half in het slib, een belachelijk gezicht. Vervolgens kruipen ze twintig meter voorwaarts en komen ze bij struiken aan de voet van de heuvels. Hier stellen ze zich gecamoufleerd op in linie en gaan ze vervolgens tegen de heuvels opwaarts verder. De linie bestaat uit zes secties. Ze bewegen zich liggend over de grond voort, eerst door een prikkeldraadversperring en dan door het hoge gras, tot ze een goede vuurpositie hebben. Nu moeten ze wachten tot de verkenners terug zijn. Als deze hun rapport hebben uitgebracht volgt niet lang daarna het bevel om verder te gaan. Zo snel als mogelijk is bewegen ze zich voorwaarts, totdat ze bij dicht struikgewas aankomen. 

Bespreking voorafgaande aan de landingsoefening

Nu begint het echt goed steil te worden. Er wordt weer contact gelegd met de verkenners en voorwaarts of liever omhoog gaat het weer. Het wordt als maar spannender, want ze moeten nu dwars door een vlechtwerk van taaie varens, lianen en struiken zien te komen. Met grote stappen en de benen zo hoog mogelijk opgetrokken proberen ze zich er doorheen te worstelen. De hindernissen worden als maar moeilijker. Als de varens te hoog worden om er overheen te kunnen springen, gaat het half liggend en kruipend door die verende massa verder. Als ze plotseling in een loopgraaf zakken wordt hiermee ook de zon verduisterd. Via een prikkeldraadversperring komen ze ook door deze hindernis heen, maar liggen ze inmiddels wel helemaal onder de varens en lianen bedolven. Met de stengun als hakmes wordt er een weg doorheen gebaand. Doordat de heuvels nog steiler worden is het erg moeilijker om deze te beklimmen, soms zakken ze twee passen naar beneden terwijl ze een stap naar boven proberen te doen. Daar komt nog bij dat de bodem hier uit gladde leem bestaat, maar ze komen toch langzaam vooruit. Als er uiteindelijk weer wat zonlicht is te zien, is dat een teken dat het gewas minder dicht wordt. Hoelang ze over het stuk hebben gedaan weten ze niet, maar als ze na een laatste prikkeldraadversperring het hoge gras weer bereiken, staat daar hun sectiecommandant, die vraagt waar ze zo lang bleven. Het blijkt inmiddels 11.45 uur te zijn en even later horen ze het fluitsignaal om te verzamelen. De oefening die tot dusver goed geslaagd is, wordt wegens tijdgebrek onderbroken. Ze waren pas op de helft van de helling en zouden het dubbele van de tijd nodig hebben om heel de oefening af te maken. De midden-secties hebben de vijand wel weten te bereiken. Als ze op de berg verzameld zijn, gaan zij in ieder geval terug naar het kamp.

Woensdag 27 Februari 1946. Om 9.00 uur wordt op het voetbalveld een parade gehouden, ter herdenking aan de slag in de Javazee. Voordat de majoor zijn toespraak houdt, is er eerst één minuut stilte. Tijdens zijn toespraak zegt hij: Laat ons ook gevolg geven aan de oproep van bevelhebber Karel Doorman die hij aan zijn mannen deed: 'Ik val aan, volg mij!'. Met als boodschap dat ook zijn jongens in diezelfde geest hun plicht zullen vervullen in de nabije toekomst. Daarna klinkt het Wilhelmus, dat met gedempt trompetgeluid en zacht tromgeroffel heel indrukwekkend klinkt. Hierna is er een defilé voor de bataljonsvlag, die net als alle andere vlaggen in het kamp halfstok hangt. Het is een pracht parade. Zo ver van huis voelen de jongens zich op hun best, bij een bijeenkomst waarin hún bataljonscommandant het middelpunt vormt. Wel jammer dat de Engelsen het een beetje bederven, door niet in de houding te staan tijdens het Wilhelmus. Per slot van rekening zijn onze mensen in de Javazee toch ook voor hen gevallen. Na afloop van de parade moeten ze eerst de bungalows schoonmaken, daarna kunnen ze gaan zwemmen in de zee. Sinds het treurige verlies van Garrelt Vinke mag dit alleen onder begeleiding.

 

Bataljonsparade ter herdenking aan de slag in de Javazee

Donderdag 28 Februari 1946.Vandaag is er onder leiding van sergeant-majoor de Mooy (een oud Indië militair) een oefening in het bouwen van een bivak in de wildernis. De Indische soldaten hebben daar al ruimschoots ervaring mee en nu is het hun beurt. Zo’n bivak wordt het liefst in de buurt van een kali opgezet en bestaat uit een schuin afdak met zeilen erover, groot genoeg dat iedereen er net onder kan. Rondom het bivak wordt tot 5 meter alle bebossing weggekapt en daar omheen komt een omheining. Buiten de omheining wordt nog eens 10 meter bos weggekapt, ter bescherming tegen nachtelijke overvallen. Zo'n bivak is bij de Indische soldaten in één uur klaar, maar zo vlug zal het de Hollandse jongens voorlopig niet lukken.

De jongens van de 3e compagnie hebben vandaag een heel andere oefening. Verdeelt over twee secties staan ze als vijand tegenover elkaar. Een sectie moet via een van tevoren bepaalde route op patrouille en zal ergens onderweg in een hinderlaag lopen van de tweede sectie. De eerste sectie heeft al snel een vermoeden dat de tweede sectie bij een kruispunt in een hinderlaag ligt. Uiterst voorzichtig en behoedzaam rukken ze op naar dat kruispunt, terwijl twee verkenners al vooruit zijn gestuurd. Voorzichtig en loerend kruipt dit tweetal over de weg, maar ze zien en horen niets, dus geven ze aan dat de rest ook kan komen. De verkenners hebben de tweede sectie niet ontdekt, maar ze zitten er wel. Op het moment dat de eerste sectie in open veld komt beginnen ze meteen te schieten en komen ze vanachter de bosjes vandaan om hun te overmeesteren. De jongens van de eerste sectie zijn totaal overrompeld. Omdat de tweede sectie zich prima achter de struiken had verstopt, konden de verkenners ze onmogelijk hebben gezien. Na een korte nabeschouwing gaan ze naar het kamp terug en is de dag wat de dienst betreft voorbij.

Vrijdag 1 maart 1946. De ochtend begint al meteen goed. Ze krijgen te horen dat ze over een maand naar Java zullen vertrekken. Inmiddels zijn ze ook al de rimboe in geweest om snipers op te sporen. Snipers zijn scherpschutters die zich verdekt opstellen langs een weg, om zoveel mogelijk slachtoffers te maken. De Jappen hebben ze ook ingezet, ze kwamen er dan meestal niet levend vanaf, maar dat scheen ze niet te deren. Snipers kunnen overal zitten, bijvoorbeeld in een klapperboom waarin ze zich vastbinden, hierdoor zal de vijand meer patronen verschieten dan noodzakelijk is. Vanmiddag gaan een aantal jongens naar de bioscoop in Kluang. Kluang ligt meer dan 100 kilometer verderop, dus hebben ze daar een hele middag voor nodig.

De jongens van de derde compagnie hebben vanochtend exercitie en theorieles. Na het middageten gaan ze naar een demonstratie van het Scottish Regiment kijken. Deze soldaten zijn sinds een week bij 2-4 RI gedetacheerd. Ze laten zien hoe zij zich camoufleren en voortbewegen in het terrein en ze doen enkele veldoefeningen. Heel toevallig gaan ze op hetzelfde kruispunt waar ook zij gisteren hebben geoefend op patrouille en stuitten daar op een mitrailleursnest. Deze jongens pakken het alleen wél handig aan en vernietigen het mitrailleursnest. Als ze naar bed willen gaan wordt er plotseling geschreeuwd dat er post is, dus van slapen komt voorlopig niks.

Zaterdag 2 maart 1946. Vandaag begint om 10.00 uur het grote sportevenement de 'Olympiade', met daarin kogelstoten, hardlopen enzovoort. De hele dag zijn er wedstrijden, met vanavond een estafette als finale en ter afsluiting een fakkeltocht en een kampvuur. Omdat bij het begin van de estafette een enorme onweersbui losbarst, word deze helaas afgelast, maar als het om 20.00 uur weer droog is, worden de estafette en de fakkeltocht alsnog gehouden. De fakkeltocht is erg mooi om te zien en als ze ermee klaar zijn worden er meteen de zes kampvuren mee aangestoken. Als die zijn uitgebrand worden de uitslagen van de wedstrijden bekend gemaakt.

Zondag 3 maart 1946. Vanmiddag krijgen ze bezoek van enkele officieren van de gezondheidsdienst die de boel komen inspecteren. Vanavond wordt er op het voetbalveld een film gedraaid. Ondanks dat het doek en filmapparatuur midden op het veld zijn opgesteld, hebben ze toch een mooie heldere weergave in de buitenlucht. De film speelt voor het grootste deel af in de rimboe van Trinidad.

Maandag 4 maart 1946.  Er is een geval van kinderverlamming opgedoken. Een jongen uit Haarlem is het slachtoffer. Meteen worden er nieuwe verordeningen uitgevaardigd. Zo mogen ze niet meer naar het dorp en is de kantine voorlopig gesloten. De inlandse jongens mogen ook de was niet meer komen doen en ga zo maar verder. Opeens is er nu wél allerlei materiaal beschikbaar om het vuil te bestrijden. Al snel is er geen enkele vlieg of zelfs made meer te bekennen. Vreemd toch, waarom kan dat nu opeens wel?

Dinsdag 5 maart 1946. Vanwege de verordeningen hebben ze vanochtend exercitie op het eigen terrein. Na de dienst mogen ze wel naar het strand om te zwemmen en vanmiddag mogen ze ook weer buiten het terrein komen, maar nog niet naar het dorp. Ook de kantine blijft nog gesloten.

Woensdag 6 maart 1946. Omdat vandaag een Engelse kolonel het kamp zou komen inspecteren, hebben ze de hele dag vrij. De beste man is echter niet komen opdagen. Verder zijn er geen bijzonderheden te melden.

Donderdag 7 Maart 1946. Enkele dagen zijn verstreken zonder noemenswaardige gebeurtenissen, maar vanochtend hebben ze een hele grote oefening. Eerst een uurtje marcheren naar de plaats van bestemming en dan in colonne tegen de heuvels op om stelling te nemen. Vooral op de heuvels, vanwaar ze de weg beneden verkennen, brandt de zon fel. Ondanks al het gezweet is het een mooie oefening en na een paar uur gaan ze terug naar het kamp. Ander nieuws: Van 16.00 uur tot 17.00 uur moeten ze hun citybags inpakken. Dat gebeurt natuurlijk niet als ze hier nog een week zouden blijven. Morgen zal ook de administratieve dienst hun spullen gaan inpakken.

Vrijdag, 8 Maart 1946. Vanochtend is er een veldoefening door de rubberbossen en om 14.00 uur is er een demonstratie van het Schotse trainingsteam. Die training is wel aardig, ze hebben de oefeningen in ieder geval goed volbracht. Vandaag is de onderbevelhebber van het S.E.A.C. op bezoek geweest, om een oordeel te vellen over de vorderingen van het bataljon. Omdat ze nu alles moeten inpakken, gaat de stemming ineens met sprongen omhoog. Dat gaat dus de goede kant op! De afgelopen dagen zijn al een aantal jongens vertrokken. Ze gingen, of naar het hospitaal, of ze werden afgekeurd en keren terug naar Nederland.

Zaterdag 9 Maart 1946. De dagen verstrijken en de spanning stijgt ten top. Alles staat in het teken van vertrek, maar ze weten nog steeds niet waar ze in Indië aan land gaan. Waarschijnlijk zullen ze ergens langs de kust worden afgezet, met een soort invasie als vervolg. Maar moeten ze dan zwemmen, of gaan ze met kleine bootjes aan land en... zullen ze dan met vlaggen of met kogels worden ontvangen? Geen mens die het weet, ze moeten in ieder geval wel met alles rekening houden. De gehele dag hebben ze niets anders gedaan dan pakken en om 17.00 uur moeten ze volledig bepakt aantreden. Als ze weg gaan moet alles in een uur klaar staan, dus hun bepakking moet dan wel steeds klaarliggen. Ze kunnen morgen al weggaan, maar het kan ook gerust nog een week duren. Vanmorgen is een vaandrig gepromoveerd tot eerste-luitenant en dat is wel een feestje waard. Als er iemand is die een bevordering verdient dan is hij het wel, een betere commandant kunnen ze niet krijgen.  

Zondag 10 maart 1946. Vandaag worden er nieuwe uniformen uitgedeeld. Zowel gisterenavond als vandaag is er veel bier verkocht, zelfs zoveel dat ze er een beetje te vrolijk van werden. Met het resultaat dat ze nu een platte beurs hebben.

Maandag 11 maart 1946. Alle hoop op vertrek wordt de grond weer ingeslagen. Ze gaan dus toch voorlopig niet weg. Als reden wordt opgegeven dat er een nieuw geval van kinderverlamming is opgedoken, maar of dit ook werkelijke de reden is? Er zal wel meer achter zitten. De stemming is er in ieder geval niet beter op geworden. Vandaag is vaandrig Tap bevordert tot 1e luitenant, hiermee heeft hij het commando over de 3e compagnie op zich genomen.

Dinsdag 12 t/m donderdag 14 maart 1946. De komende drie dagen verlopen zoals gebruikelijk. Dinsdagochtend sport en 's middags theorieles, woensdag schietoefeningen en donderdag een mars lopen. Verder zijn er geen bijzonderheden

Vrijdag 15 maart 1946. Vandaag wordt er een velddienstje gehouden en daarna zijn ze verder vrij. Als ze vanmiddag naar het strand gaan, zien ze dat de golven behoorlijk hoog zijn, dus dat wordt genieten. Als ze klaar zijn met zwemmen, komt net de zoon van de dorpsdokter met zijn half paard - half ezel het strand oprijden. De jongens vragen of zij er een keer op mogen rijden, waarop hij gewillig toestemt. De eerste die het probeerde maakte een gelaagde wandeling, maar de tweede ging al meteen verkeerd op het beest zitten. Achterop de rug zittend ging het arme dier al snel in galop en toen ging het meteen mis. Met een enorme klap maakte hij een noodlanding op het strand en lag meteen in het zand te bijten. Het geschrokken dier koos meteen het hazenpad en vertrok richting zijn stal, de onfortuinlijke ruiter werd natuurlijk hartelijk uitgelachen.

Zaterdag 16 maart 1946. Vandaag bestaat het bataljon een half jaar en dat vieren ze met een gezellige avond in de kantine. Er is muziek, zang, een voordrachtje en een glaasje bier. Een hele compagnie vertrekt al in het begin van de avond, omdat de heren officieren op dezelfde plek willen zitten waar al jongens zaten, maar verder bleef de stemming gelukkig goed. Enkele sprekers brengen de moeilijkheden naar voren die het bataljon momenteel ondervindt. Ondanks dat overal aan is gewerkt, blijft het resultaat klein en de tegenwerking groot, maar ze zullen hoe dan ook de moeilijkheden overwinnen. Ze zullen bewijzen dat ze hiertoe in staat zijn.

Zondag 17 maart 1946. De stemming is nog steeds slecht en veel bijzondere dingen gebeuren er momenteel niet. Gewoon de dagelijkse diensten en zo af en toe een aardig feestje. De heren in de keuken hebben voor vandaag een heerlijk zondagsmaaltje bereid; rode bieten, sperziebonen, komkommer, aardappelen en vlees met heerlijke jus. Sperziebonen groeien hier ook, alleen zijn ze hier wel wat langer dan je in Holland gewend bent. Verder wordt de dag doorgebracht met wat luieren, brieven schrijven en lezen.

Maandag 18 maart 1946. Vanmorgen hebben ze velddienst tot 12.00 uur en na het middageten zijn ze vrij tot 16.00 uur. De natte moesson schijnt nog niet helemaal voorbij te zijn, want het regent momenteel pijpenstelen. Vanavond krijgen de jongen van de 3e compagnie les van de sectiecommandant. Het wordt een hele interessante les in kaartlezen, het gebruik van het kompas en nog meer van die dingen.

Zaterdag 23 Maart 1946. De afgelopen vijf dagen zijn er geen noemenswaardige dingen voorgevallen, alleen velddiensten, theorielessen en de dagelijkse beslommeringen. Vandaag krijgen de jongens een nieuwe tropenhoed, het is een soort flaphoed waar veel geintjes over worden gemaakt. Ook verlaten de kwartiermakers vandaag alvast Mersing. Zij vertrekken morgen met het s.s. "Nevasa" vanuit Singapore naar Java, samen met de jongens van 1-5 R.I., 2-5 R.I. en het G.B.I. Vanavond is het erg gezellige in de kantine, hierbij geeft sergeant Blauwe een lezing over zijn belevenissen bij de Prinses Irenebrigade.

Kwartiermakers met de zojuist verkregen flaphoed voor de "Nevasa" op de kade van Tandjong Priok

Zondag 24 maart 1946. Het is zondag dus rustdag. Na de kerkdienst gaan ze eerst lekker eten en vertrekken daarna naar het strand om te zwemmen. De rest van de dag wordt zoals alle andere zondagen gevuld met luieren, lezen en schrijven. Vanmiddag zijn de trucks gearriveerd waarmee ze naar Singapore zullen gaan.

Vertrek van Malakka

Maandag 25 maart 1946. Vandaag vertrekken ze dus echt. Tijdens het ochtendappel wordt bekend gemaakt dat ze om 10.00 uur gepakt moeten aantreden. Daarna zijn ze voor de rest van de dag vrij, want het vertrek is bepaald op 02.00 uur vannacht. Hun bepakking bestaat uit een volle citybag, een rugzak, een zeiltje, twee dekens en een klamboe, alles bij elkaar een behoorlijk vrachtje. Om 11.00 uur zijn ze bezig om de trucks te laden met allerlei bagage, daarna is het wachten tot ze vertrekken. De avond wordt doorgebracht bij een kampvuur met voordrachten en liederen zingen. Om middernacht krijgen ze brood. Het licht is dan al afgesloten, maar met behulp van het kampvuurtje hebben ze voldoende licht om te zien wat ze naar binnen werken. Om 01.00 uur beginnen ze met het inladen van de trucks. Met de bepakking hoeven ze gelukkig niet ver te sjouwen, want de trucks staan naast de gebouwen opgesteld. Na heel wat strubbelingen met de chauffeurs zitten ze om 03.30 uur allemaal in de trucks en kan de colonne vertrekken.

Op naar het 180 km verder gelegen Singapore! Het is wat moeilijk om de rit goed te beschrijven: Ze zitten, of beter gezegd, hangen en liggen over de plunjezakken en kisten munitie in grote vrachtauto's met Engelse chauffeurs. De chauffeurs blijken oververmoeid te zijn, want ze zitten half te suffen achter het stuur. Al hortend en stotend proberen ze met zeventien man in een truck in de meest onmogelijke houdingen te slapen. De een slaapt kort, terwijl de ander licht te ronken alsof er geen enkel vuiltje aan de lucht is. Die schijnen dus wel goed te kunnen slapen. Als ze wakker schrikken zijn ze bij Johor aangekomen, dat zo'n 30 kilometer van Singapore vandaan ligt. Als het langzaamaan licht begint te worden komt ook Singapore in zicht. Eindelijk weer eens een echte stad met fatsoenlijke gebouwen. Tijdens het laatste deel van de rit is het ontzettend druk op de weg. Er is hier veel meer verkeer dan in Holland, voornamelijk legerauto's, maar ook best veel luxe auto's. Ze komen om 11.00 uur in de havens aan en moeten daar nog een half uur wachten voordat er iets gaat gebeuren.

Oversteek met het s.s. "Salween"

Het s.s. "Salween"

Dinsdag 26 maart 1946. Tien maanden na het ondertekenen van de verbandakte, zijn ze dan eindelijk onderweg naar hun missie in Nederlands-Indië! Op Malakka is er koortsachtig aan gewerkt om hun uitrusting in orde te krijgen en dat was gezien de tegenwerking van de Engelsen niet gemakkelijk. Toch zijn ze, zoals ze hier op de kade van Singapore staan, voorzien van behoorlijk veel materieel en brandstof.

De jongens moeten zelf hun spullen in het ruim van het Engelse s.s. "Salween" sjouwen, dit is het schip waarmee ze naar Java zullen varen. Als een groot deel van de lading al is ingeladen, geeft de kapitein van het schip bevel om alle munitie en benzine weer van boord te halen. Dit mag kennelijk niet aan boord van een schip dat ook troepen vervoert. De munitie en de benzine worden dus weer uit het ruim gehaald en overgeladen in het nabij gelegen s.s. "Samhai", een zusterschip van de "Salween". Maar wat schetst ieders verbazing, de kapitein van dat schip vindt het ook te gevaarlijk om dergelijke lading aan boord te hebben. Na de nodige onderhandelingen met de Engelsen wordt er een compromis afgesproken. De gevaarlijke lading blijft achter op de kade en zal worden overgedragen aan een Nederlandse verbindingsofficier hier in Singapore. Hij zal ervoor zorgen dat het wordt nagestuurd naar Batavia.

Het s.s. "Salween" aan de kade in Singapore

Veel gerief is er niet aan boord van de "Salween", maar daar zijn ze inmiddels wel gewend. Om 16.00 uur krijgen ze voor het eerst vandaag een maaltijd. Het is eigenlijk geen maaltijd, want het is niet meer dan een stukje droog brood. Nou ja, brood is het eigenlijk ook niet, het is gewoon deeg! Veel jongens klagen hierover. Om 17.00 uur pakken de eerste jongens hun dekens en gaan ze een lekker tukje doen op het dek. Om 19.00 uur worden ze gewekt en krijgen ze alweer iets te eten. Inderdaad, het is eten, maar wat stelt het eigenlijk voor? Iemand roept dat het ‘reut' is en dat is misschien ook wel de juiste benaming. Er wordt eerst hartelijk om gelachen en vervolgens werken ze de handel toch maar naar binnen. Daarna vertrekken ze weer naar het dek om een goede slaapplek te creëren en onder de tonen van een klokkensymfonie uit de scheepsradio vallen ze al snel in slaap.

Woensdag 27 maart 1946. Na een heerlijke nachtrust staan de jongens vroeg op en zien ze dat het schip nog steeds in de haven ligt. Sommige kijken geïnteresseerd hoe inlanders kolen aan het bunkeren zijn. De kolen worden mandje voor mandje naar binnen getransporteerd, maar hiervoor staan wel een hele rij inlanders klaar, dus het gaat best tamelijk snel. Hierna vertrekken ze naar beneden voor het ontbijt. Maar helaas: Nu is er weer niet voldoende eten voor iedereen. Ook goed, dan wachten die toch gewoon tot vanmiddag. Maar nee, ook dan is er nog steeds niet voldoende eten! Vanavond is het gelukkig een stuk beter geregeld. Ze krijgen een noodrantsoen: kaak, spek, chocolade, cake, zuurtjes en andere lekkernijen. Dat smaakt dus wél uitstekend. Als ze ‘s nachts op het dek willen slapen, moeten ze wel zorgen dat ze er op tijd bij zijn, want alle slaapplekken daar zijn al snel bezet en dan zit er niets anders op dan benedendeks te maffen en zelfs dan moeten ze nog geluk hebben dat ze een hangmat kunnen vinden.

Donderdag 28 maart 1946. Na vannacht nog buitengaats te hebben gelegen vertrekken ze om 07.00 uur dan echt. De zee is inmiddels een oude bekende voor hun geworden en iedereen is erg blij dat ze eindelijk onderweg zijn. Om 15.00 uur passeren ze de evenaar en dan wordt traditiegetrouw de Neptunusdoop gehouden. Een oude baas komt met een grote viertand in de hand, samen met zijn vrouw en een heel gevolg aan boord. Ze lopen er allemaal bijzonder mooi bij. Op het dek staat een grote bak met water, waarin de doopplechtigheid zal plaatsvinden.

Neptunus zit hier met zijn viertand klaar om met de doop te beginnen

Tien uitverkorenen worden uit naam en ten aanschouwe van het hele bataljon gedoopt. Met consistentvet en andere troep worden ze eerst flink ingesmeerd, zodat ze er uitzonderlijk bijlopen. Daarna geeft vadertje Neptunus ze een ferme duw en rollen ze zo de bak met water in. Het maakt niet uit of het een soldaat, sergeant of luitenants is, iedereen krijgt zijn portie. Zo’n doop is schitterend om mee te maken en de toeschouwers vermaken zich dan ook prima met andermans ongeluk. Daarna krijgen de dopelingen een bus warm water, om zich weer toonbaar te maken.

De enorme bak water waarin de doop zal plaatsvinden

Vrijdag 29 maart 1946. Doordat er vannacht een stevig briesje stond was het tamelijk fris, toch hebben ze heerlijk kunnen slapen aan dek. Om 11.00 uur varen ze langs de eilanden Banka en Billiton en iets verder langs een koraaleilandje, waar het wrak van een vliegdekschip ligt. Het heeft blijkbaar een voltreffer gehad, want de romp is dwars doormidden gebroken. Hier vaart ook een kustbeveiligingsvaartuig met in de top de Nederlandse vlag. Van beide schepen loeien vervolgens de stoomfluit even. Het is prachtig weer en de Javazee is nagenoeg vlak. De stemming is prima en nu is er gelukkig wél eten voor iedereen.

Om 16.00 uur krijgen ze te horen dat ze onderweg zijn naar Batavia. Het beetje munitie dat ze wél mee mochten nemen wordt uitgedeeld en de stemming wordt als maar beter. Ondanks dat de lucht er al een poosje slecht uit ziet, gaan ze vannacht toch aan dek slapen. Als het om 04.00 uur vreselijk begint te waaien en te regenen, verlaten ze zo snel mogelijk het dek en gaan ze naar beneden. Na wat zoeken komen enkele jongens in de zitkamer van de officiers terecht en willen daar de rest van de nacht doorbrengen. Ze roken wat en liggen in makkelijke stoelen met de benen op tafel en hebben al snel het gevoel dat ze thuis zijn. Na een uurtje worden ze wreed verstoord door een figuur in een pyjama. Het is een grootmajoor, die zeer verbaasd opkijkt naar wat hij ziet. De man vraagt of ze toestemming hebben om hier te mogen zijn. Hierop volgt een algehele zwijgzaamheid. Ik begrijp niet dat jullie zoiets durven! Jullie weten toch zeker wel dat het hier verboden terrein is. Ik zou maar zorgen om hier zo snel mogelijk weg te komen als ik jullie was. Zonder ook maar één woord te zeggen pakken de jongens hun spullen en verlaten de zitkamer. Geruisloos gaan ze de deur uit, om vervolgens in lachen los te barsten.

Ned. Indië (Batavia)

Zaterdag 30 maart 1946. Om 07.30 uur komt de kust van Java in zicht en een half uur later stomen ze de haven van Tandjong Priok binnen en om 08.30 uur liggen ze aangemeerd. De eerste indrukken zijn goed, het is uitermate prettig om weer eens Nederlanders te zien. Om 11.00 uur is de hele brigade ontscheept. Op de kade worden ze eerst getrakteerd op een kop thee en een lekkere koek, daarna stappen ze in vrachtauto’s en rijden ze naar Batavia. Alles ziet er hier tamelijk verzorgd uit en de Javanen juichen de jongens toe. Batavia ziet er best Europees uit, de Nederlanders hebben hier dus goed werk verricht. Er zijn mooi aangelegen wegen, elektrisch licht en er rijden zelfs trams. Ondanks dat het gebied waar ze nu doorheen rijden erg onveilig is gebeurd er gelukkig niets. Na een half uur zit de rit er al op. Het Kennemerbataljon wordt gehuisvest in Tanah Tinggi in de voormalig KNIL-kazerne Tangsi, die aan de rand van oost Batavia is gevestigd. Ze nemen het over van de Brits-Indische troepen, die vlak voor hun aankomst zijn vertrokken. Deze kazerne is pas in 1941 gebouwd, maar ziet er momenteel erg verwaarloosd uit.

Ingang tot de oude KNIL- kazerne Tangsi te Tanah Tinggi (hoge Grond)

Het terrein bestaat uit een aantal grote gebouwen en ligt op vier kilometer afstand van Batavia en twee kilometer vanaf het grootste vliegveld op Java. In de toegangshekken naar de kazerne zitten veel kogelgaten en als ze op het terrein komen, treffen ze als snel een pas gedolven graf aan van een Brits-Indische wachtpost, die hier blijkbaar nog maar kortgeleden is gesneuveld.

Een van de barakken op de Tangsi-kazerne

Ze worden in ruime luchtige kamers ondergebracht, met daarin houten verhogingen. Ze slapen dus niet op de grond. Zodra ze hun spullen aan kant hebben gaan ze op verkenning. Opeens vinden ze een grote kist met postzegels en verdiepen zich meteen in de inhoud. Er zit zoveel in, dat ze er de hele middag mee zoet zijn. Tegen de avond wordt er een enorme massa post binnengebracht, te veel om voor het donker te kunnen lezen. Gelukkig brengen zaklantaarns hierop uitkomst.

Groepsfoto van het 3e peloton op het terrein van de Tangsi-kazerne, inclusief baboes en djongossen

Zondag 31 maart 1946. Omdat er regelmatig schietpartijen worden waargenomen, zijn ze de hele dag druk bezig met het in orde brengen van de oude stellingen rond de kazerne, zodat die meteen gebruikt kunnen worden als er iets mocht voorvallen. Hoe lang ze hier zullen blijven is momenteel nog niet bekend, maar waarschijnlijk is dit nog maar een tussenstation. Ze zitten nu tenminste op Java en dat is het belangrijkste!

Dankwoord: Dit reisverslag is samengesteld door de dagboeken van enkele militairen van het Kennemerbataljon te raadplegen. De Indiëgangers H.J. (Henri) Butot, C.P. Rekelhof, J.T. (Hans) Ploeg, P. (Piet) Hartog, C.P. Groot en Piet Kramer ben ik hiervoor dankbaar. Ik heb getracht om een zo uitgebreid mogelijk verslag samen te stellen, zonder al te persoonlijke fragmenten te vermelden. De bijgeplaatste foto's zijn afkomstig van J. Manni, Joop Theijse, Siem de Graaf, M. Hogestijn. Piet Kramer, D.J. Ypma, C.M. v/d Bosch, v/d Poll en E.N. Schoeman. Als laatste wil ik Rob de Graaf en Martin de Graaf van de archiefdienst Kennemerbataljon (Martin is tevens de zoon van Siem de Graaf) bedanken voor het beschikbaar stellen van deze dagboeken.

Voor de thuisreis kunt u het reisverslag van het Kennemerbataljon met de 'Indrapoera' raadplegen!